Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5609

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
16/101103-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 38-jarige man is veroordeeld voor het (tweemaal) medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/101103-20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 december 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. F.E. van der Zee en van hetgeen de raadsman van verdachte, mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat te Utrecht, namens verdachte, alsmede hetgeen mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort, namens de benadeelde partijen naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de terechtzitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: Primair, op 4 april 2020 te Amersfoort heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen in vereniging door hem met een golfstick tegen het hoofd/lichaam te slaan en/of tegen het hoofd te schoppen en/of in het gezicht te stompen en/of een kopstoot te geven;

Subsidiair, op 4 april 2020 te Amersfoort [slachtoffer 1] heeft mishandeld in vereniging door hem met een golfstick tegen het hoofd/lichaam te slaan en/of tegen het hoofd te schoppen en/of in het gezicht te stompen en/of een kopstoot te geven en/of te duwen/trekken;

Feit 2: Primair, op 4 april 2020 te Amersfoort heeft geprobeerd [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen in vereniging door haar in het gezicht/tegen het hoofd te schoppen;

Subsidiair, op 4 april 2020 te Amersfoort openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] door haar in het gezicht/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen met voet en/of knie en/of vast te pakken en/of op de grond te gooien en/of te duwen en/of aan de haren te trekken en/of te steken/raken van het gezicht met een mes;

Meer subsidiair, op 4 april 2020 te Amersfoort [slachtoffer 2] heeft mishandeld in vereniging door haar in het gezicht/hoofd/lichaam te schoppen en/of vast te pakken en/of op de grond te gooien en/of aan de haren te trekken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het gaat om zeer verstoorde familieverhoudingen waarbij de verklaringen van de slachtoffers staan tegenover de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Bewijsmiddelen 1

De bewijsmiddelen van de ten laste gelegde feiten worden, gezien hun samenhang, tezamen weergegeven.

Aantreffen situatie

Op 4 april 2020 ging ik, verbalisant, naar aanleiding van een melding naar de [adres] te [woonplaats] . Ter plaatse zag ik dat er een vrouw, [getuige] , naar mij toe liep en mij aansprak. Ik hoorde dat zij zei dat de persoon die gestoken had in een rode auto was weggereden en dat in het kenteken iets met de letters ' [letters] ' zou staan.

Nadat de ambulance ter plaatse kwam en het mannelijke slachtoffer had onderzocht,

maakte ik twee foto's van het letsel van het slachtoffer: het rechter-schouderblad en het gezicht van slachtoffer [slachtoffer 1] .2

Er werd door verschillende omstanders, die ik, verbalisant, niet ken en ook geen personalia van heb genoteerd, gesproken dat [slachtoffer 1] neergestoken zou zijn door zijn zus.

Ik zag aan de rechter zijde van het slachtoffer, net onder het schouderblad een blauwe plek zitten met in het midden een kleine snee van 1 centimeter.3

Wij, verbalisanten, waren op weg naar een melding over een vechtpartij op het woonwagenkamp. Toen wij op de [straat] kwamen, zagen wij vlak voor de ingang van het kamp dat er een rode Renault voorzien van kenteken [kenteken] , met hoge snelheid en zonder verlichting wegreed. Wij gaven de auto een stopteken. In het voertuig zaten twee vrouwen: de bestuurder betrof: [A] en de bijrijder: [medeverdachte] .4

Aangifte van [slachtoffer 1]

Wat ik mij kan herinneren, is dat ik met [B] senior aan het schempen was. Ik herinner mij dat mijn zus [medeverdachte] het voor [B] opnam en zich begon te bemoeien met het gesprek. Het bekvechten was ineens tussen mijn zus en mij, tot de man van mijn zus, [verdachte] , ertussen kwam en zich ermee kwam bemoeien. Hij deed dit door tussen mijn zus en mij te gaan staan. Ik zag dat mijn zus [medeverdachte] , [verdachte] wegduwde. Ik zag dat ze een mes in handen had. Ik hoorde dat ze zei: laat het maar dit is iets tussen een zus en een broer. Daarna zag ik dat ze mij aankeek en zei: "Ik zal je doodsteken. Dit is het moment dat ik je kapot ga steken, vieze kankerlijer, ik steek je kapot" of woorden van gelijke strekking. Daarna zag ik in mijn ooghoeken een schim. Daarna zag ik niks meer.5

Aangifte van [slachtoffer 2]

Omstreeks 20:20 uur kregen [B] en [slachtoffer 1] ruzie. Er werd veel gevloekt. Ik zag dat [medeverdachte] zich met de ruzie begon te bemoeien. Ik zag dat [slachtoffer 1] en [medeverdachte] ruzie kregen. Ik hoorde ze over en weer schelden. Ik zag dat ook [verdachte] zich ging bemoeien met de ruzie. Hierop zag ik dat [medeverdachte] voor [verdachte] ging staan, met haar rug naar [verdachte] toe. Ik zag haar naar [slachtoffer 1] gebaren "kom maar op". Ik zag dat zij een mes pakte uit haar broekzak. Ik zag dat dat een soort zelfgemaakt mes was. Ik zag een lemmet van ongeveer 15 centimeter. Ik zag een handvat met wit tape eromheen gewikkeld. Het mes kwam uit de rechter kontzak van de broek van [medeverdachte] . Ik zag dat zij het mes in haar rechter hand hield en voor haar gezicht hief en daarbij [slachtoffer 1] aankeek. Ik hoorde haar zeggen: "Kom maar op, ik zal je neersteken". Ik zag dat [verdachte] naast [medeverdachte] ging staan. Er ontstond een duw- en trekpartij tussen [medeverdachte] , [verdachte] en [slachtoffer 1] . Ik zag dat [verdachte] een stomp gaf met zijn vuist in het gezicht van [slachtoffer 1] . Dat was een harde stomp. Hierna zag ik dat [verdachte] [slachtoffer 1] met kracht een kopstoot gaf. Het effect van deze stomp en kopstoot was dat [slachtoffer 1] stond te wankelen. Ik zag [slachtoffer 1] vervolgens vallen. Ik zag dat [medeverdachte] op dat moment een stekende beweging maakte met de hand waarin zij het mes had. Ik zag dat het mes bij [slachtoffer 1] bij zijn schouder het lichaam binnen ging.

Nadat [slachtoffer 1] was gevallen, wilde ik naar [slachtoffer 1] om hem te beschermen. Ik zag namelijk dat [C] en [verdachte] met geschoeide voet [slachtoffer 1] aan het schoppen waren. Ik zag dat zij hem schopten tegen zijn hoofd. Ik zag dat [C] en [verdachte] ieder eenmaal met kracht schopten tegen het hoofd van [slachtoffer 1] .

Op het moment dat ik naar [slachtoffer 1] wilde, zag en voelde ik dat [C] en [medeverdachte] mij naar beneden trokken. Ik voelde dat ik door die twee aan mijn haren en jas naast [slachtoffer 1] werd getrokken. Toen ik op de grond lag, voelde ik de eerste schoppen. Ik voelde een hevige pijn in mijn onderrug en in mijn gezicht. Ik zag dat [medeverdachte] en [C] mij schopten. [medeverdachte] schopte mij echt hard, alsof ze een penalty nam.6 Het werd zwart voor mijn ogen. Ik voelde pijn. Ik heb bloed in mijn oogbol en een blauw oog met een zwelling aan de linker kant. Ik kreeg vervolgens een schop van [verdachte] .7

Letsel

Uit een brief van de neuroloog blijkt dat bij [slachtoffer 1] als gevolg van het incident op 4 april 2020 sprake was van:

1. Commotio cerebri na trauma capitis (de rechtbank begrijpt: een hersenschudding)

2. Ondiepe steekverwonding in de rechter schouder zonder afwijkingen op beeldvorming, niet actief bloedend.8

Op 4 april 2020 zag ik, verbalisant, ter plaatse een vrouw die bleek te zijn [slachtoffer 2] . Ik zag dat in het gelaat van [slachtoffer 2] een snee van ongeveer 2 à 3 centimeter ter hoogte van haar linker slaap zichtbaar was. Ik zag dat er uit deze snee bloed kwam. Ik zag dat rondom de snee de huid rood en licht gezwollen was.9

Tijdens het opnemen van de aangifte van [slachtoffer 2] zag ik, verbalisant, bij aangeefster het volgende letsel:

Zwelling onder linker oog

Bloeding linker oogbol

Snee van circa 1 cm in de huid bij de slaap.10

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van de slachtoffers en in het bijzonder de verklaring van [slachtoffer 2] uitgebreid en gedetailleerd zijn, terwijl deze op meerdere punten bevestiging vindt in het dossier. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen.

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten poging zware mishandeling in vereniging van [slachtoffer 1] , heeft begaan. Verdachte heeft samen met [medeverdachte] en [C] in nauwe en bewuste samenwerking geweldshandelingen jegens [slachtoffer 1] verricht. Daarbij is met kracht een kopstoot jegens [slachtoffer 1] uitgedeeld, is hij gestompt op zijn neus en is met kracht tweemaal tegen [slachtoffer 1] zijn hoofd geschopt terwijl hij op de grond lag. Ten aanzien van het slaan met een golfstick zal de rechtbank verdachte vrijspreken, nu hiervoor onvoldoende bewijs in het dossier zit.

Door aldus te handelen heeft verdachte zich samen met zijn mededaders willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels kunnen de toegebrachte geweldshandelingen en in het bijzonder het meermalen met kracht met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd leiden tot tenminste zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Dat met kracht is geschopt kan ook worden afgeleid uit het feit dat het slachtoffer vervolgens het bewustzijn heeft verloren. Deze handelingen zijn dan ook zozeer gericht op (tenminste) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard en dus dat dit handelen als een poging tot zware mishandeling moet worden beschouwd.

Bewezenverklaring van het onder feit 2 primair ten laste gelegde

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank voorts van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde, te weten poging zware mishandeling van [slachtoffer 2] heeft begaan.

Ten aanzien van het onder feit 2 primaire merkt de rechtbank op dat verdachte samen met [medeverdachte] en [C] , terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag, met geschoeide voet hard geschopt heeft tegen het hoofd/gezicht van [slachtoffer 2] , alwaar zich met name ook ter hoogte van de slapen kwetsbare delen bevinden. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Deze geweldshandelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard en dus dat dit handelen als een poging tot zware mishandeling moet worden beschouwd.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. primair

hij op of omstreeks 4 april 2020 te Amersfoort tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [slachtoffer 1]

- meermalen met kracht tegen het hoofd heeft geschopt en

- in het gezicht heeft gestompt en

- een kopstoot heeft gegeven

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

op 4 april 2020 te Amersfoort tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair en feit 2 primair: telkens: medeplegen poging tot zware mishandeling

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie

bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het

voorarrest, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van een poging zware mishandeling van zijn zwager en van zijn schoonzus. Dit zijn ernstige feiten. De slachtoffers hebben hierdoor geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen, maar het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. Van slachtoffers van mishandeling is bekend dat zij een dergelijke gebeurtenis als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Dat dit ook hier het geval is, blijkt uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn voorgelezen. Daarnaast brengt een feit als het onderhavige in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Dat verdachte en zijn medeplegers dit hebben gedaan bij daglicht, buiten op een openbare plek, na afloop van een barbecue waar meerdere mensen en ook kinderen, waaronder de kinderen van de slachtoffers, aanwezig waren, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit, maar dat dit reeds enige jaren geleden was.

De rechtbank heeft geconstateerd dat in deze zaak geen reclasseringsrapportage is opgemaakt.

De straf

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in vergelijkbare zaken door rechtbanken zijn opgelegd.

De oriëntatiepunten van het LOVS hanteren voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld een kopstoot en/of schoppen/trappen tegen het hoofd een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden onvoorwaardelijk. In dit geval gaat het om een poging tot zware mishandeling, hiermee zal de rechtbank in strafverminderende zin rekening houden. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals hiervoor omschreven, de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat er kinderen bij aanwezig waren.

De rechtbank is – alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. De rechtbank zal daarbij aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarde verbinden zoals gevorderd door de officier van justitie, te weten een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de duur van de proeftijd.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.864,33. Dit bedrag bestaat uit € 364,33 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.000,-. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

Voorts hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als wettelijke vertegenwoordiger namens hun minderjarige kinderen [D] en [E] als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen een bedrag van € 500,- per kind. Deze bedragen bestaan geheel uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor toewijzing vatbaar zijn, met dien verstande dat de immateriële schade ten behoeve van [slachtoffer 1] moet worden gematigd tot een bedrag van € 750,-. De vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vorderingen van de kinderen heeft de officier van justitie opgemerkt dat deze vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen gelet op de strenge eisen die aan dergelijke vorderingen (shockschade) gesteld worden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen aanzienlijk dienen te worden gematigd. De schade van de slachtoffers is beperkt gebleven en bij verdachte leeft het gevoel dat de slachtoffers uit zijn op financieel gewin.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden.

Materiële schade

[slachtoffer 1] heeft aan materiële schade een bedrag gevorderd van € 364,33 ter zake van kosten ambulancevervoer. De rechtbank zal dit bedrag aan materiële schade toewijzen nu dit bedrag de rechtbank niet onredelijk voorkomt, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling.

Immateriële schade

[slachtoffer 1] heeft aan immateriële schade een bedrag gevorderd van € 1.500,-.

De rechtbank acht, gelet op vergelijkbare zaken en de omstandigheden van het geval, een bedrag van € 500,- billijk en waardeert de schade op dat bedrag. De rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 500,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling.

[slachtoffer 2] heeft aan immateriële schade een bedrag gevorderd van € 1.000,-.

De rechtbank acht, gelet op vergelijkbare zaken en de omstandigheden van het geval, een bedrag van € 500,- billijk en waardeert de schade op dat bedrag. De rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 500,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen dat deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totale schade

In totaal zal de rechtbank derhalve aan [slachtoffer 1] een bedrag van € 864,33 (bestaande uit

€ 364,3 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade) toewijzen en aan [slachtoffer 2] een bedrag van € 500,- (bestaande uit geheel immateriële schade) toewijzen.

Hoofdelijk

Verdachte is voor de schade ter zake van feit 1 en 2 naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 864,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 17 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.

Proceskosten

Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Vorderingen namens [D] en [E]

De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de vorderingen die zijn ingediend namens de kinderen [D] en [E] toe te wijzen. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat sprake is van shockschade. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan de strenge eisen die de wet daaraan heeft gesteld en de strikte uitleg die de jurisprudentie daaraan geeft. Hoewel voorstelbaar is dat de kinderen enorm zijn geschrokken en nog steeds last hebben van hetgeen zij hebben meegemaakt, is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een hevige emotionele schok waaruit geestelijk letsel voortvloeit. De rechtbank zal de vorderingen van de kinderen dan ook afwijzen.

9.3.1

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair en onder feit 2 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 (twee) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren [1966] ) en [slachtoffer 2] (geboren [1976] ), zolang de proeftijd duurt. De politie zal toezicht houden op de naleving van dit contactverbod;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 864,33 (bestaande uit

€ 364,33 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade);

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 864,33 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 17 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 500,- (aan immateriële schade)

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat

€ 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] namens [D] en [E]

- wijst af de vorderingen die door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als wettelijke vertegenwoordigers van [D] en [E] zijn ingediend.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en R.L.M. van Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2020.

mr. A.J.P. Schotman, mr. Fung Fen Chung en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 april 2020 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [slachtoffer 1]

- meermalen, althans éénmaal met een golfstick, althans een voorwerp tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of

- meermalen althans éénmaal met kracht tegen het hoofd heeft geschopt en/of

- in het gezicht heeft gestompt en/of

- een kopstoot heeft gegeven

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47

lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 april 2020 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

- meermalen, althans éénmaal met een met een golfstick, althans een voorwerp tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of

- meermalen althans éénmaal met kracht tegen het hoofd te schoppen en/of

- in het gezicht te stompen en/of

- een kopstoot te geven en/of

- te duwen en/of

- aan die [slachtoffer 1] te trekken;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2.

hij op of omstreeks 4 april 2020 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die

[slachtoffer 2] meermalen, althans éénmaal in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft

geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47

lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 april 2020 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat] , in elk geval op of aan een openbare plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het

- meermalen, althans éénmaal in het gezicht, althans tegen het hoofd, althans tegen het lichaam schoppen met voet en/of knie en/of

- vastpakken en/of

- op de grond gooien en/of

- duwen en/of

- aan de haren trekken en/of

- steken in en/of raken van het gezicht van die [slachtoffer 2] met een mes en/of scherp voorwerp;

(art. 141 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 april 2020 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]

- meermalen, althans éénmaal in het gezicht, althans tegen het hoofd althans tegen het lichaam te schoppen en/of

- vast te pakken en/of

- op de grond te gooien en/of

- aan de haren te trekken van die [slachtoffer 2] ;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Tenzij anders vermeld zijn deze processen-verbaal als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd L0900-2020099763, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 124. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

2 Een proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [verbalisant 1] ) van 4 april 2020, p. 75 met als bijlage de foto’s op pagina 77 en 78.

3 Een proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [verbalisant 2] ) van 9 april 2020, p. 82.

4 Een proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [verbalisant 3] ) van 4 april 2020, p. 86.

5 Een proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 1] van 10 april 2020, p. 101.

6 Een proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] van 5 april 2020, p. 91.

7 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] van 5 april 2020, p. 92.

8 Een geschrift, te weten een brief van de neuroloog aan de huisarts, opgemaakt door drs. L.P. Onkenhout, AIOS, namens prof. dr. W.L. van der Pol, neuroloog, p. 104.

9 Een proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [verbalisant 4] ) van 4 april 2020, p. 79 met als bijlage de foto op pagina 81.

10 Een proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] van 5 april 2020, p. 93 met als bijlage foto’s op pagina 94, 95 en 96.