Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5766

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
16/041608-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 19 februari 2019 als bestuurder van een bestelbus een ernstig ongeluk veroorzaakt. Omdat verdachte een file wilde ontwijken is hij op het fietspad gaan rijden. Op het fietspad wilde verdachte vervolgens een fietser inhalen, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte was, omdat de fietser op het midden van het fietspad fietste. Dit heeft geresulteerd in een aanrijding met de fietser, waarbij verdachte met de wielen van zijn (met witgoed) geladen bestelbus over de benen van de fietser is gereden. Het slachtoffer heeft door het ongeluk zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk meerdere (bot)breuken in beide benen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval, waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf van 120 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/041608-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1985] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E. Wiersma en van hetgeen verdachte en mr. W. Vahl, advocaat te Barneveld, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 19 februari 2019 te Vianen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Subsidiair is bovenstaande gedraging ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarvoor op de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. Verdachte is om een file te omzeilen over het fietspad gereden. Op het fietspad wilde hij een fietser inhalen, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte was. Verdachte heeft de fietser van achteren aangereden, waardoor deze ten val kwam en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit rijgedrag kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integraal vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er voldoende ruimte was op het fietspad om de fietser in te halen. De fietser fietste in strijd met de verkeersregels aan de linkerkant van het fietspad. Als de fietser rechts had gefietst, dan had er nooit een aanrijding plaatsgevonden. Bovendien is één enkele verkeersovertreding onvoldoende voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Samenvatting

Op 19 februari 2020 heeft er op de Hagenweg in Vianen een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte reed in zijn bestelbus over het fietspad om een file te ontwijken. Hij zag dat er op het fietspad een fietser voor hem reed. Deze fietser fietste midden op het fietspad. Verdachte wilde de fietser inhalen en heeft daarbij de fietser aangereden die hierdoor ten val is gekomen. Verdachte is met de wielen van de bestelbus over de benen van de fietser gereden ten gevolge waarvan de fietser zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het rijgedrag van verdachte roekeloos, dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest, waardoor verdachte schuld heeft aan het ongeluk, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

De conclusie van de rechtbank is dat kan worden bewezen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt het op het fietspad rijden, waar verdachte met zijn bestelbus niet was toegestaan en het vervolgens inhalen van een fietser, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte was, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

De rechtbank baseert haar oordeel op bewijsmiddelen, die hieronder zijn uitgewerkt.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van oordeel, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte roekeloos heeft gereden. De rechtbank overweegt dat het dossier daartoe geen aanknopingspunten biedt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

Bewijsmiddelen 1

Een proces-verbaal aanrijding misdrijf:

Datum: 19 februari 2019
Locatie: Vianen, Hagenweg (fietspad), gemeente Vijfheerenlanden,
Soort weg: een weg bestemd voor openbaar verkeer, binnen de bebouwde kom
Omstandigheden: daglicht en droog.

Door wegwerkzaamheden, het snoeien van bomen op de Hagenweg was het zeer

druk op de kruising Stuartweg met de Hagenweg. De bestuurder van de bus is uit de file gereden en besloot het fietspad wat aan de rechterzijde parallel langs de Hagenweg loopt op te rijden en op deze wijze de file te ontwijken. Op dit fietspad heeft de bestuurder van de bus een op het fietspad fietsende bestuurder aangereden. De bestuurder van de fiets hield daarbij niet volledig rechts. De fietser is met zwaar lichamelijk letsel overgebracht naar het ziekenhuis.2

Verdachte: [verdachte] .3

Een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse:

Betrokken voertuigen:

Voertuig 1: bedrijfsauto Opel Movano

Voertuig 2: fiets Gazelle4

Aan de hand van de schade en de in dit proces-verbaal omschreven aangetroffen sporen, werden de voertuigen op de plaats van het ongeval tegen elkaar geplaatst, teneinde bij benadering vast te stellen onder welke hoek zij elkaar hadden geraakt.

Uit de schadepassing kwam naar voren dat de aanrijding heeft plaatsgevonden, terwijl voertuig 2 zich links van het midden van de rijbaan bevond. Voertuig 2 werd aan de achterzijde aangereden door de rechtervoorzijde van voertuig 1. Op het moment van de aanrijding reed voertuig 1 met de linker wielen door de berm, op een afstand van ongeveer 70 centimeter verwijderd van de linker kantlijn.5

De bestuurder van voertuig 1 gaf geen gevolg aan een verkeersteken dat een gebod of een verbod inhield. De bestuurder bereed met zijn motorvoertuig het als zodanig aangeduide fiets/bromfietspad. De bestuurder van voertuig 1 heeft door het vermijden van de wegwerkzaamheden met zijn voertuig het als zodanig aangeduide fiets/bromfietspad gevolgd en daar een op het fiets/bromfietspad rijdende fietser van achteren aangereden. De bestuurder van voertuig 2 heeft ernstig beenletsel opgelopen door het ongeval.6

Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] (als verdachte):

Ik fietste op het fietspad. Ik reed op mijn fiets en dat is een elektrische fiets.

Toen hoorde ik opeens een geluid. Ik hoorde een heel hoog toerental. Ik keek toen om. Ik reed op dat moment denk ik, een beetje midden op het fietspad. Er reden geen

andere fietsen, dus de ruimte was er. Het fietspad was gewoon leeg. Ik keek over mijn linker schouder om en ik zag een vrachtwagen op het fietspad achter mij rijden. Ik zag dat er twee personen in zaten. Toen

keek ik weer voor me en toen ging het in een flits. Ik voelde opeens een motorkap in

mijn rug. De vrachtwagen klapte gewoon keihard tegen mij aan. Je hebt geen tijd om te denken. Ik voelde toen dat ik werd aangereden en ik zag en voelde dat de vrachtwagen over mijn benen heen reed.7 Ik heb breuken mijn beide benen. Mijn linker been is het bovenbeen gebroken en onder andere heb ik zenuw schade van mijn bovenbeen tot aan mijn voet. Mijn rechterbeen is mijn kuitbeen gebroken en in mijn knieschijf zit een breuk. Mijn kniebanden zijn daar ook ernstig beschadigd. Beide benen zijn bont en blauw allebei.8

De verklaring van verdachte:

Het verkeer stond helemaal vast. Ik zag andere auto’s via het fietspad gaan en besloot dat ook te doen. Het fietspad was leeg. Ik zie op een gegeven moment een jongen voor mij fietsen. Hij fietste in dezelfde richting. Ik besluit hem in te gaan halen. Ik reed met mijn wielen in de berm, zodat ik er veilig langs kon. Hij kwam ten val en toen ben ik met mijn achterwiel over hem heen gereden.9

Bewijsoverweging

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet aan de zijde van de verdachte, dient de rechtbank (volgens vaste jurisprudentie) het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen en de overige omstandigheden van het geval te beoordelen. Er kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd of één verkeersovertreding wel of niet voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Voor de vaststelling van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval, gaat de rechtbank uit van de inhoud van de verkeersongevalsanalyse. Anders dan de verdachte heeft verklaard stelt de rechtbank op grond van deze analyse vast dat verdachte met de voorzijde van de bestelbus de fietser aan de achterzijde heeft aangereden.

Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verdachte als bestuurder van een motorrijtuig op het fietspad reed. De rechtbank is het in zoverre met de verdediging eens dat het enkele op het fietspad rijden in dit specifieke geval onvoldoende is voor een bewezenverklaring.

De rechtbank stelt op grond van de verkeersanalyse verder vast dat de fietser links van het midden van het fietspad fietste, waardoor op het fietspad voor verdachte onvoldoende ruimte overbleef om de fietser met zijn bestelbus te passeren. Het fietspad is immers 3.5 meter breed. Omdat verdachte de fietser toch wilde inhalen is hij met de linkerwielen van zijn bestelbus in de berm gaan rijden. Er was toen nog steeds te weinig ruimte om de fietser in te halen, want verdachte heeft de fietser vervolgens van achteren aangereden.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verdachte ten tijde van zijn inhaalmanoeuvre de verkeerssituatie en de omstandigheden verkeerd heeft ingeschat en een onverantwoord risico heeft genomen door de fietser in te halen terwijl daarvoor onvoldoende ruimte was.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval, waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Medeschuld slachtoffer?

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende ruimte was op het fietspad en dat verdachte de fietser gemakkelijk in had kunnen halen, als de fietser voldoende rechts had gehouden. De rechtbank merkt hierover op dat eventuele medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, de schuld aan de zijde van verdachte niet opheft. Ondanks de door het slachtoffer gemaakte verkeersovertreding om (al dan niet expres) onvoldoende rechts te houden, blijft het rijgedrag van verdachte en in het bijzonder de inhaalmanoeuvre, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Daarbij weegt de rechtbank in dit geval ook mee dat verdachte op het fietspad reed. Een plek waar hij überhaupt niet hoorde te rijden en hij aldus extra rekening moest houden met de op het fietspad fietsende fietsers.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 19 februari 2019 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Opel Movano), daarmede rijdende over de weg, Hagenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen,

hierin bestaande dat verdachte

- met het door hem bestuurde motorrijtuig (Opel Movano) op het als zodanig aangeduide fiets/bromfietspad is gaan rijden en

- ( vervolgens) terwijl daarvoor te weinig ruimte was, een aldaar rijdende fietser ( [slachtoffer] ) is gaan inhalen en

- ( vervolgens) is gebotst tegen, die aldaar rijdende fietser ( [slachtoffer] ) ten gevolge waarvan het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (Opel Movano) over de fiets en [slachtoffer] is gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen en een gebroken kuitbeen en een gebroken knieschijf, werd toegebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 1 dag;

- een taakstraf van 120 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 30 uren (subsidiair 15 dagen hechtenis) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, zonder daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. De reclassering heeft de noodzaak van een gedragstraining onvoldoende onderbouwd. Verdachte ziet het nut er niet van in. Het is daarom zonde om dit aan hem op te leggen. Het taakstrafverbod is niet van toepassing, zodat het niet nodig is om een gevangenisstraf van 1 dag aan verdachte op te leggen, zoals door de officier van justitie geëist.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

Verdachte heeft op 19 februari 2019 een ernstig ongeluk veroorzaakt. Op die dag reed verdachte samen met een collega in een bestelbus, waarin hij witgoed vervoerde. Omdat verdachte haast had en een file wilde ontwijken is hij op het fietspad gaan rijden. Op het fietspad wilde verdachte vervolgens een fietser inhalen, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte was, omdat de fietser op het midden van het fietspad fietste. Dit heeft geresulteerd in een aanrijding met de fietser, waarbij verdachte met de wielen van zijn (met witgoed) geladen bestelbus over de benen van de fietser is gereden. Het slachtoffer heeft door het ongeluk zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk meerdere (bot)breuken in beide benen. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtoffer verklaring volgt dat het slachtoffer opnieuw heeft moeten leren lopen en nog dagelijks wordt geconfronteerd met de gevolgen van het ongeluk. Het slachtoffer heeft nog altijd (zenuw)pijn in zijn benen. Ook moet hij nog een keer geopereerd worden.

Het moge duidelijk zijn dat het nooit de bedoeling is geweest van verdachte om het slachtoffer aan te rijden en hem letsel toe te brengen. Desalniettemin heeft verdachte als bestuurder van een motorvoertuig wel een aantal verkeerde beslissingen genomen, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 22 september 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 30 juli 2019 én op 8 juni 2020 is veroordeeld voor rijden met een ingevorderd rijbewijs. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk (artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte, terwijl zijn rijbewijs naar aanleiding van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit was ingevorderd, er toch voor heeft gekozen om een motorrijtuig te besturen. Door zo te handelen geeft verdachte er blijk van de ernst van zijn handelen kennelijk niet in te zien.

Aan de andere kant is verdachte door het ongeval ontslagen en heeft hij bewust zijn vrachtwagenrijbewijs laten verlopen omdat hij niet meer als beroepschauffeur wil werken. Ook heeft de rechtbank ter zitting gezien dat verdachte is geraakt door de gevolgen die het ongeval heeft gehad voor het slachtoffer. Hij heeft na het ongeval ook contact gezocht met het slachtoffer.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 12 maart 2020,

uitgebracht door J.A.H. van der Burg, reclasseringswerker. Hieruit volgt kort

samengevat dat er geen problemen zijn op de beschreven leefgebieden. Wel constateert de reclassering dat er aanwijzingen zijn voor impulsief handelen en/of het onvoldoende problematiseren. Verdachte lijkt zich onvoldoende te realiseren welke risico's hij nam toen hij het fietspad op reed met zijn (vracht)wagen. Zijn lezing aangaande het tweemaal overtreden van de Wegenverkeerswet nadien, baart de reclassering eens temeer zorgen, omdat verdachte heeft aangegeven daar het probleem niet van in te zien. Dat hij daarnaast aangaf dat hij gedurende een aantal jaren, met regelmaat, harddrugs gebruikte tijdens het rijden in zijn vrachtwagen, onderschrijven deze zorgen. Vanwege het bovenstaande, adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden.

De straf

In de oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt als uitgangspunt bij overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerwet 1994, indien sprake is van aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel, een taakstraf van 120 uur en een rijontzegging van 6 maanden.

De rechtbank ziet in de persoon van verdachte en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om in het voordeel of het nadeel van voornoemd oriëntatiepunt af te wijken. Wel zal de rechtbank een deel van de taakstraf voorwaardelijk opleggen. Met de reclassering is de rechtbank namelijk van oordeel dat verdachte impulsief heeft gehandeld en verkeerde beslissingen heeft genomen. Een gedragstraining die zich toespitst op cognitieve vaardigheden kan verdachte helpen om in de toekomst meer bekwaam en weloverwogen beslissingen te nemen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat een voorwaardelijk strafdeel voor verdachte een stok achter de deur is om niet meer in aanraking te komen met politie en justitie.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met aftrek, passend en geboden.

De rechtbank zal aan verdachte geen gevangenisstraf (van 1 dag) opleggen, zoals door de officier van justitie geëist, omdat het taakstrafverbod niet van toepassing is. Het feit waarvoor verdachte een taakstraf heeft gekregen én uitgevoerd is namelijk gepleegd na het in onderhavig vonnis bewezenverklaarde feit.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging deels voorwaardelijke taakstraf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;

- bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 30 uren (te vervangen door 15 dagen hechtenis), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen twee weken na het onherroepelijk worden van het

vonnis meldt bij Reclassering Nederland op het adres: Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* zal deelnemen aan een gedragsinterventie COVA of COVA plus of een andere

gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die de trainer/begeleider hem in het kader van de training geeft;

Ontzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen

  • -

    ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;

  • -

    bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. H.A. Brouwer en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 19 februari 2019 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Opel Vivaro),

daarmede rijdende over de weg, Hagenweg zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in

elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen,

hierin bestaande dat verdachte

- met het door hem bestuurde motorrijtuig (Opel Vivaro) op het als zodanig

aangeduide fiets/bromfietspad is gaan rijden en/of

- ( vervolgens) al dan niet terwijl daarvoor te weinig ruimte was, een aldaar

rijdende fietser ( [slachtoffer] ) heeft ingehaald, althans is gaan inhalen en/of

- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die aldaar

rijdende fietser ( [slachtoffer] ) en/of

- ten gevolge waarvan het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (Opel

Vivaro) over de fiets en/of [slachtoffer] is gereden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een

gebroken bovenbeen en/of een gebroken kuitbeen en/of een gebroken enkel en/of

een gebroken knieschijf en/of (een) afgescheurde knieband(en), of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in

de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 19 februari 2019 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden als

bestuurder van een voertuig (Opel Vivaro), daarmee rijdende op de weg,

Hagenweg,

- met het door hem bestuurde motorrijtuig (Opel Vivaro) op het als zodanig

aangeduide fiets/bromfietspad is gaan rijden en/of

- ( vervolgens) al dan niet terwijl daarvoor te weinig ruimte was, een aldaar

rijdende fietser ( [slachtoffer] ) heeft ingehaald, althans is gaan inhalen en/of

- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die aldaar

rijdende fietser ( [slachtoffer] ) en/of

- ten gevolge waarvan het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (Opel

Vivaro) over de fiets en/of [slachtoffer] is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0900-2019050803 van 18 juni 2019, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 61 met als bijlage een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, doorgenummerd 1 tot en met 30. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aanrijding misdrijf, pagina 7.

3 Een proces-verbaal van aanrijding misdrijf, pagina 8.

4 Een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 4.

5 Een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 26.

6 Een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 28.

7 Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer (als verdachte), pagina 34.

8 Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer (als verdachte), pagina 35.

9 De verklaring van verdachte ter terechtzitting.