Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5636

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
03-01-2022
Zaaknummer
8159825
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6:96 lid 2 BW. Vordering tot betaling buitengerechtelijke kosten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0069
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8159825 UC EXPL 19-12337 AW/35832

Vonnis van 23 december 2020

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. [A] ,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen ASR,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J. van Ittersum.

1 De procedure

[eiseres] heeft ASR gedagvaard en een vordering ingesteld. ASR heeft hierop gereageerd in een conclusie van antwoord. De aanvankelijk geplande mondelinge behandeling kon niet doorgaan in verband met de maatregelen rondom COVID-19. Op verzoek van partijen is er uiteindelijk schriftelijk verder geprocedeerd. [eiseres] heeft nog een conclusie van repliek genomen waar ASR in een conclusie van dupliek op heeft gereageerd. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten en het geschil

2.1.

[eiseres] is op 6 september 2017 in haar auto aangereden door een verzekerde van ASR die haar ten onrechte geen voorrang verleende. ASR heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Op 19 september 2017 heeft ASR de voertuigschade ten bedrage van € 950,00 vergoed. Daarnaast werd op dezelfde datum een voorschot van € 550,00 betaald onder algemene titel ten aanzien van de door [eiseres] geleden letselschade.

2.2.

Medio december 2017 heeft [eiseres] mr. [A] van [naam advocatenkantoor] BV (hierna: [naam advocatenkantoor] ) ingeschakeld om haar belangen te behartigen en [naam advocatenkantoor] heeft in opdracht van [eiseres] werkzaamheden verricht. Voor die werkzaamheden is in totaal een bedrag van € 13.778,10 bij ASR in rekening gebracht.

2.3.

Uiteindelijk is er op 10 mei 2019 tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen waarin de door [eiseres] geleden letselschade is vastgesteld op een bedrag van in totaal € 20.000,00. De door [naam advocatenkantoor] aan ASR gedeclareerde buitengerechtelijke kosten maken daar geen deel van uit. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de door ASR te betalen buitengerechtelijke kosten.

2.4.

[eiseres] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat ASR tot op heden een bedrag van € 9.000,00 aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald en gehouden is haar nog een bedrag van € 4.778,10 aan openstaande buitengerechtelijke kosten te betalen. Daartoe voert zij onder meer aan dat het gelet op het letsel en de arbeidsomstandigheden van [eiseres] een complexe zaak betrof, de (trage) handelwijze en veelvuldige wisseling van schadebehandelaar bij [eiseres] tot veel vragen heeft geleid die door de belangenbehartiger moesten worden beantwoord en ASR alle facturen van in totaal € 13.778,10 bovendien zonder protest heeft behouden.

2.5.

ASR stelt zich op het standpunt dat zij reeds een bedrag van € 10.000,00 aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald en daarmee aan haar verplichtingen jegens [eiseres] heeft voldaan. Het meerdere voldoet volgens ASR niet aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daartoe voort zij onder meer aan dat het een eenvoudige en overzichtelijke zaak betreft en het daarom niet aannemelijk is dat de bijna 40 declarabele uren die door [naam advocatenkantoor] in rekening gebracht, ook daadwerkelijk aan deze zaak zijn besteed. Zo kan ASR de 184 door [naam advocatenkantoor] opgegeven correspondentieverrichtingen (84% van het totale aantal verrichtingen) niet herleiden tot het dossier en ziet zij evenmin in dat en waarom het is deze zaak nodig was 108 maal met [eiseres] te moeten communiceren. Als er daadwerkelijk 40 declarabele uren aan deze zaak zouden zijn besteed, stelt ASR dat dit in buitenproportionele verhouding staat tot (i) de aard en de complexiteit van de zaak en (ii) de omvang van de schade.

3 De beoordeling

3.1.

De vordering van [eiseres] moet worden beoordeeld in de sleutel van artikel 6:96 lid 2 BW. Daar is geregeld dat de redelijke kosten ter vaststelling van schade en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (ook) als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. ASR is ten opzichte van [eiseres] aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval van 6 september 2017. ASR moet haar de schade die zij door dat ongeval lijdt vergoeden en de kosten die zij maakt voor rechtsbijstand behoren tot die schade, maar alleen voor zover die kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt.

3.2.

De kantonrechter is van oordeel dat het vanzelfsprekend redelijk is dát [eiseres] in deze zaak kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte heeft gemaakt, maar dat de omvang van deze kosten ten bedrage van in totaal € 13.778,10 in deze zaak niet meer redelijk te noemen is. Daarbij is allereerst van belang dat het een (in juridisch opzicht) overzichtelijke zaak betreft naar aanleiding van een relatief eenvoudig verkeersongeval waarbij de aansprakelijkheid reeds was erkend op het moment dat mr. [A] werd ingeschakeld. De schadeafwikkeling van een dergelijke kwestie zal doorgaans geen 40 uur (tegen een uurtarief van € 245,00 vermeerderd met 6% kantoorkosten) in beslag hoeven nemen. [eiseres] heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die rechtvaardigen dat dat in deze specifieke zaak wel nodig is geweest. Dat had na de door ASR in haar conclusie van antwoord naar voren gebrachte bedenkingen en bezwaren wel voor de hand gelegen.

3.3.

ASR wijst er terecht op dat het overgrote deel van de door [naam advocatenkantoor] gedeclareerde tijd betrekking heeft op correspondentieverrichtingen waarbij een toelichting en onderbouwing op de aard en inhoud daarvan grotendeels ontbreekt. Bovendien ziet 50% van de gedeclareerde tijd op correspondentie en contact met [eiseres] . Namens [eiseres] is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarop deze contacten betrekking hadden en waarom deze nodig waren voor een doelmatige behandeling van haar dossier. Daarbij is van belang dat voor het uitvoeren van eenvoudige(re) administratieve werkzaamheden niet zonder meer een uurtarief van € 245,00 in rekening gebracht kan worden en voor het informeren van cliënten door hen (in de cc of bcc) in te kopiëren in berichten aan de wederpartij of derden, niet iedere keer 6 minuten à € 24,50 in rekening gebracht kan worden. Al met al kan de kantonrechter niet vaststellen dat alle door [naam advocatenkantoor] opgevoerde buitengerechtelijke kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

3.4.

Vanzelfsprekend moeten ook in relatief eenvoudige zaken of zaken met een relatief gering procesbelang, de belangen van de benadeelde adequaat behartigd kunnen worden. Het is daarbij ook juist dat als uiteindelijk een beperkt (of zelfs geen) bedrag aan schade hoeft te worden vergoed, dat niet betekent dat kosten van rechtsbijstand niet redelijk waren of niet in redelijkheid zijn gemaakt. Dit mag er evenwel niet toe leiden dat belangenbehartigers dit uitgangspunt aangrijpen om de professionele wederpartij op kosten te jagen door – kort gezegd – onnodig veel correspondentie op te voeren. Het is zeker ook geen regel dat artikel 6:96 BW geen bovengrens kent en een verzekeraar dus onbeperkt álle gemaakte buitengerechtelijke kosten moet voldoen. Een professioneel belangenbehartiger (zoals een advocaat) dient zorg te dragen voor een efficiënte tijdsbesteding die leidt tot een redelijke verhouding tussen de schadeomvang en de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten.

3.5.

Op grond van het voorgaande kan niet geoordeeld worden dat – naast de reeds door ASR betaalde kosten van rechtsbijstand van (tenminste) € 9.000,00 – de door [eiseres] gevorderde aanvullende buitengerechtelijke kosten van € 4.778,10 redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.

3.6.

Omdat [eiseres] geen gelijk heeft gekregen, moet zij de proceskosten van ASR betalen. Deze kosten worden begroot op € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00) voor het salaris van haar gemachtigde. In de proceskostenveroordeling ligt een veroordeling tot vergoeding van de nakosten volgens de gebruikelijke forfaitaire tarieven besloten.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ASR, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

4.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wilken, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.