Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5631

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
12-11-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5293
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK; intrekking en terugvordering van bijstand. Internethandel. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5293

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.D.F.V. Hein),

en

het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug, verweerder

(gemachtigde: mr. V.V. Tuchkova).

Inleiding en procesverloop

Eiseres ontvangt sinds 21 april 2004 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet

(Pw).

Naar aanleiding van een signaal van 5 maart 2019 van de Belastingdienst over mogelijke zwarte inkomsten van eiseres uit handel, heeft verweerder in april 2019 een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende uitkering gestart. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, een gesprek met eiseres, het opvragen van stukken bij eiseres en het doen van internetonderzoek. Dit internetonderzoek betrof het raadplegen van verschillende social media en het opvragen van gegevens bij Marktplaats.nl.

Op grond van de bevindingen van zijn onderzoek heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken, omdat eiseres haar inlichtingenplicht op grond van de Pw heeft geschonden.

Bij besluit van 1 juli 2019 (primair besluit 1) heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 1 maart 2019.

Bij besluit van 8 augustus 2019 (primair besluit 2) heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken over de periode van 17 mei 2007 tot 1 maart 2019.

Eiseres is het met deze besluiten niet eens en heeft hiertegen op 9 juli 2019 en

15 augustus 2019 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 14 november 2019 (bestreden besluit). Wel heeft verweerder de periode waarover wordt ingetrokken herzien. Verweerder heeft het recht op bijstand ingetrokken over de volgende perioden:

- van 17 mei 2007 tot en met 31 mei 2007;

- van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007;

- van 1 september 2007 tot en met 30 september 2007;

- van 1 november 2007 tot en met 31 januari 2008

- van 1 september 2008 tot en met 31 december 2008

- van 1 maart 2009 tot en met 31 maart 2009;

- van 1 mei 2009 tot en met 31 mei 2009;

- van 1 juli 2009 tot en met 31 juli 2009;

- vanaf 1 september 2009.

Verder heeft verweerder in het bestreden besluit het bezwaar tegen de terugvordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat over de terugvordering nog geen besluit was genomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat het beroep zich niet richt tegen het bestreden besluit voor zover daarin het bezwaar tegen de terugvordering niet-ontvankelijk is verklaard.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, voor zover daartegen in beroep wordt opgekomen, ten grondslag gelegd dat het recht van eiseres op bijstand niet is vast te stellen. Eiseres heeft op geld waardeerbare activiteiten verricht door een aanzienlijk aantal advertenties op Marktplaats te plaatsen. Aldus heeft eiseres goederen en diensten aangeboden. Gelet op de aard en omvang van deze activiteiten is er geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen, maar van op geld waardeerbare activiteiten in de vorm van internethandel. Eiseres heeft van deze handel geen administratie kunnen overleggen, zodat het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, was vast te stellen. Voor wat betreft de periodes voor 2010, waarover verweerder primair besluit 2 heeft herzien, overweegt verweerder dat de omvang van de handel in die periode niet zodanig was, dat het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden. Om die reden heeft verweerder alleen over de maanden waarin eiseres activiteiten verrichtte, te weten dat zij advertenties plaatste, het recht op bijstand ingetrokken.

3.1

Eiseres heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Zij heeft geen handel gedreven en (dus) ook geen inkomen gehad uit handelsactiviteiten. De moeder van eiseres verkoopt kleding en zelfgemaakte frontriemen op Marktplaats. Eiseres heeft haar daarbij geholpen door een account op Marktplaats aan te maken. Eiseres heeft geen contact met kopers gehad. Het contact en de betalingen verliepen via haar moeder. Het aandeel van eiseres in de activiteiten is zeer gering geweest. Haar activiteiten kunnen niet worden gekwalificeerd als op geld waardeerbare activiteiten. Eiseres hielp slechts haar moeder, zonder de opzet of de intentie te hebben gehad om bijstandsfraude te plegen. De moeder van eiseres heeft geen administratie bijgehouden van de activiteiten. Eiseres kan dus ook geen administratie overleggen. Bovendien verlangt verweerder administratie van 13 jaar geleden, dat overschrijdt alle redelijke bewaringstermijnen. Daarnaast is het goed mogelijk dat bij de advertenties dubbeltellingen hebben plaatsgevonden.

3.2

Over het scheren van paarden heeft eiseres aangevoerd dat zij dit slechts een beperkt aantal keer bij paarden van vriendinnen heeft gedaan. Eiseres heeft hiervoor hooguit enkele tientallen euro’s gekregen.

3.3

Over de verhuur van de paardentrailer heeft eiseres verklaard dat de trailer van haar vader was. De trailer is inmiddels verkocht en is in de vijf jaar voorafgaand aan de verkoop niet verhuurd. Dat het telefoonnummer van eiseres bij de advertentie werd vermeld, kwam omdat haar vader op dat moment geen mobiele telefoon had.

3.4

Voor zover al van op geld waardeerbare activiteiten moet worden gesproken, waren deze volgens eiseres qua omvang zeer beperkt en staan deze niet in verhouding tot het niet meer verstrekken en terugvorderen van de gehele bijstand over de in geding zijnde perioden. Bovendien is het niet billijk om tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan over een periode zo ver in het verleden.

4. De rechtbank stelt vast dat aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd dat volgens verweerder sprake is van handel, omdat eiseres op verschillende plaatsen, onder andere op Marktplaats, in een aanzienlijk aantal advertenties goederen en diensten aanbood. Verweerder heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. De gronden van eiseres die gaan over de vraag of zij al dan niet inkomsten uit het scheren van paarden of het verhuren van de paardentrailer heeft gehad, richten zich dan ook niet tegen overwegingen in het bestreden besluit. Al om die reden kunnen deze beroepsgronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

5. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder dat eiseres op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht in de vorm van internethandel. Uit het onderzoek is gebleken dat over de periode van 17 mei 2007 tot en met 3 april 2019 in totaal 87.126 advertenties op Marktplaats heeft geplaatst, met een totale vraagprijs van € 728.230,15. De advertenties op Marktplaats werden aangeboden via het account van eiseres. Ook adverteerde eiseres op haar eigen facebookpagina ( [facebookpagina] ) en haar eigen website ( [website] ). Eiseres heeft niet betwist dat deze pagina en website van haar zijn.

6. De beroepsgrond dat eiseres slechts advertenties voor haar moeder op Marktplaats heeft geplaatst, slaagt niet. Eiseres heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waarmee zij deze stelling heeft kunnen onderbouwen. Een verklaring van haar ouders zal in dit verband niet toereikend zijn, omdat die geen objectief en verifieerbaar bewijs vormt. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan het bewijsaanbod van eiseres, dat inhoudt dat haar ouders bereid zijn een verklaring af te leggen. Eiseres is er aldus niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de advertenties op haar account door iemand anders of voor iemand anders zouden zijn geplaatst. Dat de advertenties vanaf verschillende servers en met verschillende ip-adressen zijn geplaatst, is op zich onvoldoende om aan te nemen dat dit niet door eiseres via haar account is gedaan.

7. Gelet op het grote aantal advertenties en de aard van de te koop aangeboden goederen, ging het niet om incidentele verkoop van privégoederen, maar om handel waarmee eiseres geld kon verdienen. Dat eiseres erop heeft gewezen dat met betrekking tot de advertenties sprake kan zijn van dubbeltellingen, maakt dit niet anders. Dat advertenties mogelijk herhaald zijn en in verschillende rubrieken hebben gestaan, doet niet af aan de vaststelling dat geen sprake was van incidentele verkoop. Die herhaling past ook juist bij de vaststelling dat sprake was van handel.1Ook de stelling dat eiseres geen inkomsten heeft genoten uit handel, maakt dit niet anders. Relevant is namelijk of iemand werkzaamheden heeft verricht waar normaliter een beloning tegenover staat of waarvoor redelijkerwijs een beloning kan worden bedongen. Gelet op het aantal en de structurele aard van de advertenties, is dat laatste hier aan de orde.

8. Aan eiseres had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze handelsactiviteiten van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Door hierover aan verweerder geen mededeling te doen, heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden.

9. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde. Het is dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenplicht had voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand had gehad.2

10. Eiseres is daarin niet geslaagd, nu enige administratie met betrekking tot de geplaatste advertenties, de reacties daarop en de opbrengst van de verkopen ontbreekt. Van eiseres mocht verwacht worden dat zij op de één of andere manier administratie kon overleggen. Het gaat immers om informatie die zij al in een veel eerder stadium bij verweerder had moeten melden. Het risico dat een eventueel aanvullend recht op bijstand nu niet meer vastgesteld kan worden, komt voor rekening van eiseres. Omdat zij geen administratie heeft overgelegd, bestaat er geen volledig beeld van de geldstromen die hebben plaatsgevonden met de verkoop van goederen via Marktplaats, Facebook en de website van eiseres. Hierdoor kan geen goede en betrouwbare reconstructie worden gemaakt van (mogelijke) inkomsten van eiseres uit de activiteiten en kunnen die inkomsten ook niet schattenderwijs worden vastgesteld.

11. Uit wat hiervoor staat, volgt dat het recht op bijstand niet meer kon worden vastgesteld als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht door eiseres. Dit betekent dat verweerder het recht op bijstand terecht heeft ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid van de Pw.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzitter, en mr. J.A. Schuman en mr. M.N. Noorman, leden, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2020 en zal worden openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier is niet in de gelegenheid de voorzitter

om deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:942) en van 5 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3513).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2168).