Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5645

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
16-132164-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man uit Benschop wordt veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie (door een koffer met een grote hoeveelheid drugs in bewaring te nemen) en het bezit van een grote hoeveelheid drugs tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, waarvan 152 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daarbij bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-132164-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020, 11 november 2020 en 9 december 2020. Op 11 november 2020 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht. Op 9 december 2020 is het onderzoek in de zaak van verdachte en de medeverdachten gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. T. Tanghe, en van hetgeen verdachte en diens raadsman, mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

in de periode van 17 juni 2013 tot en met 16 mei 2020 te Nieuwegein en/of Benschop heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet;

Feit 2

in de periode van 1 september 2019 tot en met 16 mei 2020 te Benschop samen met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid cocaïne, amfetamine, MDMA, MDA, methamfetamine en lsd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte op verschillende manieren deelgenomen aan de criminele organisatie. In de beginperiode heeft hij als vaste afnemer van harddrugs een rol in de organisatie gehad en in de laatste maanden voorafgaand aan zijn aanhouding heeft verdachte een koffer met een grote hoeveelheid harddrugs voor de organisatie bewaard. Daarbij verwijst de officier van justitie naar een arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:420), waarin de Hoge Raad oordeelt dat afnemers van softdrugs kunnen worden aangemerkt als deelnemers aan een crimineel samenwerkingsverband.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Daarbij heeft de raadsman primair aangevoerd dat verdachte geen weet had van de criminele organisatie en is geen sprake geweest van een actieve deelname. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de onder 1 ten laste gelegde periode moet worden ingekort. Het enkel afnemen van drugs valt volgens de raadsman niet onder het deelnemen aan een criminele organisatie. De deelname aan de criminele organisatie zou daarom hoogstens zijn gestart op het moment dat de koffer met harddrugs in de woning van verdachte werd geplaatst.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit vonnis zullen worden opgenomen.

Partiële vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. De rechtbank overweegt dat het enkel afnemen van (hard)drugs daartoe als (eind)gebruiker onvoldoende is. In het door de officier van justitie aangehaalde arrest betroffen de afnemers growshops die de softdrugs doorverkochten en ging het niet – zoals in het onderhavige geval - om consumenten die drugs afnamen voor eigen gebruik. De rechtbank oordeelt dat het alleen afnemen van drugs voor eigen gebruik niet een dusdanige bijdrage betreft dat van deelname aan een criminele organisatie gesproken kan worden.

Criminele organisatie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (Ow). Een organisatie in de zin van voormeld artikel is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Om van deelneming in de zin van artikel 11b Ow te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogt.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte wist van het bestaan van een criminele organisatie die als oogmerk had het handelen in drugs. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij veel bij medeverdachte [medeverdachte 1] thuiskwam en dat [medeverdachte 1] berichten kreeg van de afnemers en vervolgens de drugskoeriers aanstuurde. Medeverdachten [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] brachten vervolgens de drugs rond. Medeverdachte [medeverdachte 5] zou volgens verdachte ook wel eens drugs verpakken en drugs uit de koffer halen die op de zolder van zijn woning stond. Gelet op de verklaring van verdachte was hij zich ervan bewust wat er gaande was in de woning van [medeverdachte 1] en wist hij dat sprake was van een organisatie die het plegen van misdrijven beoogt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook zelf actief heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat hij omstreeks september of oktober 2019 de koffer met drugs van medeverdachte [medeverdachte 1] in bewaring heeft genomen. Dat betekent dat verdachte gedurende negen maanden een koffer met daarin grote hoeveelheden drugs op zijn zolder heeft bewaard in opdracht van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] , dat hij hen de gelegenheid heeft gegeven om wekelijks drugs uit deze koffer te halen en deze koffer aan te vullen. Deze drugs, zo wist ook verdachte, waren bestemd voor de handel van [medeverdachte 1] en de andere medeverdachten. De rechtbank beschouwt dit dan ook als deelnemingshandelingen, nu het handelingen betreft die in direct verband staan met het oogmerk van de organisatie. Dat zijn rol kleiner was dan die van de medeverdachten, is een omstandigheid die bij de strafoplegging wordt meegenomen, maar aan de bewezenverklaring niet afdoet. Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deel heeft genomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hard- en softdrugs. De periode die bewezenverklaard wordt, start derhalve vanaf het moment dat hij de koffer in bewaring nam.

Aanwezig hebben van harddrugs

In de koffer die op de zolder van verdachte stond, is een kleine 6 kilogram aan vermoedelijk harddrugs aangetroffen. Niet al deze goederen zijn door het NFI getest. De rechtbank zal in de bewezenverklaring dan ook alleen uitgaan van de drugs die wel getest is (cocaïne en MDMA).

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1

omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 16 mei 2020 te Benschop (gemeente Lopik), heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid Opiumwet door voor die organisatie een grote hoeveelheid, verschillende soorten harddrugs in bewaring te nemen;

Feit 2

omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 16 mei 2020 te

Benschop (gemeente Lopik), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid cocaïne en pillen bevattende MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid van de Opiumwet;

Feit 2

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 200 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 152 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsrapport van 16 juni 2020;

- een taakstraf van 150 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt om een lagere straf op te leggen dan geëist is door de officier van justitie, gelet op de door de raadsman bepleitte (partiële) vrijspraak voor feit 1. De raadsman acht de eis van de officier van justitie redelijk indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt voor beide feiten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft gedurende enkele maanden een koffer met daarin een grote hoeveelheid harddrugs – bijna 6 kilogram – in bewaring genomen op zijn zolder en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die handelde in drugs. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van hard- en softdrugs veroorzaken. Daarbij is van belang dat harddrugs vaak sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelwijze bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat de handel in drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit en ondermijning van de samenleving. Uit dit onderzoek blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] aanvankelijk een drugsvoorraad in zijn eigen huis bewaarde, maar dat hij daarvan door andere criminelen is beroofd. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts gehandeld uit eigen belang en om in zijn drugsverslaving te voorzien.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is voor een opiumwetfeit. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 oktober 2020. Hieruit volgt dat bij verdachte cognitieve beperkingen zijn vastgesteld, alsmede beperkingen in het overzien van de consequenties van zijn keuzes, een onveilige hechting, beïnvloedbaarheid en gevoeligheid voor beloningsfactoren zoals de mogelijkheid tot ’snel geld’ en middelengebruik. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

De straf

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. Deze oriëntatiepunten nemen voor het aanwezig hebben van 5000-6000 gram harddrugs, rekening houdende dat sprake was van een organisatie, als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank ziet echter aanleiding in de persoonlijke omstandigheden van verdachte om hiervan sterk af te wijken. Zoals uit het reclasseringsrapport is gebleken, is het voor verdachte lastig om de gevolgen van zijn keuzes te overzien en is hij enorm beïnvloedbaar. Bovendien was verdachte verslaafd aan drugs en had hij een beperkt inkomen. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat deze factoren hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de bewezenverklaarde feiten. Hoewel verdachte zeker een verwijt valt te maken, lijkt het er sterk op dat medeverdachten misbruik hebben gemaakt van zijn kwetsbaarheid. In positieve zin neemt de rechtbank mee dat verdachte vrij snel volledige openheid van zaken heeft gegeven en dat hij heeft laten zien gemotiveerd te zijn om hulp aan te nemen zodat hij in de toekomst dergelijke keuzes niet meer zal maken. Ook op zitting heeft verdachte openheid van zaken gegeven, terwijl hij heeft laten weten dat er op hem – ook kort voor de zitting - druk is uitgeoefend om zijn verklaring bij te stellen. Dat verdachte niettemin volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, ziet de rechtbank als een belangrijke strafverminderende omstandigheid. Verdachte is reeds gestart met de hulpverlening in het kader van zijn schorsingsvoorwaarden. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet opportuun om verdachte terug te sturen naar de gevangenis, ondanks dat de ernst van de feiten op zich dit zeker zouden rechtvaardigen.

Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Hoewel de rechtbank tot een korte bewezenverklaarde periode komt voor feit 1, is de geëiste straf nog steeds aanzienlijk lager dan het voornoemde oriëntatiepunt van de LOVS. De rechtbank acht het verder noodzakelijk dat verdachte een flinke stok achter de deur heeft om hem ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Om de ernst van het feit te benadrukken – verdachte is een onmisbare schakel geweest - acht de rechtbank het passend om daarbij ook een taakstraf op te leggen.

9 BESLAG

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de geldbedragen, de drugs en de telefoons die voor het dealen zijn gebruikt, verbeurd worden verklaard of worden onttrokken aan het verkeer. De overige voorwerpen die in beslag zijn genomen kunnen worden teruggeven aan verdachte.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over het beslag.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de verdovende middelen (genummerd 1 tot en met 12, 14 tot en met 23 en 25 op de beslaglijst) onttrekken aan het verkeer. Nu deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van het onder 2 bewezen geachte en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank zal de in beslag genomen zakjes (genummerd 13 en 24) en de koffer (genummerd 29) verbeurd verklaren. Nu met behulp van deze voorwerpen het onder 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Het telefoontoestel (genummerd 26), de administratie (genummerd 27) en de huistelefoon (genummerd 28) zullen worden teruggeven aan verdachte.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2, 10 en 11b Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 200 (tweehonderd) dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 152 (honderdtweeënvijftig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich meldt binnen één werkdag na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres: Zwarte Woud 2, 3524 SJ Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis en speed om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

* zich inzet om een zinvolle en passende dagbesteding te verkrijgen en behouden;

* op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (vijfenzeventig) dagen;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

1. 1 STK Pil

2. 1 STK Verdovende middelen

3. 1 STK Verdovende middelen

4. 1 STK Verdovende middelen

5. 1 STK Verdovende middelen

6. 1 STK Verdovende middelen

7. 1 STK Pil

8. 104 STK Pil

9. 104 STK Pil

10. 1 STK Poeder

11. 1 STK Verdovende middelen

12. 1 STK Verdovende middelen

14. 1 STK Verdovende middelen

15. 1 STK Verdovende middelen

16. 1 STK Verdovende middelen

17. 1 STK Pil

18. 1 STK Pil

19. 1 STK Pil

20. 1 STK Verdovende middelen

21. 1 STK Verdovende middelen

22. 1 STK Verdovende middelen

23. 1 STK Verdovende middelen

25. 1 STK Verdovende middelen

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

13. 1 STK Zakje

24. 1 STK Zak

29. 1 STK Koffer

- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:

26. 1 STK Telefoontoestel

27. 1 STK Administratie

28. 1 STK Huistelefoon

Voorlopige hechtenis

- heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. G. Schnitzler en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E. Rasink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 december 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2013 tot en met 16 mei 2020 te

Nieuwegein en/of Benschop (gemeente Lopik),

althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten

(onder andere): verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als

bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid

en/of 11a Opiumwet

door (onder meer) voor die organisatie / dat samenwerkingsverband dan wel voor

een of meer deelnemers aan die organisatie / dat samenwerkingsverband een

grote hoeveelheid, althans een hoeveelheid, (verschillende soorten) harddrugs in

bewaring te nemen, althans op de zolder/vliering van zijn woning op te slaan dan

wel te bewaren, en/of door gedurende voornoemde periode structureel, althans

meermalen, tegen betaling, althans tegen vergoeding dan wel wederdienst,

(verschillende soorten) harddrugs en/of softdrugs af te nemen;

( art 11b lid 1 Opiumwet )

Feit 2

hij in of omstreeks de peridoe van 1 september 2019 tot en met 16 mei 2020 te

Benschop (gemeente Lopik),

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens)

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

een (grote) hoeveelheid

- cocaïne,

- pillen bevattende amfetamine, MDMA, MDA,

- metamfetamine en/of

- zegels/vellen bevattende lsd (lysergide),

zijnde cocaïne, amfetamine, MDMA, MDA, metamfetamine en/of lsd (lysergide)

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek

van Strafrecht )