Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:579

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
8252513 UV EXPL 20-3
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakoming vaststellingsovereenkomst met non-concurrentie/relatiebeding. Afwijzing verbeurde boetes, want boetebeding maakt geen deel uit van de vso. Afwijzing vordering tot staken concurrerende werkzaamheden, nu niet aannemelijk is dat hiervan sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8252513 UV EXPL 20-3 MS/1270

Kort geding vonnis van 26 februari 2020

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. C. Mutlu,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.B. Bouter.

1 De procedure

1.1.

[eiseres] heeft op 3 februari 2020 een dagvaarding met producties aan [gedaagde] laten betekenen en heeft deze vervolgens aan de kantonrechter gestuurd. [gedaagde] heeft bij brief van 7 februari 2020 producties ingediend.

1.2.

Op 12 februari 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [eiseres] zijn verschenen de heer [A] , algemeen directeur van [eiseres] , de heer [B] van [bedrijfsnaam 1] B.V., mr. Mutlu en mr. J.J. Gerritsma. [gedaagde] is verschenen met mr. Bouter en mr. [C] . Partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Zij hebben over en weer op elkaars stellingen kunnen reageren en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat op 26 februari 2020 vonnis zal worden gewezen.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

voorgeschiedenis

2.1.

[eiseres] is een onderneming die zich bezighoudt met de verkoop van koffie en koffieautomaten en daarbij soep, cacao, thee en waterkoelers. Zij maakt onderdeel uit van de franchiseonderneming [bedrijfsnaam 2] B.V.

2.2.

[gedaagde] is vanaf 2015 bij [eiseres] werkzaam geweest op basis van een franchiseovereenkomst. Deze franchiseovereenkomst kende een non-concurrentiebeding met daaraan gekoppeld een boetebeding.

2.3.

Op 1 januari 2018 is [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [eiseres] in dienst getreden in de functie van vestigingsondernemer op de locatie [vestigingsplaats] . In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding, een relatiebeding en een boetebeding opgenomen. Deze bedingen luiden als volgt:

Artikel 13. NON-CONCURRENTIE/RELATIEBEDING

1. Jij mag zonder onze schriftelijke toestemming binnen zes (6) maanden na beëindiging van deze overeenkomst binnen jouw regio of een door ons aangewezen regio, direct of indirect, voor jezelf of voor anderen, niet in enigerlei vorm werkzaam of betrokken zijn of een aandeel hebben in of bij een onderneming met activiteiten die soortgelijk, aanverwant of concurrerend zijn met ons. Het maakt niet uit of je hiervoor wel of geen een vergoeding ontvangt.

2. Jij mag zonder onze schriftelijke toestemming binnen zes (6) maanden na beëindiging van deze overeenkomst binnen jouw regio of een door ons aangewezen regio, direct of indirect, geen contact onderhouden (ook niet via sociale media) met relaties van ons of reclame maken om hen over te halen richting een concurrerende partij. Onze administratie is hierbij bepalend.

Artikel 14. BOETE

In uiterste gevallen zullen wij, als jij artikelen 10 tot en met 13 toch overschrijdt, in afwijking van artikel 7:650 lid 3 BW, zonder dat ingebrekestelling is vereist en in afwijking van artikel 7:650 lid 5 BW, voor iedere overtreding een boete moeten opleggen van € 1.500,-- eenmalig en van € 150,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. Ook mogen wij in plaats daarvan volledige schadevergoeding plus kosten en interesten bij jou vorderen voor zover de werkelijk geleden schade hoger is dan de boete.”

2.4.

Partijen hebben op 18 juli 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarmee de arbeidsovereenkomst per 1 september 2019 is beëindigd. Hierin is onder meer het volgende bepaald:

“12) De verplichtingen uit het non-concurrentiebeding/relatiebeding, het geheimhoudingsbeding en het verbod op benaderen van werknemers blijven onverminderd van kracht. Er kan hier alleen bij schriftelijke toestemming van [A] van worden afgeweken.

(…)

15) Alles is besproken en onderhandeld. Jij en wij hebben uit de arbeidsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar algehele en finale kwijting, behoudens verplichtingen die voortkomen uit deze overeenkomst.

16) Deze overeenkomst omvat alle verplichtingen die jij en wij nog tegenover elkaar hebben en komen in de plaats van alle andere verplichtingen.”

2.5.

[eiseres] heeft zich bij brief van 2 december 2019 tegenover [gedaagde] op het standpunt gesteld dat hij het non-concurrentie/relatiebeding overtreedt. Zij heeft [gedaagde] gesommeerd zijn handelen per direct te staken en de verbeurde boetes van € 10.350,-- te betalen. [gedaagde] heeft bij brief van 4 december 2019 echter betwist dat hij het non-concurrentie/relatiebeding overtreedt en boetes heeft verbeurd. Partijen hebben hierna nog verder gecorrespondeerd, maar hebben geen overeenstemming kunnen bereiken.

de vorderingen van [eiseres]

2.6.

maakt aanspraak op nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Zij vordert daarom in deze procedure:

  1. haar een voorschot op de vergoeding toe te kennen van (het netto-equivalent van) € 10.350,--, althans een door de kantonrechter te bepalen vergoeding;

  2. [gedaagde] te veroordelen uiterlijk 24 uur na betekening van het vonnis zijn concurrerende werkzaamheden te staken en gestaakt te houden tot 1 maart 2020, op straffe van een dwangsom;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

2.7.

[eiseres] stelt ter onderbouwing van haar vorderingen dat [gedaagde] het non-concurrentie/relatiebeding heeft overtreden door:

  • -

    op 19 november 2019 per e-mail contact op te nemen met een directe relatie van [eiseres] , namelijk [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 3] ), voor overleg over prijzen en producten in verband met het starten van zijn eigen koffiebedrijf per 1 maart 2020;

  • -

    de bedrijven [bedrijfsnaam 4] B.V. en [bedrijfsnaam 5] B.V. op te richten, welke bedrijven – kort gezegd – ( [.] ) mineraalwater verkopen en daarmee concurreren met de producten van [eiseres] ;

  • -

    als directeur van ‘ [bedrijfsnaam 6] ’ personen via LinkedIn te benaderen die werkzaam zijn in de koffiebranche;

  • -

    op social media [.] mineraalwater te promoten.

spoedeisendheid

2.8.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] door de schending van het non-concurrentie/relatiebeding haar bedrijfsdebiet beschadigt. Zij heeft hiermee de spoedeisendheid van haar vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt.

beoordeling gevorderde vergoeding

2.9.

[eiseres] vordert primair een bedrag van € 10.350,-- als voorschot op de verbeurde boetes. Zij vordert dit bedrag, of enig ander bedrag, subsidiair als voorschot op schadevergoeding omdat [gedaagde] toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst dan wel onrechtmatig jegens haar handelt.

2.10.

[gedaagde] betwist dat hij een vergoeding aan [eiseres] verschuldigd is. Hij stelt dat hij het non-concurrentie/relatiebeding niet heeft geschonden, omdat hij niet wist dat [bedrijfsnaam 3] een relatie was van [eiseres] en hij met zijn bedrijven [bedrijfsnaam 4] B.V. en [bedrijfsnaam 5] B.V. niet met [eiseres] concurreert. Los daarvan stelt hij zich op het standpunt dat in de vaststellingsovereenkomst aan de overtreding van het non-concurrentie/relatiebeding geen boete is verbonden en dat [eiseres] ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de gestelde schending schade heeft geleden.

2.11.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

verbeurde boetes

2.12.

De kantonrechter zal eerst beoordelen of in de vaststellingsovereenkomst aan de overtreding van het non-concurrentie/relatiebeding een boete is verbonden, nu dit tussen partijen in geschil is. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat in de vaststellingsovereenkomst geen bepaling over een boete is opgenomen.

2.13.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat het boetebeding wél deel uitmaakt van de vaststellingsovereenkomst omdat met de in artikel 12 genoemde verplichtingen ook het boetebeding wordt bedoeld. [eiseres] wijst er op dat de franchiseovereenkomst en de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] een non-concurrentiebeding en daaraan gekoppeld een boetebeding kenden en dat partijen in het kader van de onderhandelingen over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk hebben gesproken over de handhaving van het non-concurrentiebeding. Zij verwijst hiervoor onder meer naar een e-mail van 17 juli 2019 van [B] , waarin deze schrijft: “Het concurrentiebeding is zoals je weet een afspraak waar we niet aan gaan tornen.” Er is bij [gedaagde] volgens [eiseres] zeker niet de indruk gewekt dat het boetebeding niet van toepassing zou zijn. In dat geval zou de toepasselijkheid van het boetebeding in de vaststellingsovereenkomst ondubbelzinnig zijn uitgesloten, hetgeen niet is gedaan.

2.14.

Bij de vraag of artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst, en meer in het bijzonder de zinsnede ‘verplichtingen uit het non-concurrentiebeding/relatiebeding’ zo moet worden uitgelegd, dat de afspraak over de te verbeuren boete bij overtreding van die bedingen daar deel van uitmaakt, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

2.15.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van wat door [eiseres] daartoe is aangevoerd, voorshands niet aangenomen worden dat partijen destijds voor ogen stond dat het boetebeding zou blijven gelden. In de vaststellingsovereenkomst wordt de boete niet expliciet genoemd en er is niet gesteld of gebleken dat partijen destijds, voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, over het boetebeding hebben gesproken. Dat zij met hun afspraken over het concurrentiebeding (ook) doelden op het boetebeding blijkt ook niet uit de berichten waar [eiseres] naar verwijst. Daarbij is van belang dat in de arbeidsovereenkomst de boete niet in dezelfde bepaling was opgenomen als de afspraken over concurrerende werkzaamheden en het benaderen van relaties.

Het feit dat zowel de franchiseovereenkomst als de arbeidsovereenkomst een boetebeding kenden biedt geen steun aan de stelling van [eiseres] omdat in de vaststellingsovereenkomst de boete niet wordt genoemd en in artikel 15 en 16 staat dat alles tussen partijen is besproken en de overeenkomst alle verplichtingen omvat die partijen nog tegenover elkaar hebben en dat die in de plaats komen van de eerdere afspraken.

Het is zeer wel denkbaar dat het de bedoeling was van [eiseres] om het boetebeding onderdeel te laten zijn van de vaststellingsovereenkomst, en zij vond dat wellicht ook vanzelfsprekend, maar dat dit ook daadwerkelijk met [gedaagde] is overeengekomen is niet voldoende aannemelijk geworden.

2.16.

Omdat niet voldoende aannemelijk is geworden dat het boetebeding deel uitmaakt van de vaststellingsovereenkomst, kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] door overtreding van artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst de boete heeft verbeurd. De vordering tot betaling van een voorschot van € 10.350,-- op verbeurde boetes wordt daarom afgewezen.

schadevergoeding

2.17.

Voor zover [eiseres] het bedrag van € 10.350,-- of enig ander bedrag vordert ten titel van schadevergoeding, kan deze vordering evenmin worden toegewezen. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de gestelde overtreding door [gedaagde] van het non-concurrentie/relatiebeding schade heeft geleden. Zij heeft weliswaar gesteld dat zij door deze kwestie klanten heeft verloren, waaronder [D] , de broer van [gedaagde] , maar het is niet duidelijk dat dit het gevolg is van onrechtmatige concurrentie door [gedaagde] . Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [A] en [gedaagde] rijst het beeld dat [D] in het conflict tussen [eiseres] en [gedaagde] de kant van zijn broer heeft gekozen en om die reden als klant van [eiseres] is vertrokken. [D] schrijft dat een aantal collega ondernemers zijn gevoelens delen. Voor zover deze ondernemers ook als klant van [eiseres] zijn vertrokken, lijkt het aannemelijk dat dit het gevolg is van het conflict tussen [eiseres] en [gedaagde] en niet van de gestelde concurrentie van [gedaagde] .

staken van concurrerende werkzaamheden

2.18.

Voor toewijzing van de gevorderde voorziening om [gedaagde] te veroordelen zijn concurrerende werkzaamheden te staken, moet het voldoende aannemelijk zijn dat [gedaagde] concurrerende werkzaamheden verricht zoals bedoeld in het non-concurrentiebeding en een ordemaatregel geboden is.

2.19.

Naar het oordeel van de kantonrechter wordt niet aan deze voorwaarden voldaan. In de eerste plaats is onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde] op dit moment concurrerende activiteiten verricht. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat hij met de verkoop van mineraalwater niet concurreert met [eiseres] , omdat zijn activiteiten in zowel aanbod, omvang en markt verschillen. [gedaagde] heeft toegelicht dat [eiseres] alleen als extra service, dus niet als hoofdactiviteit, waterflessen van minimaal 30 liter in combinatie met waterkoelers in geringe afzethoeveelheden aan regionale mkb-bedrijven op de Veluwe verkoopt, terwijl hijzelf alleen mineraalwater van maximaal 1,5 liter per fles in enorme oplages aan horeca en retail door heel Nederland en daarbuiten verkoopt. [eiseres] heeft dit niet gemotiveerd weersproken.

2.20.

Verder is niet komen vast te staan dat [gedaagde] op dit moment op andere wijze het non-concurrentiebeding overtreedt, noch dat [eiseres] als gevolg hiervan schade lijdt. Een eventueel verbod zou bovendien maar een geldingsduur van een paar dagen hebben, aangezien het non-concurrentiebeding slechts geldt tot 1 maart 2020. Deze vordering zal daarom ook worden afgewezen.

kosten

2.21.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 720,-- voor salaris gemachtigde.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,-- aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2020.