Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5647

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
C/16/510965 / KG ZA 20-539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Volksbank mag bankrekeningen van ‘onbedoelde Amerikaan’ beëindigen, omdat hij weigert een Amerikaans identificatienummer aan de bank te verstrekken. De publicatie van een uitspraak van de klachtencommissie van Kifid over het geschil tussen de ‘onbedoelde Amerikaan’ en Volksbank en een persbericht daarover is niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/510965 / KG ZA 20-539

Vonnis in kort geding van 23 december 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.C. Timmer te Rotterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

DE VOLKSBANK N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

advocaat mr. M.H. Berrevoets te Utrecht,

2. de stichting

STICHTING KLACHTENINSTITUUT FINANCIËLE DIENSTVERLENING (KIFID),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

advocaat mr. E. Jagt te Amsterdam,

gedaagden.

Partijen worden hierna [eiser] , Volksbank en Kifid genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 oktober 2020 met producties 1 tot en met 11

  • -

    de op 19 november 2020 van Volksbank ontvangen producties 1 tot en met 4

  • -

    de op 23 november 2020 van Kifid ontvangen conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 november 2020

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van Volksbank

  • -

    de pleitnota van Kifid.

1.2.

Daarna is besloten dat er een vonnis komt. Partijen hebben er mee ingestemd dat dit vonnis – gelet op de omvang en het belang van het geschil – op een termijn van vier weken wordt gewezen. Volksbank heeft toegezegd de dienstverlening aan [eiser] tot die tijd te continueren.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser] heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is in de Verenigde Staten (hierna: VS) geboren, omdat zijn vader daar op dat moment was gelegerd. Als gevolg van zijn geboorteplaats is [eiser] ook Amerikaans staatsburger. Ongeveer een jaar na zijn geboorte heeft het gezin de VS verlaten en is teruggekeerd naar Nederland.

2.2.

De Amerikaanse fiscale wetgeving verplicht Amerikaanse staatsburgers om, ongeacht waar zij wonen, belastingaangifte te doen in de VS (“citizen based taxation”). Deze plicht geldt ook voor personen die door hun geboorteplaats in de VS de Amerikaanse als tweede nationaliteit hebben, maar overigens geen (noemenswaardige) band met de VS hebben, de zogenaamde “Accidental Americans”. [eiser] behoort tot deze groep personen. De VS is een van de weinige landen ter wereld die dit belastingsysteem hanteert. Een gebruikelijker systeem is dat landen belastingaangifte vereisen door fiscaal inwoners van dat land (dat zijn personen die daar hun vaste woon- en verblijfplaats hebben).

2.3.

De Amerikaanse wet “Foreign Account Tax Compliance Act” (hierna: FATCA) strekt ertoe dat buitenlandse financiële instellingen jaarlijks aan de Amerikaanse Belastingdienst (de “Internal Revenu Service”, hierna: IRS) rapporteren over rekeningen van personen die aangifteplichtig zijn in de VS (hierna: U.S. persons). Met de FATCA wil de VS belastingontduiking door U.S. persons tegengaan.

De FATCA heeft geleid tot een door de VS en Nederland gesloten International Governmental Agreement (voluit: het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA; hierna: NL IGA), ter bevordering van de doelstellingen van de FATCA in Nederland. Aan de NL IGA is uitvoering gegeven door de Wet op de internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen (hierna: WIB) en het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen (hierna: UB WIB) en de Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving (hierna: de Leidraad).

2.4.

Om in Amerika belastingaangifte te kunnen doen, is een Amerikaans fiscaal identificatienummer (U.S. Taxpayer Identification Number, hierna: TIN) nodig.

2.5.

Het doen van belastingaangifte in de VS is kostbaar, zelfs al zou er geen heffing volgen, omdat veelal inschakeling van een belastingadviseur gewenst zal zijn, in verband met de complexiteit van de materie. Afstand doen van de Amerikaanse nationaliteit (door middel van het aanvragen van een “Certificate of Loss of Nationality”, hierna: CLN) kost een paar duizend euro en ook in dat geval moet er nog over de voorafgaande vijf jaar belastingaangifte worden gedaan, met alle kosten van dien.

2.6.

In 1990 heeft [eiser] bij een rechtsvoorganger van Volksbank twee pensioenproducten afgesloten (ten aanzien van deze producten hanteert Volksbank tegenwoordig de handelsnaam BLG wonen). Op 12 juli 2018 heeft [eiser] via een tussenpersoon bij Volksbank (handelend onder de handelsnaam Regiobank) drie bankrekeningen geopend: twee betaalrekeningen en een spaarrekening.

2.7.

Op 19 juli 2018 heeft een medewerkster van de tussenpersoon formulieren aan [eiser] gezonden en daarbij meegedeeld dat hij belastingplichtig is in de VS en dat hij daarom verplicht is een TIN aan de bank door te geven. [eiser] heeft de formulieren op 24 juli 2018 samen met de medewerkster ingevuld. Daarbij heeft hij, naar zijn zeggen op aanraden van die medewerkster, achter de vraag “Bent u een U.S. person?” het vakje aangekruist dat hoorde bij het antwoord ”Ja, het fiscale identificatienummer is nog in aanvraag”. Zo’n aanvraag heeft hij echter nooit gedaan. Daarom ontving hij een aantal herinneringen van Volksbank om dit alsnog te doen. In plaats daarvan heeft [eiser] bij Volksbank bezwaar gemaakt tegen het verzoek een TIN aan te leveren.

2.8.

Inmiddels maakte Volksbank [eiser] (ook) het verwijt dat hij op 12 juli 2018 op het aan hem voorgelegde formulier “Klantgegevens” met “Nee” heeft geantwoord op de vraag of hij fiscaal inwoner is van een ander land dan Nederland.

2.9.

[eiser] ervaart het als zeer onrechtvaardig dat van hem wordt verlangd dat hij een TIN (of CLN) aanvraagt en belastingaangifte in de VS doet, terwijl hij daar maar heel kort heeft gewoond en geen band met dat land heeft. Volksbank heeft aan [eiser] gemeld dat zij, gezien zijn weigering die TIN (of CLN) aan te leveren, voornemens is de relatie met [eiser] te verbreken en dat zij hem ook geen basisbetaalrekening wil geven.

2.10.

In reactie daarop heeft [eiser] op 27 mei 2019 een klacht tegen Volksbank ingediend bij Kifid. Dat heeft op 30 juli 2020 geleid tot een niet-bindend advies van de geschillencommissie Financiële Dienstverlening van Kifid (hierna: de geschillencommissie). Op 30 september 2020 is een hersteluitspraak gevolgd naar aanleiding van bezwaren van [eiser] . Kifid heeft een geanonimiseerde versie van de uitspraak gepubliceerd op haar website, net als een persbericht met de titel “Kifid: bank mag betaalrekening beëindigen als consument geen US TIN of CLN wil aanvragen” dat een link naar de uitspraak bevat.

2.11.

De geschillencommissie heeft de klacht van [eiser] afgewezen. Zij oordeelde – kort gezegd – als volgt:

  1. Het identificatie- en acceptatieproces bij Volksbank is niet goed doorlopen doordat [eiser] geen TIN of CLN heeft aangeleverd en Volksbank is op grond daarvan bevoegd de overeenkomst te ontbinden. Ook is Volksbank bevoegd de relatie met [eiser] te beëindigen op de grond dat hij de bank bewust onjuist heeft voorgelicht door in te vullen dat hij niet in een ander land dan Nederland belastingplichtig is en dat hij een TIN heeft aangevraagd, terwijl hij dat niet heeft gedaan en ook niet van plan is geweest. Dat is valsheid in geschrift. Ook heeft het feit dat [eiser] geen TIN aan de Volksbank verstrekt, tot gevolg dat zij niet aan haar verplichtingen jegens de Belastingdienst kan voldoen. Ook hierom is Volksbank bevoegd de relatie met [eiser] te beëindigen. Tot slot volgt de geschillencommissie het verweer van Volksbank dat zij de bankrekeningen op grond van de Leidraad moet sluiten omdat een TIN ontbreekt en dat [eiser] moedwillig belasting probeert te ontduiken. Hij heeft immers in een radio-uitzending gezegd dat hij niet meewerkt aan het verkrijgen van een TIN, omdat hij bang is belasting te moeten betalen over de winst na verkoop van zijn woning. De geschillencommissie komt daarom tot de slotsom dat Volksbank op meerdere gronden bevoegd is de relatie met [eiser] te beëindigen.

  2. Volksbank hoeft [eiser] geen basisbetaalrekening te verstrekken, omdat dit mag worden geweigerd bij een (hoog) risico op (opzettelijk) witwassen en/of belastingontduiking. Volgens de geschillencommissie is belastingontduiking via een basisbetaalrekening mogelijk en moet ook voor zo’n rekening een TIN worden aangeleverd. [eiser] heeft geen TIN, wil die ook niet aanvragen en hij heeft verklaard dat hij geen belastingaangifte in de VS wil doen, terwijl hij daartoe wel verplicht is. De geschillencommissie oordeelt daarom dat er een reëel risico is op belastingontduiking en dat Volksbank het verstrekken van een basisbetaalrekening op die grond mag weigeren.

2.12.

In het nieuwsbericht op de website van Kifid wordt de inhoud van de uitspraak van de geschillencommissie samengevat weergegeven.

2.13.

In een brief van 24 september 2020 heeft Volksbank de bankrekeningen van [eiser] opgezegd tegen 24 november 2020. De inhoud van die brief luidt – kort gezegd en voor zover hier van belang – als volgt:

Volksbank schrijft dat [eiser] valsheid in geschrift heeft gepleegd door op een formulier aan te geven dat hij een TIN had aangevraagd, terwijl hij dit niet heeft gedaan en hij daartoe niet de intentie had. Daarnaast schrijft Volksbank dat zij uit een verklaring van [eiser] op de radio in combinatie met het niet aanvragen van een TIN, afleidt dat hij – ondanks dat hij daartoe verplicht is – geen aangifte doet in de VS, waardoor sprake is van belastingontduiking, wat zij gelijk stelt aan witwassen. In beide gevallen noemt Volksbank de procedure bij Kifid. Tot slot schrijft Volksbank dat de vertrouwensrelatie met [eiser] is geschonden, doordat hij verkeerde informatie heeft verstrekt en er sprake is van belastingontduiking, en dat zij daarom de bankrelatie opzegt.

2.14.

In een brief van 25 september 2020 heeft Volksbank de pensioenproducten opgezegd tegen 25 december 2020. De inhoud van die brief luidt – kort gezegd en voor zover hier van belang – als volgt:

Volksbank schrijft dat [eiser] verkeerde informatie heeft verstrekt ten aanzien van de Regiobankproducten en dat er sprake is van belastingontduiking (zie 2.13). Hierdoor is volgens Volksbank de vertrouwensrelatie geschonden en daarom zegt zij de pensioenproducten op.

2.15.

[eiser] vindt dat Volksbank ten onrechte de bankrekeningen en de pensioenproducten heeft opgezegd. Hij vordert daarom in dit kort geding van Volksbank dat zij de dienstverlening met hem voortzet, primair voor onbepaalde tijd en subsidiair voor de duur van vijf jaar, op straffe van een dwangsom.

2.16.

[eiser] vindt dat Kifid onrechtmatig heeft gehandeld door de uitspraak en het persbericht op haar website te plaatsen. Hij vindt dat hij daarin herkenbaar is en dat hij daarin onterecht als een onbetrouwbaar persoon wordt afgeschilderd. Hij vordert daarom in dit kort geding van Kifid dat zij de uitspraak en het persbericht van haar website verwijdert, dat zij een rectificatie op haar website plaatst en dat het haar wordt geboden om zich voortaan te onthouden van het doen van publieke mededelingen over het geschil tussen [eiser] en Volksbank, alles op straffe van een dwangsom.

2.17.

De situatie van de Accidental Americans heeft de aandacht van de nationale en Europese politiek, die dit als een groot probleem onderkent waarop actie moet worden ondernomen.

3 Hoe oordeelt de voorzieningenrechter?

3.1.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] tegen Volksbank af, behalve met betrekking tot de pensioenproducten. Die moet Volksbank continueren. De vorderingen tegen Kifid worden geheel afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom. Daarbij worden de vorderingen tegen Volksbank en Kifid afzonderlijk besproken.

De vorderingen tegen Volksbank

3.2.

De kern van het geschil tussen [eiser] en Volksbank is de vraag of Volksbank de bankrelatie (inclusief de pensioenproducten) met [eiser] mocht beëindigen. Bij de beoordeling of Volksbank de bankrelatie rechtsgeldig heeft opgezegd, neemt de voorzieningenrechter het door de Hoge Raad in het arrest van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2929, ING/ [naam] ) gegeven toetsingskader tot uitgangspunt, te weten: “dat indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst, de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld moet worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook hetgeen in de conclusie van de Procureur-Generaal bij dit arrest onder nummer 18 staat vermeld:

“(…) Uit de rechtspraak blijkt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met name tot uitdrukking komen: (i) bij het vereiste van een gegronde reden voor de beëindiging van de kredietrelatie door de bank (waarbij aantekening verdient dat uit (thans) art. 35 ABV volgt dat de bank desgevraagd de reden van de opzegging van de relatie aan de cliënt meedeelt); (ii) bij het bepalen van een opzegtermijn in verband met het gegeven dat de cliënt in de regel op zoek moet gaan naar een andere financier. Daarnaast kunnen zich andere bijzondere omstandigheden voordoen die de vraag doen rijzen of de beëindiging wel rechtsgeldig is geschied. (…)”

3.3.

De argumenten van [eiser] ter onderbouwing van zijn vorderingen tegen Volksbank, zijn te verdelen in twee groepen. In de eerste plaats trekt [eiser] de validiteit van de door Volksbank aangehaalde regelgeving in twijfel. Daarnaast voert hij nog andere omstandigheden aan op grond waarvan hij de bevoegdheid van Volksbank om de bankrelatie met hem te beëindigen betwist. Deze argumenten worden hierna besproken onder de kopjes “validiteit regelgeving” en “overige argumenten”.

Validiteit regelgeving

3.4.

[eiser] voert op dit punt vier argumenten aan, die – kort gezegd – als volgt luiden:

  1. Het is niet de taak van Volksbank om de naleving van buitenlands recht af te dwingen. Daarvoor ontbreekt een Nederlandse juridische grondslag en er is ook geen Nederlandse wettelijke verplichting om een TIN aan te vragen.

  2. Mogelijke verplichtingen van Volksbank op grond van Amerikaans recht moeten wijken voor het recht van [eiser] op een (basis)bankrekening. Volksbank moet de grondrechten van [eiser] (voortvloeiend uit, onder meer, de AVG en het EVRM) respecteren.

  3. Volksbank mag het probleem van extraterritoriaal werkende Amerikaanse regelgeving niet bij [eiser] neerleggen door de relatie te beëindigen. In plaats daarvan moeten de banken zich, in samenwerking met de Nederlandse en Europese overheid, inspannen voor de verbetering van de positie van de Accidental Americans.

  4. Van Amerikaanse sancties tegen financiële instellingen als Volksbank is voorlopig geen sprake en door toewijzing van de vorderingen van [eiser] in dit kort geding, kan Volksbank aantonen aan haar inspanningsverplichting te hebben voldaan om een TIN van [eiser] te verkrijgen. Zo’n nageleefde inspanningsverplichting wendt het risico op Amerikaanse sancties af.

3.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze argumenten van [eiser] niet slagen en licht dit hieronder toe.

Argument 1

3.6.

De FATCA strekt ertoe dat Amerikaanse staatsburgers die niet in de VS wonen, aangifteplichtig zijn voor de Amerikaanse belastingwetten. In dat verband beoogt de FATCA aan die belastingplichtigen zelf en/of aan de in de FATCA omschreven administratieplichtigen de verplichting op te leggen de in die wet omschreven inlichtingen te (doen) verstrekken aan de Amerikaanse fiscus. In de FATCA worden die administratieplichtigen omschreven en Volksbank valt onder die omschrijving. Ook worden daarin de te verstrekken inlichtingen genoemd, waaronder het TIN. Door het aangaan van de NL IGA heeft de Nederlandse overheid zich jegens de VS verbonden tot de tenuitvoerlegging van de FATCA in Nederland en tot het treffen van maatregelen in haar nationale wetten daartoe. Dat laatste is gebeurd door de desbetreffende bepalingen in de WIB, het daarbij behorende UB WIB en de Leidraad. In artikel 8 lid 4 WIB is bepaald, kort gezegd, dat bij amvb (algemene maatregel van bestuur) worden aangewezen de administratieplichtigen en de door hen aan de minister te verstrekken inlichtingen met het oog op de uitvoering van internationale regels van bijstandverlening bij belastingheffing. De op de FATCA gebaseerde NL IGA is een zodanige internationale regel. In artikel 2a lid 1 van het UB WIB worden de in artikel 8 lid 4 WIB bedoelde administratieplichtigen aangewezen, te weten de in de NL IGA aangewezen financiële instellingen, waartoe ook Volksbank behoort. In lid 2 van artikel 2a van het UB WIB worden de in artikel 8 lid 4 WIB bedoelde inlichtingen omschreven, te weten de inlichtingen die de NL IGA verplicht stelt, waaronder het TIN. Uit al het voorgaande volgt dat op Volksbank de verplichting rust om bij haar rekeninghouders die Amerikaans staatsburger zijn hun TIN op te vragen en deze aan de minister (in feite: de Nederlandse fiscus) door te geven, opdat de TIN met de bijbehorende gegevens van de rekeninghouder en diens rekening aan de Amerikaanse overheid kan worden doorgegeven. Die verplichting ligt derhalve niet alleen in de FATCA zelf besloten, maar ook in de Nederlandse wet- en regelgeving, die op de FATCA is gebaseerd.

Argument 2

3.7.

Het uitgangspunt van het tweede argument van [eiser] is onjuist, want de verplichting van Volksbank om een TIN op te vragen is geen verplichting op grond van uitsluitend Amerikaans recht (zie hierboven). Het is ook een Nederlandse wettelijke verplichting voor Volksbank en in [eiser] ’ civielrechtelijke verhouding tot Volksbank is het zijn plicht om hieraan mee te werken. Volgens [eiser] zijn deze plichten strijdig met zijn grondrechten. Er moet daarom een belangenafweging plaatsvinden. Aan de kant van Volksbank speelt mee dat zij wettelijk verplicht is de TIN van [eiser] op te vragen en door te geven en dat, als zij dat niet doet, zij het risico loopt op ernstige sancties: naast eventuele sancties wegens schending van de Nederlandse rechtsregels, betreft dat vooral mogelijke Amerikaanse sancties doordat de VS tot 30% van de geldstromen van de VS naar Volksbank bevriest, waardoor de positie van Volksbank in de internationale bankwereld zware schade leidt. Het belang van [eiser] is dat geen uitvoering wordt gegeven aan zijn Amerikaanse plicht tot belastingaangifte, zodat hem de daarbij komende kosten en moeite worden bespaard en een eventuele Amerikaanse belastingheffing wordt voorkomen. [eiser] heeft echter niet voldoende feitelijk gesteld en ook anderszins is niet gebleken, dat de nadelige gevolgen van het doen van belastingaangifte in Amerika voor hem verder gaan dan de met die aangifte zelf gepaard gaande kosten en moeite. Zo is niet gesteld of gebleken dat uit die aangifte een daadwerkelijke Amerikaanse heffing zal voortvloeien, laat staan dat die heffing zou strijden met de Nederlandse belastingwetgeving. De belangenafweging valt op grond van dit een en ander in het nadeel uit van [eiser] . Dat geldt zowel voor de huidige bankrekeningen, alsook voor een eventuele basisbetaalrekening, omdat ook daarvoor een TIN moet worden doorgegeven. Bovendien geldt dat [eiser] niet in de onmogelijkheid verkeert zijn bankproducten (en tenminste een basisbetaalrekening) te behouden, door te voldoen aan zijn verplichting om een TIN aan te vragen. Dat hij zich daarvoor kosten en moeite moet getroosten, die hij – begrijpelijkerwijs – liever vermijdt, is van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te leiden.

Argument 3

3.8.

Het derde argument van [eiser] vloeit voort uit zijn eerste twee argumenten en die zijn hierboven al weerlegd.

Argument 4

3.9.

Hierboven is al geoordeeld dat Volksbank wettelijk verplicht is om een TIN bij [eiser] op te vragen en dat zij dat in hun onderlinge verhouding ook mag doen. De belangenafweging tussen partijen zou anders uit kunnen pakken als [eiser] aannemelijk had gemaakt dat het redelijkerwijs te verwachten is dat sancties bij de huidige inspanning van Volksbank nog een aanmerkelijke periode uit zullen blijven. Dat dit zo is, is echter – naar de huidige stand van zaken – onvoldoende gebleken. Hoe de VS om zal gaan met financiële instellingen die niet aan de meldplicht voldoen, is op dit moment nog te ongewis.

Overige argumenten

3.10.

[eiser] zegt dat Volksbank ook vanwege de volgende redenen niet de bankrekeningen en de pensioenproducten mocht beëindigen:

  1. Deze beëindiging is in strijd met wettelijke en contractuele verplichtingen (o.a. de Algemene Bankvoorwaarden) en ook onrechtmatig.

  2. Volksbank mag er niet van uitgaan dat [eiser] zich schuldig maakt aan valsheid in geschrift en belastingontduiking en zij mag de bankrelatie niet op die grond beëindigen. Door toch op deze gronden op te zeggen, bezorgt Volksbank [eiser] slechte antecedenten, waardoor hij geen nieuwe bankrelatie met een andere bank aan kan gaan.

  3. De beëindiging van de bankrelatie moet op grond van neutrale opzeggingsgronden aan de hand van het gebruikelijke toetsingskader worden beoordeeld. In dat kader moet een belangenafweging plaatsvinden en deze pakt in het voordeel van [eiser] uit, omdat de gevolgen van beëindiging voor [eiser] te groot zijn. Het is voor hem van essentieel belang dat hij toegang heeft tot het bancaire systeem en zijn pensioenproducten kan behouden.

3.11.

Volksbank zegt in reactie hierop dat zij de bankrelatie mocht beëindigen op grond van:

  1. Een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst tot het openen van de bankrekeningen, die als volgt luidt: “Deze overeenkomst komt direct tot stand. Er geldt wel een ontbindende voorwaarde. Als Rekeninghouder het identificatie- en acceptatieproces van RegioBank niet met goed gevolg doorloopt, dan wordt de overeenkomst automatisch ontbonden.”

  2. Artikel 1.16 van de Leidraad en artikel 1.19 van het besluit van 23 juni 2020 nr. 2020-115390, waarin staat dat een bank een nieuwe rekening moet sluiten als niet binnen 90 dagen na het openen daarvan een ingevuld self certification-formulier is verkregen op grond waarvan is vast te stellen of de rekening gerapporteerd moet worden.

  3. De algemene voorwaarden van Volksbank (artikel 7 Voorwaarden Plus betalen, artikel 20 en 24 Reglement Privé-rekening en artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden), omdat [eiser] in strijd daarmee onjuiste mededelingen heeft gedaan over zijn status als fiscaal inwoner van een ander land en het aanvragen van een TIN en bij juiste mededeling de rekeningen niet zouden zijn geopend.

Verder zegt Volksbank nog dat een belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen, omdat [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd waarom het verlies van zijn bankrekeningen problematisch is; de wet sluit chartale betalingen immers niet uit en [eiser] zegt niet dat hij zijn pensioenproducten nergens anders kan onderbrengen. Daarbij kan hij deze situatie oplossen door zijn Amerikaanse staatburgerschap op te geven, temeer omdat hij geen belang heeft gesteld bij het aanhouden daarvan. Aan de kant van Volksbank speelt het belang dat zij (en daarmee haar drie miljoen klanten) het risico loopt op ernstige sancties als zij niet voldoet aan haar rapportageverplichting voortvloeiende uit de FATCA. Volksbank kan geen vrijstelling verlenen voor het verstrekken van een TIN aan een kleine groep personen die deze niet willen aanvragen. Dit zou onrechtvaardig zijn ten aanzien van de veel grotere groep Accidental Americans die wel kosten en moeite hebben gemaakt om aan de regelgeving te voldoen. De beëindiging moet “merkbreed” en dus ook voor de pensioenproducten, gelden. Al het voorgaande volgens Volksbank.

3.12.

Hierna wordt eerst de beëindiging van de bankrelatie en daarna de opzegging van de pensioenproducten besproken.

Bankrelatie

3.13.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit wat in 3.6 en 3.7 is overwogen, volgt dat Volksbank verplicht is een TIN te vragen aan [eiser] en dat [eiser] in zijn contractuele relatie tot de bank verplicht is die, desgevraagd, te geven. Het verstrekken van een TIN is daarmee onderdeel van het identificatie- en acceptatieproces. Doordat [eiser] geen TIN aan Volksbank heeft verstrekt, is dat proces dus niet volledig afgerond en mag Volksbank zich op de ontbindende voorwaarde in de overeenkomsten (zie 3.11) beroepen.

3.14.

Feitelijk heeft Volksbank de bankrelatie met [eiser] echter opgezegd op grond van valsheid in geschrift en belastingontduiking. [eiser] zegt dat dit niet mocht en dat hij hierdoor benadeeld wordt bij het aangaan van een nieuwe bankrelatie.

3.15.

In het formulier “Bepalen belastingstatus Verenigde Staten” kon [eiser] op de vraag “bent u een U.S. person?” uitsluitend kiezen uit de volgende mogelijkheden: “nee”, “ja, en mijn U.S. TIN is…” en “ja, het fiscale identificatienummer is nog in aanvraag”. De situatie die zich feitelijk voordeed (namelijk dat [eiser] een U.S. person is, maar nog geen TIN heeft aangevraagd) was niet opgenomen op het formulier. Er was niet voorzien in een vierde, zelf in te vullen, mogelijkheid. Volgens [eiser] heeft de tussenpersoon hem geadviseerd de laatste optie aan te kruisen (als het best passend bij zijn situatie) en dat heeft hij vervolgens ook gedaan. Vaststaat dat [eiser] pas kort daarvoor bekend was geworden met zijn Amerikaanse belastingplicht en de daarmee samenhangende administratieve verplichtingen. Dat samen maakt dat niet onbegrijpelijk is dat hij het formulier op deze manier heeft ingevuld en rechtvaardigt onvoldoende de conclusie dat hij het opzet had dat formulier onjuist in te vullen én dat hij daarbij het oogmerk had om dat formulier als onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken, zoals in artikel 225 Wetboek van Strafrecht voor het misdrijf valsheid in geschrift is vereist. Dat zou anders zijn als vast stond dat hij ook ten tijde van het invullen van het formulier al had beslist nooit een TIN te zullen aanvragen. Volksbank stelt dat wel, maar [eiser] bestrijdt dat. Hij voert immers aan dat hij zich pas nadien de portee van de kwestie van de Amerikaanse aangifteplicht en de daarmee samenhangende administratieve vereisten heeft gerealiseerd en pas toen heeft besloten geen TIN aan te zullen vragen. Nu Volksbank zich op de valsheid in geschrift beroept, is het aan de bank haar andersluidende stelling voldoende aannemelijk te maken en dat is haar – gelet op de betwisting van [eiser] – niet gelukt.

Ook het verwijt aan [eiser] dat hij ten onrechte de vraag of hij fiscaal inwoner is van een ander land dan Nederland met “nee” heeft beantwoord, is onterecht. [eiser] heeft uitgelegd dat hij wel belastingplichtig is in de VS (zoals hij in antwoord op de desbetreffende vraag ook heeft vermeld), maar dat hij geen fiscaal inwoner daarvan is (zie 2.2). Die uitleg is niet (voldoende) weersproken door Volksbank en Kifid en komt de voorzieningenrechter logisch voor. Dit verwijt staat overigens niet in de opzeggingsbrief van Volksbank, maar in haar pleitnotitie staat dat Volksbank dit als een zelfstandige reden voor de beëindiging van de bankrelatie beschouwt. Vandaar dat de voorzieningenrechter hierover oordeelt.

De opzegging door Volksbank op de rechtsgrond valsheid in geschrift is dus ondeugdelijk.

3.16.

De opzegging op de rechtsgrond belastingontduiking is wel terecht. Vaststaat namelijk dat [eiser] geen TIN heeft verstrekt en ook niet wil gaan verstrekken, omdat hij geen belastingaangifte in de VS wil doen, terwijl hij daar wel toe verplicht is. Daarmee staat ook vast dat er een risico is op belastingontduiking en dat dat risico voldoende groot is om de daarop gebaseerde opzeggingsgrond te rechtvaardigen.

3.17.

Met betrekking tot het argument van [eiser] dat hij door de gebruikte opzeggingsgronden onterecht slechte antecedenten krijgt, geldt dat het verwijt met betrekking tot de belastingontduiking klopt en dus terecht is. Met betrekking tot de valsheid in geschrift is het verwijt niet terecht. Overigens heeft Volksbank [eiser] niet in het externe verwijzingsregister opgenomen, zodat deze kwestie alleen speelt voor het geval [eiser] een klantrelatie met een andere bank wil aangaan en deze bij [eiser] vraagt naar de beëindiging van de bankrelatie door Volksbank en de redenen daarvoor. [eiser] zegt dat een andere bank dit zal doen en Volksbank zegt van niet. Voor zover [eiser] gelijk heeft op dit punt, geldt dat hij op het punt van de valsheid in geschrift dit vonnis kan tonen, in het geval dat nodig zou zijn.

3.18.

Opzegging op “neutrale” opzeggingsgronden zou volgens [eiser] ook tot toewijzing van zijn vorderingen leiden. Die stelling is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. In 3.13 en 3.16 is al geoordeeld dat Volksbank een goede reden tot beëindiging van de bankrelatie heeft en de door partijen genoemde belangenafweging heeft in 3.7 al plaatsgevonden. Toepassing van het hier toepasselijke toetsingskader (zie 3.2) aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, leidt dus tot de conclusie dat Volksbank bevoegd is de bankrelatie met betrekking tot de bankrekeningen te beëindigen en dat de vorderingen van [eiser] op tot voortzetting daarvan zal worden afgewezen.

Pensioenproducten

3.19.

Volksbank heeft de pensioenproducten opgezegd op de grond dat de vertrouwensrelatie is geschonden doordat [eiser] verkeerde informatie heeft verstrekt over de bankrekeningen en er sprake is van belastingontduiking (zie 2.14). Alleen die laatste grond blijft overeind (zie 3.15 en 3.16).

In onderdeel III van Bijlage II van de NL IGA wordt aangegeven welke categorieën rekeningen en producten niet worden behandeld als financiële rekeningen en daarom geen rekeningen zijn die aan de VS moeten worden gerapporteerd. Volksbank heeft zelf aangevoerd dat de pensioenrekeningen onder deze uitzondering vallen, zodat dat vaststaat. Voor de pensioenproducten hoeft dus geen TIN te worden aangeleverd en met betrekking daartoe hoeft – naar de voorzieningenrechter begrijpt – dus ook geen belastingaangifte in Amerika te worden gedaan, zodat er ook geen risico van belastingontduiking in dat land bestaat, zoals bij de bankrekeningen wel het geval is.

[eiser] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in algemene zin onbetrouwbaar gebleken. Aannemelijk is immers dat zijn handelen is ingegeven door zijn gevoel van onrechtvaardigheid en frustratie over de huidige (voor hem onverwachte) regelgeving met betrekking tot het doen van belastingaangifte in Amerika door Accidental Americans en de uitvoering daarvan in Nederland. De terechte bezwaren die Volksbank tegen [eiser] heeft opgevat (leidend tot de opzegbaarheid van haar relatie met [eiser] , zoals hiervoor overwogen), moeten binnen het beperkte kader van die discussie worden gezien. Die discussie speelt echter met betrekking tot de pensioenproducten, zoals gezegd, niet en straalt ook niet op die producten af.

Daarbij komt dat de gevolgen van het beëindigen van de pensioenproducten voor [eiser] negatiever kunnen zijn dan die van beëindiging van de bankrekeningen. De tegoeden op de bankrekeningen kunnen namelijk één op één worden uitgekeerd of elders ondergebracht, terwijl er bij afkoop van een pensioenproduct een reëel risico bestaat van waardeverlies. Ook kunnen er bij onderbrenging van de pensioenproducten bij een andere maatschappij strengere voorwaarden gelden.

Dit alles maakt dat de belangenafweging met betrekking tot de pensioenproducten in het voordeel van [eiser] uitvalt. Volksbank moet deze producten continueren. Dat hoeft niet ongeclausuleerd. [eiser] heeft toegelicht, na door Volksbank geuite bezwaren, dat hij met zijn vordering tot een gebod aan Volksbank om de dienstverlening voor onbepaalde tijd voort te zetten, bedoelt dat deze niet op de huidige door Volksbank aangevoerde gronden mag worden beëindigd, maar dat dit een beroep van Volksbank op andere (wettelijke of contractuele) beëindigingsgronden in de toekomst onverlet laat. Daarom zal de voorzieningenrechter het gevorderde gebod toewijzen in de vorm van een verbod aan Volksbank tot beëindiging op de huidige gronden.

De vorderingen tegen Kifid

3.20.

[eiser] onderbouwt zijn vorderingen tegen Kifid (tot, onder meer, verwijdering van de uitspraak en het nieuwsbericht en tot rectificatie) als volgt. De uitspraak van de geschillencommissie is onjuist waar zij tot de conclusie komt dat er sprake is van valsheid in geschrift en belastingontduiking door [eiser] . [eiser] beseft dat er geen hoger beroep mogelijk is van een niet-bindend advies van de geschillencommissie, maar daarvan is hier ook geen sprake. Publicatie van een (op bepaalde punten) onjuiste uitspraak kan onrechtmatig zijn en dat is hier het geval. Door de publicatie van de uitspraak en het nieuwsbericht lijdt [eiser] schade, want – hoewel de uitspraak en het nieuwsbericht zijn geanonimiseerd – is herleidbaar dat het om hem gaat, nu hij in de publiciteit treedt om op te komen voor de belangen van de Accidental Americans. Ook is er schade doordat de Volksbank zich op de uitspraak heeft gebaseerd bij de opzegging van de bankrekeningen en de pensioenproducten. Het opheffen van de onrechtmatige situatie kan alleen door verwijdering van de gehele uitspraak en het nieuwsbericht, alles volgens [eiser] .

3.21.

De voorzieningenrechter moet – nu Kifid dit betwist heeft – allereerst de vraag beantwoorden of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen tegen Kifid. Dat is zo. [eiser] wenst immers een, in zijn ogen, onrechtmatige situatie recht te zetten en dat is naar zijn aard spoedeisend.

3.22.

De voorzieningenrechter overweegt verder als volgt. [eiser] heeft zijn geschil met de Volksbank in dit kort geding ter beoordeling aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Die gang naar de rechter stond voor hem open, in tegenstelling tot hoger beroep van het niet- bindende advies binnen de Kifid-procedure. Het advies van de geschillencommissie zelf is niet inhoudelijk beoordeeld – wat volgens Kifid ook niet is toegestaan – maar in het kader van dit kort geding is over hetzelfde geschil geoordeeld en daarmee wordt ook duidelijk of de voorzieningenrechter het eens is met dat advies. Dat is hij op het punt van de belastingontduiking (zie 3.16). Het advies van de geschillencommissie is dus op dit punt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet onjuist. Op het punt van de valsheid in geschrift, oordeelt de voorzieningenrechter anders dan de geschillencommissie (zie 3.15). Dat maakt echter niet dat publicatie van het advies van de geschillencommissie (op dit punt) onrechtmatig is. Daarvoor is nodig dat, bijvoorbeeld in verband met aperte of opzettelijke onjuistheid van het advies en de daaruit voor [eiser] voortvloeiende defamerende werking, Kifid in het licht van de maatschappelijke zorgvuldigheid die zij jegens [eiser] dient te betrachten, het advies ongepubliceerd had moeten laten. Van een dergelijke situatie is in het geheel geen sprake. De voorzieningenrechter weegt de feiten en omstandigheden deels anders dan de geschillencommissie, maar dat betekent niet dat het advies en de publicatie ervan onrechtmatig zijn.

[eiser] heeft bovendien geen belang bij zijn vorderingen tot verwijdering, rectificatie en onthouding van verdere uitlatingen. [eiser] heeft de zaak in zijn volle omvang aan de voorzieningenrechter voorgelegd en heeft dit vonnis om deels tegenover het advies van de geschillencommissie te zetten. Bovendien heeft Kifid toegezegd dat als de voorzieningenrechter in dit kort geding en/of een andere rechter in een andere procedure, anders oordeelt dan de geschillencommissie, zij een update zal plaatsen bij het nieuwsbericht over de uitspraak. Daarbij is nog daargelaten wat de betekenis is van het feit dat de uitspraak van de geschillencommissie ook publiek is geworden via de website van de advocate van [eiser] .

Proceskosten

3.23.

[eiser] heeft ten opzichte van Volksbank voor het grootste gedeelte ongelijk gekregen. Het geschil ging namelijk over de vraag of Volksbank de bankrelatie mocht beëindigen en de daarmee verband houden principiële (voor)vraag over de validiteit van de regelgeving. Op het eerste punt kreeg [eiser] gedeeltelijk ongelijk (namelijk met betrekking tot de bankrekeningen) en op het laatste punt kreeg [eiser] geheel ongelijk. Echter, deze kwestie heeft een bredere strekking dan enkel het geschil tussen [eiser] en Volksbank. Het oordeel over de validiteit van de regelgeving en de aan de niet-naleving daaraan te verbinden consequenties, kan namelijk ook van belang zijn voor andere Accidental Americans, voor andere banken en voor Volksbank ten opzichte van eventuele andere Accidental Americans dan [eiser] . De voorzieningenrechter vindt het daarom gepast om de proceskosten tussen [eiser] en Volksbank te compenseren. Dat betekent dat zij elk de eigen kosten moeten dragen.

3.24.

Met betrekking tot de vorderingen tegen Kifid, geldt dat [eiser] geheel ongelijk heeft gekregen en dat het hierboven genoemde bredere verband daar niet of veel minder geldt, nu die vorderingen zijn gebaseerd op een onrechtmatigheid ten opzichte van hem alleen. [eiser] moet daarom de proceskosten van Kifid betalen. Die kosten worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

3.25.

De door Kifid gevorderde nakosten worden toegewezen op de manier die in “De beslissing” staat.

3.26.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Hij begrijpt zeer wel de ongemakkelijke en onverwachte positie waarin de Accidental Americans zich bevinden. Daar komt bij dat onderwerp van breed maatschappelijk (internationaal) debat is of die positie (als gevolg van de in geding zijnde Amerikaanse wetgeving enerzijds en de Nederlandse of andere nationale wetgeving anderzijds) wel wenselijk is en er uit verschillende hoeken wordt aangedrongen op overleg tussen de betrokken overheden, om te bezien of voor die positie een oplossing kan worden gevonden. Dat debat en de ontwikkelingen die daardoor (mogelijk) in gang worden gezet, zijn in hoofdzaak een kwestie van politieke/wetgevende aard. Dit geding en de juridische context die de kwestie daarbinnen heeft gekregen, bieden geen ruimte om aan de wenselijkheid van dat debat en die ontwikkelingen bij te dragen. De rechter is gebonden aan het geldende recht en binnen dat kader moet het oordeel zijn zoals hiervoor overwogen, wat er verder ook van (de wenselijkheid van) de bedoelde oplossing zij.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

verbiedt Volksbank de pensioenproducten van [eiser] te beëindigen op de huidige gronden,

4.2.

compenseert de proceskosten tussen [eiser] en Volksbank, in die zin dat zij ieder hun eigen kosten dragen,

4.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Kifid tot op heden begroot op € 1.636,00,

4.4.

veroordeelt [eiser] ten aanzien van Kifid in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen – onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden – met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.1

1 MB (4209)