Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5651

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
16-231157-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 60-jarige man uit Leusden is door de rechtbank veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden voor het tweemaal seksueel binnendringen in het lichaam van aangever (eenmaal pijpen van verdachte door aangever en het eenmaal met een vinger binnendringen in de anus van aangever). De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte in de gegeven omstandigheden een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op aangever, die minderjarig was, en bij hem heeft ingespeeld op zijn interesse voor treinen. Verdachte wist in welke kwetsbare situatie aangever zat en hij wist ook hoe belangrijk die treinritjes voor aangever waren. De rechtbank is, anders dan de raadsman, dan ook van mening dat verdachte opzet heeft gehad op die dwang uit feitelijkheden. Deze feiten hebben in de periode 2002-2005 plaatsgevonden in een (rijdende) trein, waarbij verdachte de machinist van de trein was. De ontucht met het aanvankelijk minderjarige slachtoffer was verjaard en om die reden niet ten laste gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-231157-19

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1960] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 december 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. G.P.N. Robben en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. O.E. de Jong, advocaat te ‘s-Gravenhage, en de raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. M. Kubatsch, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

in de periode van 4 november 2000 t/m 31 december 2008 tussen het traject [traject] in een (rijdende) trein, althans in Nederland/ [woonplaats] , door geweld of andere feitelijkheden of bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer] meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;

Subsidiair:

in de periode van 4 november 2000 t/m 3 november 2002 tussen het traject [traject] in een (rijdende) trein, althans in Nederland/ [woonplaats] met [slachtoffer] , geboren op [1986] , die de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, meermalen seksuele handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] .


3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat gedurende de ten laste gelegde periode regelmatig seksuele handelingen tussen aangever en verdachte hebben plaatsgevonden, waarbij tweemaal sprake is geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangever. Aangever heeft immers verklaard dat hij verdachte eenmaal heeft gepijpt en dat verdachte eenmaal met zijn vinger in zijn anus is binnen gegaan. Hoewel het dossier naast de aangifte geen ander bewijsmiddel bevat waaruit het seksueel binnendringen blijkt, is dit volgens de officier van justitie geen aanleiding verdachte vrij te spreken. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat jarenlang seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangever, waarvoor genoeg ondersteunend bewijs is, waaronder de stukken van [werkgever] en de verklaring van verdachte zelf. Het ondersteunend bewijs hoeft niet te zien op die twee specifieke momenten. Aangever heeft bovendien consistent en gedetailleerd verklaard en zijn verklaringen moeten betrouwbaar worden geacht. Uit deze verklaringen - waaronder ook de schriftelijke slachtofferverklaring - blijkt dat aangever niet haatdragend is naar verdachte. Hij blijkt ook niet berekenend of bepaalde aspecten van hun seksuele relatie te hebben verzonnen. Integendeel, aangever heeft eerlijk verklaard dat hij boven de 16 jaar was toen het seksueel binnendringen plaatsvond, hetgeen (nadelige) consequenties heeft voor het subsidiair ten laste gelegde feit.

De officier van justitie stelt dat de vereiste ‘dwang’ bestond uit de afhankelijkheidsrelatie tussen aangever en verdachte. Aangever was 14 jaar toen hij verdachte bij toeval ontmoette en verdachte hem uitnodigde om in zijn cabine in de trein te kijken. Aangever had net als verdachte een grote passie voor treinen en verdachte had, als machinist van een trein, aangever veel te bieden. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie door een seksuele relatie aan te gaan met een destijds minderjarige die van hem afhankelijk werd in een periode waarin zijn ouders net gescheiden waren en aangever min of meer aan zijn lot werd overgelaten. Aangever raakte zeer gesteld op verdachte die voor hem een vaderfiguur was en hij heeft zich laten leiden door verdachte zijn seksuele behoeftes. In het licht van deze feiten en omstandigheden acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde feit bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat er sprake is geweest van handelingen die (mede) bestaan hebben uit seksueel binnendringen, meer specifiek in de zin van het pijpen door aangever en/of het penetreren van de anus van aangever door verdachte. De raadsman heeft aangevoerd dat dit gedeelte van de aangifte op geen enkele wijze wordt ondersteund. Dat er mogelijk wel voldoende bewijs is voor andere seksuele handelingen waarover aangever heeft verklaard, is onvoldoende om alles wat aangever heeft verklaard, voor waar aan te nemen en overtuigend bewezen te achten.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het seksueel binnendringen, dan is de raadsman van mening dat de vereiste dwang, die zou bestaan uit ‘andere feitelijkheden’, ontbreekt. De dwang zou volgens het Openbaar Ministerie zitten in de afhankelijkheidsrelatie en de beslotenheid van de treincabine. De vraag is of die feitelijkheden voldoende zijn voor het aannemen van dwang. Het enkele bestaan van een afhankelijkheidsrelatie of de wetenschap van een licht verstandelijke beperking is niet genoeg om te kunnen spreken van dwingen (HR 2 december 2003, NJ 2004/78; Hof Den Haag 25 oktober 2012, LJN BY1911). De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake was van een situatie waarin aangever het gevoel had dat hij geen ‘nee’ kon of durfde te zeggen en dus -tegen zijn wil- seksuele handelingen toeliet of verrichtte. Voor zover er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie heeft verdachte hier nooit misbruik van gemaakt. Uit de aangifte en de latere verklaringen van aangever blijkt dat hij pas later is gaan beseffen dat de seksuele relatie tussen hem en verdachte niet goed is geweest. Dit betekent niet dat op het moment dat het gebeurde sprake is geweest van dwang. Mocht de rechtbank anders oordelen, dan is de raadsman van mening dat het opzet op die dwang ontbreekt. Immers, uit de verklaringen van aangever blijkt dat verdachte in voorkomende gevallen toestemming heeft gevraagd alvorens bepaalde handelingen te verrichten en dat hij ook steeds stopte op momenten dat aangever aangaf het niet prettig te vinden. Voor verdachte was het belangrijk dat aangever zich er goed bij voelde. Ook heeft verdachte aangever nooit ergens toe willen dwingen. Het bewijs dat cliënt opzettelijk een situatie heeft gecreëerd waarin sprake is van dwang ontbreekt dan ook. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat, naast dat er onvoldoende bewijs is voor het seksueel binnendringen, deze seksuele handelingen niet vóór 4 november 2002 hebben plaats gevonden, de datum waarop aangever zestien jaar werd. Om die reden kan het subsidiair ten laste gelegde feit evenmin bewezen worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit 1

Aangever [slachtoffer] heeft op 12 december 2017 bij de politie verklaard dat hij verdachte voor het eerst ontmoette op het station in [woonplaats] waar de [trein] stond. Aangever, die een grote passie voor treinen had, vroeg aan verdachte of hij in de cabine mocht kijken. Dat mocht en aangever vond het erg interessant. Vervolgens nodigde verdachte aangever uit om op de trein mee te rijden naar het rangeerterrein in [naam] .2 Korte tijd later nodigde verdachte aangever uit om met verdachte mee te rijden naar [woonplaats] . Vanaf de derde of vierde keer dat aangever met verdachte mee ging naar [woonplaats] , begon het praten over seks. Op een gegeven moment sloeg het om en vonden tijdens de treinritjes of als de trein ergens stil stond seksuele handelingen plaats, onder meer bestaande uit het pijpen van aangever door verdachte. Aangever heeft verder verklaard dat verdachte een paar keer aan aangever vroeg of hij hem wilde pijpen. Aangever wilde dit niet, maar omdat verdachte aandrong en een beetje begon te zeuren heeft hij het toch een keer bij verdachte gedaan.3 Aangever wilde niet met de penis van verdachte in aanraking komen en hij wilde niet dat aangever in zijn mond zou4 klaarkomen. Daarom gebruikte aangever een condoom. Aangever deed de penis van verdachte in zijn mond en pijpte hem totdat verdachte klaar kwam. Aangever deed het zo snel mogelijk, zodat hij er snel van af zou zijn. Aangever heeft verklaard dat hij er kokhalsneigingen van kreeg en dat hij aan verdachte heeft aangegeven dat hij het niet prettig vond en dat hij het maar één keer deed en daarna niet meer.5 Het was in de cabine van een stilstaande trein, bij het rangeerstation aan de [naam] . Dat was in 2002. Aangever weet dat nog omdat de moeder van verdachte toen op sterven lag.

Aangever heeft verder verklaard dat verdachte op een keer aan hem het verzoek deed of hij hem anaal mocht vingeren. Het was in de rijdende trein tussen [woonplaats] en [naam] . Zij waren op de terugweg vanuit [woonplaats] .6 Dat was volgens aangever op het moment dat hij 16 jaar oud was.7 Aangever twijfelde over het verzoek van verdachte en gaf aan dat hij niet wilde dat de vinger van verdachte vies zou worden omdat hij dat niet prettig vond. Verdachte kwam meteen met een oplossing en gebruikte een boterhamzakje. Verdachte was aangever op dat moment aan het pijpen. Verdachte deed dat zakje om zijn wijsvinger. Hij ging verder met pijpen en ging met zijn hand heel voorzichtig in de richting van zijn anus. Toen drukte hij heel zachtjes zijn vinger naar binnen. Dat lukte niet zo best, omdat het lichaam van aangever het tegenhield. Het lukte verdachte wel om zijn vinger er een stukje in te doen. Vervolgens heeft verdachte zijn vinger weer uit de anus van aangever gehaald.8

Aangever heeft verder verklaard dat hij aan het begin vertelde over zijn gescheiden ouders, zijn weinige vrienden en dat hij het leuk vond om de trein beter te leren kennen en daar zijn hobby van te maken. Verdachte zei toen tegen aangever dat hij wel in de gaten had dat hij een speciaal jongetje was en dat hij geen veilige haven had. Verdachte zag dat de interesse van aangever bij die trein lag, zette hem op de machinistenstoel en leerde hem de [trein] rijden. Hij had in de gaten dat aangever er wel gevoel voor had.9

Verdachte heeft tegen aangever gezegd dat hij er beter niet over kon praten omdat het niet

geaccepteerd zou worden. Vanaf het begin was er een soort van wederzijds vertrouwen zonder dat er over gesproken werd. Zij wisten allebei dat dit10 eigenlijk niet kon. Aangever was ook bereid om zijn mond te houden omdat verdachte hem die trein gaf en hij niets anders had.11 Aangever heeft verder verklaard dat verdachte voor hem een vaderfiguur was.12

In een brief van 12 februari 2014 heeft [getuige 1] , hoofd rijdend personeel bij [werkgever] , verdachte te kennen gegeven het dienstverband van verdachte te willen beëindigen. In de brief staat - onder meer - het volgende:

Gesprek maandag 6 januari 2014

“In dit gesprek heb ik met jou gesproken over hetgeen in die periode van jouw leven is

voorgevallen. Hierbij bevestigde je dat je gedurende 7 a 8 jaar een relatie hebt gehad met

een bij aanvang van de relatie minderjarige jongen. De beëindiging van de relatie is nu

ongeveer 5 jaar geleden.

In een gesprek dat ik op 30 december 2013 had met [slachtoffer] vertelde hij dat de

relatie is begonnen toen hij 14 jaar oud was. Jullie hebben elkaar leren kennen op het

station. [slachtoffer] was daar vaak aanwezig en je hebt gevraagd of hij de cabine wilde zien en

hebt hem ook mee laten rijden naar de [naam] . Daarna zijn jullie samen in een

taxi terug gegaan naar [woonplaats] .

Je gaf aan dat je vervolgens regelmatig contact had met de minderjarige [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft

ons eerder verklaard dat, ook toen hij nog minderjarig was, de aard van het contact van een

vriendschappelijke relatie veranderde in een seksuele relatie. Desgevraagd bevestigde je dat

bovenstaande gegevens, zoals door [slachtoffer] aan mij aangegeven, correct zijn.”

Gesprek maandag 10 februari 2014

“Op 10 februari hebben wij een vervolggesprek gehad. In dit gesprek heb ik jou gevraagd

om wederhoor ten opzichte van een verklaring van [slachtoffer] . Deze heeft namelijk in een

vervolggesprek dat ik met hem had een meer gedetailleerder verklaring gegeven over

hetgeen in die tijd speelde.

Hij heeft o.a. aangegeven dat hij in die tijd regelmatig met jou meeging in de [trein] naar

[woonplaats] en dat hij in die tijd ook zelfde trein mocht besturen. Met name op de rit van

[woonplaats] naar [woonplaats] . Tijdens de rit gebeurde er dan het een en ander. Je gaf aan dat dit inderdaad zo was en dat ernaar jouw mening geen veiligheidsrisico was. Jij zat naast hem en inderdaad vonden er dan handelingen plaats zoals betasting.”13

Verdachte heeft ter zitting bekend dat tussen hem en aangever jarenlang een seksuele relatie heeft bestaan, in ieder geval in de periode rondom het overlijden van zijn moeder (2002) tot het moment dat hij een andere functie kreeg en geen machinist meer was (2008).14

Bewijsoverweging ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit

Seksueel binnendringen

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat tijdens de ten laste gelegde periode sprake is geweest van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangever. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank acht bewezen dat tijdens twee momenten in de periode van 1 januari 2002 - het jaar dat de moeder van verdachte overleed - en 4 november 2005 - het moment dat aangever 17 jaar werd - sprake is geweest van seksueel binnendringen. Eenmaal door het pijpen van verdachte door aangever en eenmaal door het met een vinger binnendringen in de anus van aangever door verdachte. Tijdens deze laatste handeling werd aangever ook gepijpt door verdachte.

Verdachte heeft ontkend dat tijdens de seksuele contacten sprake is geweest van binnendringen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van aangever hierover. Aangever heeft uitgebreid, concreet en gedetailleerd verklaard. Zo heeft hij verklaard op welk traject of op welk station de feiten hebben plaatsgevonden en heeft hij specifieke details genoemd zoals het condoom dat hij bij verdachte om deed toen aangever verdachte moest pijpen, het boterhamzakje dat verdachte om zijn vinger deed bij het binnendringen van de anus van aangever en de verfrissingsdoekjes, waarmee verdachte zich na afloop schoonmaakte. De verklaring van aangever bij de politie is ook consistent met zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris.

De rechtbank constateert dat ten aanzien van het binnendringen geen specifiek steunbewijs voorhanden is, maar dit is in een zedenzaak niet ongebruikelijk. Bij zedenzaken gaat het vaak om een verklaring van het slachtoffer, waar de verklaring van de verdachte tegenover staat. Kenmerkend voor dit soort zaken is dat er meestal geen directe getuigen zijn en vaak ook geen ander, bijvoorbeeld forensisch of medisch, bewijs voorhanden is. In een dergelijke situatie, waarin de verklaringen tegenover elkaar staan of - zoals in dit geval - onderdelen daarvan, is het niet alleen van belang om vast te stellen of de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is, maar ook of daarvoor voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.

De aangifte vindt in grote lijnen steun in andere bewijsmiddelen, zoals de getuigenverklaringen van collega’s bij de NS, zoals [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en de hiervoor weergegeven ontslagbrief van [werkgever] van 12 februari 2012. Verdachte heeft bovendien bekend dat in de periode van 2002 tot en met 2008 tussen hem en aangever jarenlang een seksuele relatie heeft bestaan. Details, zoals over het mee laten rijden naar [naam] en het terugrijden met de taxi, die aangever heeft gedeeld met de heer [getuige 1] en ook heeft genoemd in zijn verklaringen bij de politie, zijn door de verklaringen van verdachte bevestigd.

Dwang

De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of er sprake is geweest van dwang, bestaande uit feitelijkheden.

Volgens vaste jurisprudentie kan sprake zijn van dwingen door een feitelijkheid indien de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval (HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494).

De rechtbank acht de volgende concrete omstandigheden relevant. Ten tijde van het ontstaan van de (seksuele) relatie tussen verdachte en aangever was aangever nog geen 15 jaar en verdachte was rond de 40. Aangever zat nog op school en verdachte was machinist op de [trein] . Verdachte was op de hoogte van de gezinssituatie van aangever (gescheiden ouders), de wisselende woonsituatie en hij wist dat aangever werd gepest. Verdachte was op de hoogte van de zeer grote interesse van aangever voor treinen en verdachte wist ook dat de treinritjes met verdachte het enige was dat aangever in die periode had. Vanwege zijn functie als machinist van de [trein] nam verdachte voor aangever een bijzondere positie in. Aangever mocht meerdere keren per maand met verdachte mee in de cabine. Verdachte leerde aangever de trein besturen en daarbij werd veel besproken, onder andere over wat aangever in het dagelijks leven bezighield maar ook zijn en verdachtes seksuele gedachten en gevoelens. Hierdoor ontstond tussen hen een stevige band. Uit de verklaringen volgt bovendien dat aangever druk voelde om de seksuele handelingen uit te voeren of te ondergaan, omdat hij de ritjes op de trein niet wilde missen. Verdachte heeft daarmee een afhankelijkheidsrelatie gecreëerd en hiervan misbruik gemaakt. Dat verdachte misbruik maakte van deze relatie blijkt wel uit hetgeen aangever heeft hierover verklaard; verdachte heeft immers tegen hem gezegd dat aangever er met niemand over mocht praten.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de gegeven omstandigheden een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op aangever en bij hem heeft ingespeeld op zijn interesse voor treinen. Verdachte wist in welke kwetsbare situatie aangever zat en hij wist ook hoe belangrijk die treinritjes voor aangever waren. De rechtbank is, anders dan de raadsman, dan ook van mening dat verdachte opzet heeft gehad op die dwang.

Partiële vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte, gelet op het hiervoor overwogene, vrij van het ten laste gelegde voor zover dit ziet op de pleegperiode van 4 november 2000 tot 1 januari 2002 en van 5 november 2008 tot en met 31 december 2008. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de ten laste gelegde handelingen die niet bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met uitzondering van het pijpen van aangever door verdachte, niet bewezen kunnen verklaard, nu deze handelingen hebben plaatsgevonden op andere momenten dan de momenten waarop verdachte het lichaam van aangever is binnengedrongen. Deze handelingen liggen daardoor (in tijd) te veraf van het daadwerkelijke seksuele binnendringen. Gelet op de formulering van artikel 242 Wetboek van Strafrecht en de toelichting daarop, is het de bedoeling van de wetgever dat dergelijke handelingen onder het artikel vallen, indien zij aan seksueel binnendringen voorafgaan dan wel daarop volgen of daarmee gepaard gaan. Nu de bewijsmiddelen daarvan geen blijk geven, zal verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde seksuele handelingen die bestaan uit die [slachtoffer] zijn penis laten aftrekken en zichzelf in de nabijheid van die [slachtoffer] aftrekken.

De rechtbank overweegt hierbij dat deze ‘technische vrijspraak ‘niet inhoudt dat verdachte deze handelingen niet heeft gepleegd cq aangever deze handelingen niet zou hebben ondergaan. Deze vrijspraak is het gevolg van het feit dat de ontucht met de destijds minderjarige aangever niet meer ten laste gelegd kon worden omdat deze feiten zijn verjaard.

Ook wordt verdachte vrijgesproken van hetgeen is opgenomen achter het zevende gedachtestreepje van de hieronder weergegeven tenlastelegging. Naar het oordeel van de rechtbank levert de locatie van de seksuele handelen op zich zelf geen dwang op, omdat aangever juist heel graag in die trein wilde zijn.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2002 tot en met 4 november 2005 in een (rijdende) trein in Nederland, door een andere feitelijkheid [slachtoffer] meermalen, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte eenmaal

- zijn penis in de mond en eenmaal vinger in de anus van die [slachtoffer] gebracht en eenmaal

- de penis van die [slachtoffer] in zijn mond gebracht en gehouden en heen en weer gaande bewegingen gemaakt en

bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte, meermalen, (telkens)

- een psychische overwicht op die [slachtoffer] heeft gehad (gezien zijn positie als machinist van een trein en het leeftijdsverschil en de opgebouwde relatie als vertrouwenspersoon/vaderfiguur en

- gebruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer] grote interesse heeft treinen en

- gebruik heeft gemaakt van de hieruit voortkomende afhankelijkheidssituatie en

- vervolgens afspraken heeft gemaakt en heeft geregeld en gebruik heeft gemaakt van een situatie, waarin die [slachtoffer] met hem, verdachte alleen was en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij er met niemand over mocht praten en

- aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

verkrachting, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke

gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om artikel 9a Strafrecht toe te passen en aan verdachte geen straf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een geheel voorwaardelijke (taak)straf op te leggen zonder oplegging van bijzondere voorwaarden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

In de onderhavige zaak zijn aanwijzingen dat gedurende de periode 2000-2008 seksueel contact is geweest tussen verdachte en aangever. De daarbij verrichte handelingen hebben plaatsgevonden in een rijdende trein. Aangever was bij aanvang van de seksuele contacten rond de 14 jaren oud was. Gelet op het tijdsverloop en de daarmee gepaard gaande verjaring van de handelingen die als ontucht kunnen worden aangemerkt, is verdachte door het Openbaar Ministerie enkel vervolgd voor het plegen van seksuele handelingen, die mede bestaan uit het tweemaal seksueel binnendringen. Deze handelingen hebben volgens de rechtbank in de periode 2002-2005 plaatsgevonden en bestonden uit het eenmaal pijpen van verdachte door aangever en het eenmaal met een vinger binnendringen in de anus van aangever door verdachte.

Dit is een ernstig feit. Te meer omdat aangever een kwetsbare jongen was die veel interesse had in het beroep van verdachte en op den duur in verdachte een vaderfiguur zag. Verdachte heeft grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van aangever. De ervaring leert dat slachtoffers van seksueel misbruik nog langdurig de psychische en emotionele gevolgen daarvan kunnen ondervinden, terwijl het seksueel misbruik bovendien een ernstige verstoring van de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Dit is ook gebleken uit de ter terechtzitting door de raadsvrouw van het slachtoffer voorgedragen indringende slachtofferverklaring. Aangever heeft een intensieve behandeling gehad bij Psytrec en is momenteel nog in behandeling bij de Lievegoed kliniek.

Op de zitting heeft verdachte bekend dat hij jarenlang een seksuele relatie heeft gehad met aangever, maar hij heeft niet bekend dat dat hierbij sprake is geweest van seksueel binnendringen. Wel heeft verdachte verklaard dat hij spijt heeft en zich schaamt voor hetgeen gebeurd is en open staat voor een gesprek met aangever. Verdachte komt hierin op de rechtbank oprecht over.

De rechtbank maakt uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 3 november 2020 op dat verdachte niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld. Niet voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode, maar ook niet in de jaren daarna.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de reclasseringsadviezen van Reclassering Nederland van 15 juni 2020 en van 7 december 2020 (aanvulling), beide opgesteld door mevrouw F. van der Groep.

Uit deze rapporten volgt dat de reclassering verdachte ziet als een man die ogenschijnlijk geen problemen heeft. Enerzijds is verdachte goed ingebed in de maatschappij, anderzijds leeft hij met het geheim homoseksueel te zijn. Alleen zijn echtgenote is hiervan op de hoogte, zijn kinderen weten van niks. Ten tijde van het onderhavige feit speelde veel stress in het leven van verdachte. Naast het feit dat hij worstelde met zijn dubbelleven, overleed in 2002 zijn moeder. Verdachte gebruikte de seks met aangever als coping. Deze combinatie acht de reclassering delictgerelateerd. Ten tijde van het opstellen van de rapporten, leidt verdachte nog steeds een dubbelleven en heeft hij mogelijk stress door de strafzaak. De reclassering kan moeilijk inschatten of verdachte nu wel in staat is om op een andere manier met zijn stress om te gaan. Ook is het onduidelijk of sprake is van onderliggende problematiek. Diagnostiek door het NIFP acht de reclassering noodzakelijk om te komen tot een passend advies. Omdat dit advies niet is opgevolgd door het Openbaar Ministerie, heeft de reclassering deze casus - geanonimiseerd - voorgelegd aan De Waag. De Waag ziet mogelijkheden om verdachte te begeleiden. Bij een veroordeling wordt door de reclassering geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf, dat in soortgelijke gevallen, gelet op de ernst van het feit, onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen worden opgelegd. Gelet op het tijdsverloop van ongeveer vijftien jaren en de blanco documentatie van verdachte acht de rechtbank thans een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet passend. De rechtbank houdt rekening met het feit dat het voor aangever belangrijk is dat verdachte verantwoording aflegt voor wat hij hem heeft aangedaan en dat verdachte wordt veroordeeld, maar niet zozeer welke straf hij krijgt. Gelet hierop, ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal aan deze proeftijd geen bijzondere voorwaarden verbinden, gelet op het laag ingeschatte gevaar voor herhaling. Daarnaast lijkt verdachte in staat om – eventueel met behulp van zijn echtgenote – passende hulp te vinden indien dat nodig is. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is en wordt aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden opgelegd.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 201,07 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de materiële schadevordering van € 201,07 toe te wijzen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, aangesloten moet worden bij letselcategorie 3 van de letsellijst van 1 juli 2019 van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en de vordering om die reden moet worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-. De officier van justitie heeft verder verzocht tot oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat vrijspraak is bepleit. Het subsidiaire standpunt is dat de immateriële schadevordering dient te worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade ten bedrage van € 201,07 is de rechtbank van oordeel dat deze schadepost voldoende is onderbouwd en het gevolg is van het handelen van verdachte. Voornoemd bedrag van € 201,07 zal dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding sluit de rechtbank aan bij letselcategorie 3 en begroot de rechtbank deze schade naar billijkheid op € 5.000,-. De rechtbank zal de wettelijke rente opleggen vanaf de datum van de aangifte van 12 december 2017, zijnde de dag waarop aangever aangifte deed.

Aangever zal in het overige deel van de gevorderde immateriële schade door de rechtbank niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.201,07, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 december 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 61 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- wijst de vordering van toe tot een bedrag van € 5.201,07, bestaande uit € 201,07 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2017 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 5.201,07 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 61 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, voorzitter, mrs. E. Akkermans en L.M.M. Heppe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2020.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 november 2000 tot en met 31 december 2008

tussen het traject [traject] in een (rijdende) trein, althans in Nederland

en/of België, door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, heeft gedwongen

tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

hebbende verdachte (meermalen), althans eenmaal (telkens)

- zijn penis in de mond en/of vinger in de anus van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht en/of

- die [slachtoffer] zijn penis laten aftrekken en/of

- zichzelf in de nabijheid van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- de penis van die [slachtoffer] in zijn mond gebracht en/of gehouden en/of heen

en weer gaande bewegingen gemaakt en

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met

geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, meermalen, althans

eenmaal (telkens)

- een fysiek en/of psychische overwicht op die [slachtoffer] heeft en/of heeft

gehad (gezien zijn positie als machinist van een trein en/of het

leeftijdsverschil en/of de opgebouwde relatie als

vertrouwenspersoon/vaderfiguur en/of de verstandelijke beperking van die

[slachtoffer] ) en/of

- gebruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer] (grote) interesse

heeft treinen en/of

- gebruik heeft gemaakt van de hieruit voortkomende

afhankelijkheidssituatie, althans een afhankelijkheidssituatie heeft

gecreëerd en/of

- ( vervolgens) (buiten de wil of wetenschap van de ouders en/of begeleiders

van die [slachtoffer] ) afspraken heeft gemaakt en/of heeft geregeld en/of

gebruik heeft gemaakt van een situatie, waarin die [slachtoffer] met hem,

verdachte alleen was en/of

- die [slachtoffer] heeft onderworpen aan een of meer seksuele handeling(en) in

een rijdende trein en/of een gesloten (trein)cabine en aldus, een

situatie heeft doen ontstaan waarin die [slachtoffer] zich niet aan het

handelen van verdachte kon onttrekken en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij er met niemand over mocht praten

en/of

- ( aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

( art 242 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen van 4 november 2000 tot en met 3

november 2002, tussen het traject [traject] in een (rijdende) trein,

althans in Nederland en/of België

met [slachtoffer] , geboren op [1986] , die de leeftijd van twaalf

jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,

meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft

gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [slachtoffer] ,

hebbende verdachte (meermalen), althans eenmaal (telkens)

- zijn penis in de mond en/of vinger in de anus van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht en/of

- die [slachtoffer] zijn penis laten aftrekken en/of

- zichzelf in de nabijheid van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- de penis van die [slachtoffer] in zijn mond gebracht en/of gehouden en/of heen

en weer gaande bewegingen gemaakt;

( art 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0900-2017349332, opgemaakt door Politie Eenheid Midden-Nederland, Divisie Recherche, Team Zeden, doorgenummerd 1tot en met 63. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 29.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 30.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 33.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 34.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 35.

7 Woonoverzicht en toelichting periode van [slachtoffer] van 13 juli 2020.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 35.

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 29.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 31.

11 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 32.

12 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van 23 juni 2020.

13 Een geschrift, te weten een brief, pag. 47 en 48.

14 Proces-verbaal van terechtzitting van 11 december 2020.