Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5615

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3799
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar. Omgevingsvergunning voor vervangen van twee bedrijfsruimten. Gebonden beschikking. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3799

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] en 25 andere buurtbewoners 1, te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. B. van Eijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder

(gemachtigde: G. de Josselin).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: [A] .

Inleiding

1. Verzoekers wonen aan de [adres 1] dan wel aan de [adres 2] in [plaats] , in de omgeving van [perceel] (het perceel). Van dit perceel is [A] de eigenaar. Op dat perceel staan twee bedrijfsruimten, een loods en een werkplaats. [A] wil ten behoeve van derde-partij [bedrijf] B.V. (vergunninghouder) de bestaande bedrijfsruimten vervangen. Een van de nieuw op te richten bedrijfsruimten wordt 10 meter hoog (gebouw 1). Daarin wil hij een werkplaats, een showroom en kantoorruimte realiseren. In de andere bedrijfsruimte van 7.25 m hoog (gebouw 2) komen een werkplaats en parkeervoorzieningen. [A] heeft daartoe namens vergunninghouder op 20 maart 2020 bij verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend.

2. Verweerder heeft op 27 juli 2020 conform de aanvraag een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van de twee bedrijfsruimten op het perceel (het bestreden besluit).

3. Verzoekers hebben bij twee afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. Namens verzoekers zijn verschenen [verzoeker 5] , [verzoeker 9] en [verzoeker 13] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [B] . Vergunninghouder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Met hem is meegekomen [C] , architect.

Spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Verweerder heeft laten weten dat het nog enige tijd duurt voordat er een besluit zal worden genomen op de bezwaren van verzoekers. Vergunninghouder is nog niet met de bouwwerkzaamheden gestart, maar wil daarmee – na de sloop van de bestaande bedrijfsruimten - beginnen zodra hij vanuit de gemeente daarvoor toestemming krijgt. Hij is niet bereid om te wachten met de bouwwerkzaamheden totdat verweerder een besluit op de bezwaren heeft genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee sprake van voldoende spoedeisend belang bij het verzoek.

Het karakter van deze uitspraak

6. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet (volledig) in stand kan blijven. Hierbij beperkt de voorzieningenrechter zich tot een beoordeling op hoofdlijnen van de kans van slagen van het bezwaarschrift. Daarna zal zij afwegen of de belangen van verzoeker om het bestreden besluit te schorsen al dan niet zwaarder wegen dan de belangen van verweerder (en vergunninghouders) bij instandlating van het besluit. Daarbij geldt dat, hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.

Het toetsingskader

7. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’. In dat geval is artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het toepasselijke toetsingskader. Dit toetsingskader komt er, kort gezegd, op neer dat verweerder de omgevingsvergunning alleen toetst aan het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit en de bouwverordening. Deze vier toetsingsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dat houdt in dat verweerder de omgevingsvergunning móet weigeren als het bouwplan in strijd is met één of meer van deze toetsingsgronden en dat verweerder de omgevingsvergunning móet verlenen als géén sprake is van strijd met deze toetsingsgronden. Indien dat laatste het geval is, staat het verweerder niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren en zal verweerder aan een belangenafweging (waaronder de belangen van verzoeker) dus niet kunnen toekomen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet in strijd is met één van de toetsingsgronden.

De beoordeling van het verzoek

De rechtmatigheid van het bestreden besluit

8. Verzoekers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan ‘Maarssendorp Woongebied (het bestemmingsplan)’. Ook is het bouwplan volgens verzoekers in strijd met het Bouwbesluit en voldoet het niet aan de redelijke eisen van welstand.

Het bestemmingsplan

9. Verzoekers stellen allereerst dat een van de bedrijfsruimten (gebouw 1) langer en in oppervlakte dus groter wordt dan is toegestaan op grond van het bestemmingsplan.

10. Vergunninghouder heeft ter zitting toegelicht dat met het bouwplan is bedoeld om de nieuwe bedrijfsruimte op de oude fundering te zetten en binnen de grenzen van de bestaande betonvloer en dat het verschil in lengte tussen de bestaande bedrijfsruimte en de nieuwe bedrijfsruimte het gevolg is van het feit dat de wanden van de bestaande bedrijfsruimte ten opzichte van de fundering iets naar binnen staan en de wanden van de nieuwe bedrijfsruimte aan de uiterste rand van de fundering worden geplaatst. Verweerder heeft verklaard dat het bouwplan ook op deze wijze is vergund. Verzoekers hebben ter zitting aangegeven dat als de nieuwe bedrijfsruimte inderdaad op deze manier wordt gerealiseerd, er op dit punt geen strijdigheid is met het bestemmingsplan.

11. Mede gelet op de toelichting van vergunninghouder ter zitting heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten dat de nieuwe bedrijfsruimte (gebouw 1) niet op de bestaande fundering komt en in oppervlakte groter wordt dan de bestaande bedrijfsruimte. De overgelegde bouwtekeningen wijzen daar ook niet op. Het bouwplan is op dit punt niet in strijd met het bestemmingsplan. In geval zou blijken dat de nieuwe bedrijfsruimte toch groter is gerealiseerd dan uit de bouwtekeningen valt af te leiden, is dat een handhavingskwestie.

12. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan de parkeernormen, zoals voorgeschreven in artikel 5.4 van het bestemmingsplan.

13. Op grond van artikel 5.4 van het bestemmingsplan moet het aantal te realiseren parkeerplaatsen worden vastgesteld aan de hand van de bijlage ‘Parkeernormen’. Ter zitting heeft verweerder aan de hand van deze bijlage toegelicht hoe het aantal benodigde parkeerplaatsen (8) is berekend. Verzoekers hebben ter zitting verklaard er vanuit te gaan dat deze berekening klopt.

14. De voorzieningenrechter kan de berekening van verweerder volgen en vindt dat verweerder daarmee genoegzaam heeft onderbouwd dat aan de geldende parkeernorm wordt voldaan. Het bestreden besluit is ook op dit punt rechtmatig.

15. In de bezwaargronden hebben verzoekers naar voren gebracht te betwijfelen of de gebruiksfunctie van de showroom wel valt onder de definitie van ‘bedrijf’, zoals bedoeld in artikel 1 sub 13 van het bestemmingsplan. Ter zitting hebben verzoekers verklaard dit aspect niet in het kader van dit verzoekschrift naar voren te willen brengen. De voorzieningenrechter bespreekt dit punt daarom niet.

Het Bouwbesluit

16. Verzoekers stellen dat het bouwplan waarschijnlijk niet voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit omdat de aanvraag ziet op het gedeeltelijk vervangen van twee bedrijfsruimten terwijl feitelijk sprake is van het geheel vernieuwen van de bestaande bedrijfsruimten. Verzoekers wijzen erop dat het Bouwbesluit verschillende vereisten kent voor nieuwbouw, gedeeltelijk vernieuwen en gedeeltelijk vervangen.

17. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat sprake is van nieuwbouw van bedrijfsruimten en dat het bouwplan is getoetst aan de nieuwste en meest verstrekkende vereisten uit het Bouwbesluit 2012. Omdat verzoekers verder niet hebben geconcretiseerd aan welke vereisten uit het Bouwbesluit het bouwplan niet zou voldoen, ziet de voorzieningenrechter geen reden om aan te nemen dat niet aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan.

18. Verzoekers betwijfelen of de bestaande funderingen sterk genoeg zijn om de nieuwe bedrijfsruimten te kunnen dragen. Verweerder heeft toegelicht dat vergunninghouder bij de aanvraag een berekening van de draagkracht van de funderingen heeft overgelegd, dat die berekening is getoetst en akkoord is bevonden. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding te twijfelen aan de overgelegde berekeningen en de conclusies daaruit over de draagkracht van de funderingen. Verzoekers hebben daar geen (eigen) andersluidende berekeningen tegenover gesteld. De voorzieningenrechter vindt hierbij van belang dat verweerder, zoals ook toegelicht ter zitting, ter extra zekerheid in de omgevingsvergunning heeft opgenomen dat er (na de sloop van de bestaande bedrijfsruimten) nog een definitieve berekening moet worden gemaakt van de draagkracht van de funderingen en dat verweerder vervolgens een termijn van drie weken heeft om die berekeningen te beoordelen. Met de bouwwerkzaamheden mag pas worden gestart als ook deze berekeningen akkoord zijn bevonden door verweerder.

19. Verzoekers hebben naar voren gebracht dat nader grondonderzoek naar de fundering nodig is waarbij werkzaamheden dieper dan 0.3 m onder het maaiveld moeten worden verricht, waardoor gehandeld wordt in strijd met artikel 27.2 sub b, van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter overweegt dat nader grondonderzoek pas nodig is als uit de definitieve berekeningen zou blijken dat er twijfel is over de draagkracht van de funderingen. Er ontstaat dan een nieuwe situatie, waarover verweerder ter zitting heeft verklaard dat er niet mag worden gebouwd. Dus ook hierin is geen reden gelegen het bestreden besluit onrechtmatig te achten.

Welstand

20. Verzoekers voeren verder aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de redelijke eisen van welstand. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij een advies overgelegd van 27 november 2020 van de Commissie voor Second Opinions van Mooi Noord-Holland. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op het positieve welstandsadvies van 17 juli 2020 van Mooisticht.

21. In geval een bouwplan in overeenstemming is met het van toepassing zijnde bestemmingsplan moet in het welstandsadvies worden uitgegaan van wat het bestemmingsplan toestaat. Dat betekent in dit geval dat het welstandsadvies geen betrekking kan hebben op de omvang en grootte van de bedrijfsruimten. Wel kunnen aspecten als gevelbekleding, raamindeling en kleur in de welstandstoets worden betrokken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven die aspecten in de bezwaarprocedure te zullen betrekken en aan de welstandscommissie voor te leggen. De voorzieningenrechter ziet hierin dan ook geen reden voor schorsing van het bestreden besluit.

22. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bouwplan niet in strijd met één van de vier toetsingsgronden uit artikel 2.10, eerste lid van de Wabo, zodat de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend.

Aan bespreking van overige bezwaargronden komt de voorzieningenrechter daarom niet toe.

De belangenafweging

23. Verzoekers voeren aan dat hun belang bij schorsing van het bestreden besluit moet worden gezocht in de onomkeerbare situatie die ontstaat als met de bouw wordt gestart.

24. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de omgevingsvergunning rechtmatig verleend, zodat er voor de voorzieningenrechter minder ruimte bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening op grond van de belangen van verzoekers.

Van een onomkeerbare situatie is strikt genomen geen sprake. Gelet op het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend en op het belang van verweerder en vergunninghouder bij instandlating van het bestreden besluit, legt het belang van verzoekers onvoldoende gewicht in de schaal. De voorzieningenrechter acht hierbij met name ook van belang dat het bestemmingsplan bedrijfsruimten van de omvang en massa, zoals in het bestreden besluit is vergund, op het perceel mogelijk maakt.

Conclusie

25. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op15 december 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

[verzoeker 3] en [verzoeker 4]

[verzoeker 5] en [verzoeker 6]

[verzoeker 7]

[verzoeker 8]

[verzoeker 9] en [verzoeker 10]

[verzoeker 11] en [verzoeker 12]

[verzoeker 13] en [verzoeker 14]

[verzoeker 15] en [verzoeker 16]

[verzoeker 17]

[verzoeker 18]

[verzoeker 19] en [verzoeker 20]

[verzoeker 21]

[verzoeker 22] en [verzoeker 23]

[verzoeker 24] en [verzoeker 25]

[verzoeker 26] en [verzoeker 27]

1 zie de bijlage bij de uitspraak