Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5770

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
8498875 UC EXPL 20-3557 JH/1050
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De leaseauto is een arbeidsvoorwaarde. Werkgever mocht niet besluiten om de toekenning van de leaseauto in te trekken (7:613 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0064
JAR 2021/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8498875 UC EXPL 20-3557 JH/1050

Vonnis van 23 december 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.J. Hofman (Stichting Achmea Rechtsbijstand),

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.A. Noordhoek (Lead Counsel Corporate van [gedaagde] ).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waar gaat het over?

2.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] mocht besluiten om de toekenning van een leaseauto aan [eiser] in te trekken.

2.2.

[eiser] is op 1 juni 2008 in dienst getreden van [gedaagde] in de functie van Contract Manager. Op 1 april 2011 is hij gaan werken als Senior Contract Manager. Die functie heeft thans de functietitel Senior Legal Counsel.

2.3.

Bij zijn indiensttreding heeft [eiser] de beschikking gekregen over een leaseauto. Op dat moment gold de door [gedaagde] als productie A overgelegde leaseregeling. In die regeling wordt onderscheid gemaakt tussen functioneel representatieve leaseauto’s en (voor functies vanaf een bepaalde salarisschaal) arbeidsvoorwaardelijke leaseauto’s. De leaseregeling noemt de volgende toekenningscriteria voor een functionele leaseauto:

  1. “Als je een zuiver ambulante buitendienstfunctie hebt en de kern van je functie bestaat uit het vervoeren van (zware, grote) materialen en/of gereedschappen.

  2. Als je een zuiver ambulante buitendienstfunctie hebt en de kern van je functie bestaat uit het bezoeken van klanten.

  3. Als je 25.000 of meer zakelijke kilometers per jaar rijdt. (…)”.

Aan [eiser] is een functionele leaseauto toegekend. In de arbeidsovereenkomst en de (opvolgende versies van de) leaseregeling is een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. [eiser] mocht de leaseauto ook privé gebruiken. Ook had hij de beschikking over een tankpas voor binnen- en buitenland. [eiser] heeft (in ieder geval) op 6 mei 2008 en 20 april 2015, voor het verkrijgen van een nieuwe leaseauto, gebruikersovereenkomsten getekend, waarin wordt verwezen naar de leaseregeling.

2.4.

[gedaagde] heeft vanaf 1 november 2018 een nieuw mobiliteitsbeleid. Op grond van dat beleid is het recht op een leaseauto beperkt tot mensen met een ambulante functie en worden arbeidsrechtelijke leaseauto’s niet meer toegekend. [gedaagde] heeft in dat kader opnieuw vastgesteld wat ambulante functies zijn. De ondernemingsraden van [gedaagde] en Ziggo hebben ingestemd met het nieuwe mobiliteitsbeleid.

2.5.

Bij brief van 19 november 2018 heeft [gedaagde] [eiser] meegedeeld dat hij geen ambulante functie heeft en dat de overgangsregeling op hem van toepassing is. In het kader van die regeling krijgt hij de beschikking over een OV Businesscard die ook privé gebruikt mag worden en ontvangt hij een maandelijkse bruto mobiliteitsvergoeding gebaseerd op zijn leasebedrag (€ 800) vanaf de datum einde leasecontract/inlevering van de auto tot uiterlijk 15 oktober 2025.

2.6.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van [gedaagde] . Zijn bezwaar is op 22 juli 2019 op advies van de Algemene Bezwarencommissie door [gedaagde] ongegrond verklaard.

2.7.

Het leasecontract van [eiser] is in mei 2019 geëindigd. Vanaf dat moment ontvangt hij op basis van de overgangsregeling een bruto mobiliteitsvergoeding van € 800 per maand tot uiterlijk 15 oktober 2025.

2.8.

[eiser] is van mening dat hij in aanmerking dient te blijven komen voor een lease-auto. Hij vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat het ter beschikking stellen van een leaseauto aan hem voor rekening van [gedaagde] een primaire, althans secundaire, arbeidsvoorwaarde is. Ook vordert hij een verklaring voor recht dat de eenzijdige wijziging van zijn arbeidsvoorwaarde met betrekking tot de leaseauto niet rechtsgeldig is. Hij vordert daarom eveneens veroordeling van [gedaagde] om primair aan hem een leaseauto ter beschikking te stellen (van dezelfde prijs en categorie als zijn laatste leaseauto) en subsidiair tot betaling van een structurele maandelijkse vergoeding van € 800 bruto tot het einde van de arbeidsovereenkomst.

2.9.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Zij stelt zich primair op het standpunt dat de leaseauto van [eiser] geen arbeidsvoorwaarde was. De auto is hem uitsluitend ter uitoefening van zijn functie ter beschikking gesteld. Aan het recht op een auto waren voorwaarden verbonden en er was geen sprake van permanente toekenning. Bij het bestellen van een nieuwe leaseauto is [eiser] er telkens op gewezen dat het gebruiksrecht kon vervallen als hij niet meer aan de criteria voor toekenning voldeed. Subsidiair stelt [gedaagde] dat, als de leaseauto wél als arbeidsvoorwaarde wordt aangemerkt, zij die arbeidsvoorwaarde eenzijdig mocht wijzigen.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde] mocht besluiten om de toekenning van een leaseauto aan [eiser] in te trekken, is het allereerst van belang om vast te stellen of de terbeschikkingstelling van een leaseauto aan [eiser] te kwalificeren is als een arbeidsvoorwaarde.

Is de leaseauto een arbeidsvoorwaarde? Ja.

3.2.

Bij de beantwoording van de vraag of tussen een werkgever en een werknemer een arbeidsvoorwaarde is ontstaan, komt het aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. Van belang kunnen onder meer zijn de inhoud van de gedragslijn, de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie van partijen, de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, en de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien (HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, FNV/Pontmeyer).

3.3.

Het staat tussen partijen vast dat bij aanvang van het dienstverband aan [eiser] een functionele leaseauto is toegekend. Zijn functie werd door [gedaagde] (tot 2018) als ambulant aangemerkt, in die zin dat de kern van zijn functie bestond uit het bezoeken van klanten. Hij voldeed daarmee formeel aan één van de toekenningscriteria uit de leaseregeling. Volgens [eiser] was er feitelijk echter helemaal geen sprake van een ambulante functie. Hij stelt hiertoe dat hij vanaf zijn indiensttreding gemiddeld maar één keer in de twee maanden een klant heeft bezocht. [gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat [eiser] in het kader van zijn functie aanvankelijk veelvuldig met bidmanagers meeging naar klanten om juridische vragen van klanten direct te kunnen beantwoorden, maar dat die klantbezoeken steeds minder werden vanwege de toegenomen complexiteit van de vraagstukken. Het ambulante karakter van zijn functie is daardoor volgens [gedaagde] uiteindelijk komen te vervallen. Een concrete onderbouwing van haar stelling heeft [gedaagde] echter niet gegeven Zo heeft zij geen gegevens verschaft over de vraag hoe vaak (ongeveer) en in welke periode [eiser] meeging naar klanten. Anders dan [gedaagde] betoogt, rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat [eiser] gedurende enige tijd regelmatig meeging naar klanten ook niet zonder meer de conclusie dat hij ook feitelijk voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van een leaseauto. Nu [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de leaseauto aan [eiser] is toegekend vanwege zijn ambulante functie, had het op haar weg gelegen om (met stukken) te onderbouwen dat de kern van de functie van [eiser] destijds ook daadwerkelijk bestond uit het bezoeken van klanten. Zij heeft dit nagelaten. De kantonrechter neemt daarom als vaststaand aan dat aan [eiser] bij aanvang van het dienstverband en ook daarna een leaseauto ter beschikking is gesteld terwijl hij feitelijk nooit heeft voldaan aan de daarvoor in de leaseregeling gestelde eisen.

3.4.

Voor [eiser] is de verstrekking van de leaseauto vanaf 2008 een wezenlijk onderdeel geworden van de voordelen die uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeien. Hierbij is van belang dat [eiser] de leaseauto privé mocht gebruiken en dat hij de beschikking had over een tankpas van [gedaagde] , waarmee hij ook de kosten van brandstof voor het privégebruik van de leaseauto mocht betalen. Hoewel [eiser] feitelijk niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van een leaseauto, heeft [gedaagde] de terbeschikkingstelling nog twee keer verlengd waardoor [eiser] in totaal 10 jaar het voordeel van een leaseauto heeft genoten. [gedaagde] stelt weliswaar dat aan de goedkeuring van de aanvraag voor een nieuwe leaseauto een onderzoek binnen de afdeling HR voorafging, maar erkent tegelijkertijd dat dit proces voor [eiser] minder kenbaar zal zijn geweest. Dit alles maakt dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij gedurende de resterende tijd van de arbeidsovereenkomst recht zou hebben op een leaseauto. Voor zover er onder deze omstandigheden niet al van aanvang af sprake is geweest van een arbeids voorwaarde, is de terbeschikkingstelling van de leaseauto dat na enige (korte) tijd in ieder geval wel geworden. Of dit een primaire of secundaire arbeidsvoorwaarde betreft is voor de beoordeling van deze zaak niet van belang.

Mocht [gedaagde] die arbeidsvoorwaarde wijzigen? Nee.

3.5.

De volgende vraag is of die arbeidsvoorwaarde mocht worden gewijzigd door [gedaagde] . In de arbeidsovereenkomst en in de leaseregeling is een beding tot eenzijdige wijziging opgenomen. Op grond van artikel 7:613 BW moet worden beoordeeld of het belang van de werkgever bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde, ten opzichte van het belang van de werknemer bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemer op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever. Het gaat bij de toepassing van artikel 7:613 BW dus om een belangenafweging, waarbij geldt dat een arbeidsvoorwaarde alleen ten nadele van de werknemer kan worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen. De bewijslast dat sprake is van een zwaarwichtig belang dat prevaleert boven het belang van de werknemer, rust op de werkgever.

3.6.

[gedaagde] heeft erop gewezen dat zij groot belang heeft bij een uniform en evenwichtig beleid ten aanzien van het ter beschikking stellen van leaseauto’s. Zij stelt dat geen van de juristen bij [gedaagde] beschikt over een leaseauto. Met het mobiliteitsbeleid streeft zij bovendien minder en duurzamer reisbewegingen na. [gedaagde] wijst er verder op dat de mobiliteitsregeling tot stand is gekomen met instemming van de Ondernemingsraad en daarom geacht wordt in overeenstemming te zijn met de eisen van goed werkgeverschap.

3.7.

[eiser] heeft daar tegenovergesteld dat de terbeschikkingstelling van de leaseauto voor hem niet alleen gebruiksgemak oplevert, maar ook een grote loonwaarde vertegenwoordigt. Zijn financiële belang ziet op de aanschaf en het onderhoud van de auto en brandstofkosten. De kantonrechter acht aannemelijk dat als hij die kosten zelf moet betalen, dit voor hem een substantiële inkomensachteruitgang betekent.

3.8.

De kantonrechter is van oordeel dat de hiervoor door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden niet zodanig zwaarwichtig zijn, dat het belang van de [eiser] op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van [gedaagde] . De kantonrechter zal uitleggen waarom niet.

[gedaagde] heeft haar belang bij het voeren van een uniform en evenwichtig beleid ten aanzien van het ter beschikking stellen van leaseauto’s niet onderbouwd. [gedaagde] stelt weliswaar dat behalve [eiser] geen van de juristen van [gedaagde] beschikt over een lease-auto, maar dit gegeven alleen zegt niets over de gelijkheid van de beloning van de juristen binnen [gedaagde] . Hiervoor dient immers ook de hoogte van het loon van de juristen en de overige arbeidsvoorwaarden te worden vergeleken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan het aangevoerde belang om te komen tot een uniform en evenwichtig beleid daarom niet kwalificeren als een zwaarwichtig belang. Het bestaan van een zwaarwichtig belang volgt ook niet reeds uit de instemming van de OR met de wijziging van het mobiliteitsbeleid. Dat er een bedrijfseconomische of organisatorische noodzaak bestond voor wijziging van het mobiliteitsbeleid is niet gesteld of gebleken.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat zij streeft naar minder en duurzamer reisbewegingen. In het nieuwe mobiliteitsbeleid van [gedaagde] is meer concreet aangegeven dat zij een positieve bijdrage wil leveren aan het milieu en aan de vermindering van verkeersdruk, dat openbaar vervoer haar focus is en dat zij een vermindering van het aantal reisbewegingen nastreeft. Dit streven is weliswaar sympathiek, maar is afgezet tegen het belang van [eiser] bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, niet zodanig zwaarwichtig, dat het belang van [eiser] op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van [gedaagde] .

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] niet mocht besluiten om de toekenning van een leaseauto aan [eiser] in te trekken. De vordering van [eiser] tot veroordeling van [gedaagde] om aan hem een leaseauto ter beschikking te stellen (van dezelfde prijs en categorie als zijn laatste leaseauto) zal daarom worden toegewezen. Dit geldt eveneens voor de door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht.

Proceskosten

3.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,47

- griffierecht € 83,00

- salaris gemachtigde € 600,00 (2,5 punten x tarief € 240,00)

Totaal € 789,47

De nakosten zijn toewijsbaar als na te melden.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verklaart voor recht dat het ter beschikking stellen van een leaseauto aan [eiser] voor rekening van [gedaagde] een arbeidsvoorwaarde is en dat [gedaagde] deze arbeidsvoorwaarde niet eenzijdig mocht wijzigen;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis een leaseauto ter beschikking te stellen van om en nabij dezelfde prijs en dezelfde categorie die [eiser] op basis van de laatste overeenkomst heeft gereden;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 789,47;

4.4.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.