Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5716

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
8573655 / MC EXPL 20-3898
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Treintje rijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 11 november 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 8573655 / MC EXPL 20-3898 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eiseres, hierna ook te noemen: Q-Park,
gemachtigde mr. C.F.P.M. Spreksel,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Q-Park exploiteert - onder meer - parkeergarage [.] te [plaatsnaam] .

2.2.

In februari 2020 was de Alfa Romeo voorzien van kenteken [kenteken] op naam gesteld van [gedaagde] .

2.3.

In de door Q-Park gehanteerde algemene voorwaarden staat onder meer opgenomen:

“(…)

5.9

De parkeerder en zijn voertuig dienen de parkeerfaciliteit uitsluitend te verlaten met gebruikmaking van een geldig, door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel. Het zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeerfaciliteit is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- en zulks onverminderd de rechten van Q-Park tot het vorderen van overige daadwerkelijk geleden (gevolg-)schade. Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Q-Park om de parkeerder de werkelijke parkeerkosten in rekening te brengen mochten die hoger zijn dan het tarief “verloren kaart”.

6. Parkeergeld en betaling

6.1

Voor het gebruik van de parkeerfaciliteit is de parkeerder parkeergeld verschuldigd. (…)

6.4

Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden” waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan.

De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- en zulks onverminderd de rechten van Q-Park tot het vorderen van overige daadwerkelijk geleden (gevolg-)schade. Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Q-Park om de parkeerder de werkelijke parkeerkosten in rekening te brengen mochten die hoger zijn dan het tarief “verloren kaart”. (…)

6.6

In geval van verlies of het ontbreken van het parkeerbewijs, is de parkeerder het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief). Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de parkeerfaciliteit te voldoen. Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Q-Park om de parkeerder de werkelijke parkeerkosten in rekening te brengen mochten die hoger zijn dan het tarief “verloren kaart”. Indien de parkeerder achteraf door middel van de klachtenprocedure van artikel 10 lid 5 aan kan tonen wat de daadwerkelijke parkeertijd was, zal restitutie op basis daarvan plaatsvinden. De bewijslast met betrekking tot de exacte parkeertijd berust bij de parkeerder.”

2.4.

Het dagtarief voor parkeergarage [.] is € 20,00.

2.5.

Voor de slagboom is een bord geplaatst waarop te lezen is:

“ WELKOM

Q-PARK [.]

OPENINGSTIJDEN

24 UUR PER DAG – 7 DAGEN PER WEEK

TARIEVEN

60 minuten of een gedeelte hiervan € 2,00

Maximaal dagtarief € 20,00

(…)

ALGEMENE VOORWAARDEN

(…)”

3 Het geschil

3.1.

Q-Park heeft gevorderd de veroordeling van [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, om aan haar te betalen € 620,00 (€ 20,00 tarief verloren kaart en € 600,00 schadevergoeding), vermeerderd met € 96,00 aan buitengerechtelijke kosten (door Q-Park berekend op in totaal € 736,00) en met de wettelijke rente over € 736,00 vanaf de datum van pleging, althans verzuim tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan haar vordering heeft Q-Park ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de parkeerovereenkomst door twee keer zonder te betalen de parkeeraccommodatie te verlaten. [gedaagde] heeft zich schuldig gemaakt aan het zogenaamde treintje rijden, d.w.z. door vlak achter zijn voorganger onder de slagboom die is geopend voor zijn voorganger, door te rijden. [gedaagde] houdt aldus plekken bezet volgens het “PRIS”-systeem en Q-Park loopt inkomsten mis. Op grond van de op de overeenkomst van kracht zijnde algemene voorwaarden is [gedaagde] per keer het tarief voor een verloren kaart van € 20,00 verschuldigd alsmede een bedrag van € 300,00 ter zake aanvullende schadevergoeding.

3.3.

Volgens Q-Park wordt [gedaagde] als kentekenhouder vermoed de bestuurder te zijn geweest. Het treintje rijden heeft met de auto op naam van [gedaagde] plaatsgevonden. Door het binnenrijden gaat de parkeerder akkoord met de algemene voorwaarden. Voor het binnenrijden wordt de bestuurder door een informatiebord op de algemene voorwaarden gewezen. Tussen Q-Park en [gedaagde] is een parkeerovereenkomst tot stand gekomen en [gedaagde] is akkoord gegaan met de algemene voorwaarden. [gedaagde] was op de hoogte van de aanvullende schadevergoeding en de gevolgen van het treintje rijden. De aanvullende schadevergoeding is opgebouwd uit kosten voortvloeiende uit investeringen in dure camerasystemen technische en administratieve aanpassingen om [gedaagde] te kunnen traceren en vervolgen en medewerkers die nodig zijn om aan de hand van meldingen de beelden op te zoeken. Het “treintje rijden” is maatschappelijk ontoelaatbaar gedrag en levert onveilige situaties op. Verder veroorzaakt het kopieergedrag. Volgens Q-Park heeft [gedaagde] het verschuldigde parkeergeld niet voldaan. Voor het geval vast komt te staan dat het parkeergeld wel is voldaan, heeft Q-Park haar vordering verminderd met het tarief voor een verloren kaart.

3.4.

[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] reed niet zij, maar haar dochter in de auto. [gedaagde] heeft verder erkend dat de parkeergarage is verlaten zonder te betalen. Er kon volgens [gedaagde] niet met contant geld betaald worden en [gedaagde] , althans haar dochter, moest weg. Het maximale dagtarief is inmiddels voldaan, aldus [gedaagde] . [gedaagde] verkeerd persoonlijk in een nare situatie.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft niet betwist dat de bestuurder van de Alfa Romeo met kenteken

[kenteken] op 4 februari 2020 om 18.15 uur en op 6 februari 2020 om 19.09 uur parkeergarage [.] heeft verlaten door direct achter zijn voorganger aan te rijden. Dat is in dit geding dan ook vast komen te staan.

4.2.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat niet zij de auto bestuurde, maar haar dochter, [A] . Er is naar het oordeel van de kantonrechter geen wettelijke basis om de kentekenhouder zonder meer als contractspartij van Q-Park aan te merken. Uit een registratie als kentekenhouder kan echter wel het vermoeden worden afgeleid dat de eigenaar ook de bestuurder van de auto is geweest. Het ligt op de weg van [gedaagde] om dat vermoeden te weerleggen en haar standpunt in dat kader te motiveren en te onderbouwen. [gedaagde] heeft enkel aangegeven dat haar dochter [A] de auto heeft bestuurd. [gedaagde] heeft een schriftelijke verklaring van [A] in het geding gebracht, maar naar aanleiding van verzoeken daartoe van Q-Park heeft zij nagelaten de juiste gegevens van de bestuurder te verstrekken, noch heeft [A] die zelf aan

Q-Park verstrekt. Uit hetgeen Q-Park bij repliek heeft gesteld maakt de kantonrechter op dat [gedaagde] wel een adres heeft doorgegeven, maar dat de deurwaarder aan Q-Park heeft aangegeven dat de dochter van [gedaagde] niet op dat adres woonachtig blijkt te zijn. De aangeleverde adresgegevens zijn niet juist. [gedaagde] heeft die stelling van Q-Park bij dupliek onweersproken gelaten. [gedaagde] heeft daarmee niet voldaan aan de op haar rustende verplichting alle relevante feiten naar voren te brengen. De kantonrechter mag daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt (zie artikel 21 Rv). Gelet op de aard van de zaak, maakt de kantonrechter hieruit de gevolgtrekking dat hij [gedaagde] verder zal beschouwen als de bestuurder van onderhavige auto die op de hiervoor aangegeven data gebruik heeft gemaakt van de parkeergarage en daarmee een parkeerovereenkomst met

Q-Park is aangegaan. Daarbij heeft de kantonrechter meegewogen dat [gedaagde] niet met stukken heeft onderbouwd dat zij op het bewuste moment niet op de bewuste locatie was.

4.3.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat er geen mogelijkheid was tot cash betaling en zij weg moest. De vraag die voorligt is of het “treintje rijden” aan het handelen dan wel nalaten van Q-Park te wijten is, omdat het parkeergeld alleen met, naar de kanontrechter begrijpt, een pinpas betaald kon worden. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is, zodat ook dit verweer van [gedaagde] faalt. Daarbij geldt dat [gedaagde] nadat zij eenmaal de parkeergarage heeft verlaten zonder dat er – volgens haar – cash betaald kon worden, dit geen belemmering is geweest om nogmaals de parkeergarage te gebruiken.

4.4.

Door de parkeergarage te verlaten zonder te betalen is [gedaagde] haar verplichting die volgt uit de door haar met Q-Park gesloten overeenkomst niet nagekomen. Daarmee is [gedaagde] tekort geschoten in haar nakomingsverplichtingen.

4.5.

Gelet op al hetgeen door Q-Park is gesteld over de aard en de achtergrond van het

boetebeding en in aanmerking genomen dat [gedaagde] door ‘treintje te rijden’ doelbewust schade heeft berokkend met alle gevaarzettingen van dien, is de kantonrechter van oordeel dat de in het geding zijnde boete in een redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door de gedragingen waarop de boete is gesteld. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat, gezien de toelichting van Q-Park en in aanmerking genomen dat [gedaagde] zich heeft schuldig gemaakt aan ‘treintje rijden’, de boete als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding staat tot het belang voor Q-Park dat met nakoming van de verplichting is gediend, te weten het voorkomen van verkeersonveilige gedragingen door het financieel onaantrekkelijk maken van ‘treintje rijden’.

4.6.

In navolging van de kantonrechter van deze rechtbank in zijn uitspraak van

4 mei 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:2625) wordt ook in het onderhavige geval

geconcludeerd dat het boetebeding in de algemene voorwaarden van Q-Park niet is aan te

merken als een oneerlijk beding.

4.7.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het maximale dagtarief inmiddels is betaald.

Q-Park heeft dit bij repliek niet betwist. Daarnaast moet uit een mail van 17 juni 2020 van de gemachtigde van Q-Park aan [gedaagde] worden opgemaakt dat dit bedrag inderdaad is ontvangen. Het gevorderde dagtarief komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

4.8.

Gelet op het vorenstaande komt de door Q-Park gevorderde boete van 2 x € 300,00 wel voor toewijzing in aanmerking. De gevorderde wettelijke rente komt eveneens voor toewijzing in aanmerking, zij het als na te melden.

4.9.

Q-Park maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.10.

Aan de overige omstandigheden die [gedaagde] nog heeft aangevoerd gaat de kantonrechter voorbij nu deze niet kunnen leiden tot een ander oordeel van de kantonrechter.

4.11.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan Q-Park te betalen een bedrag van € 696,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf de respectievelijke data van pleging tot de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van

Q-Park begroot op:

 € 240,00 voor salaris gemachtigde

 € 85,09 voor explootkosten

 € 499,00 voor griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2020.