Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5604

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
UTR 20/4187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo; woningsluiting; sluiting is onevenredig; belangen minderjarig kind; alternatieve huisvesting; toewijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/4187


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. E.J.H. van Lith),

en

de burgemeester van de gemeente Noordoostpolder, verweerder(gemachtigden: W.I. Bos en A. Rispens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Mercatus, te Emmeloord

(gemachtigden: mr. Y van der Horst, S. Brouwer en F. Vriend).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder gelast de woning aan de [adres] te [woonplaats] te sluiten voor de duur van drie maanden.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020 via Skype. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden.

Overwegingen

Voorlopige voorziening

1. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij het nemen van een beslissing op een verzoek tot voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan omdat verzoekster gelast wordt om met ingang van 28 december 2020 de door haar, samen met haar twee kinderen, [kind 1] ( [2001] ) en [kind 2] ( [2004] ) gehuurde woning aan de [adres] te [woonplaats] voor de duur van drie maanden te verlaten. Tevens heeft de woningcorporatie Mercatus (Mercatus) aan verzoekster laten weten dat de huurovereenkomst in het licht van deze procedure buitengerechtelijk ontbonden zal worden.

3. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening waardoor het primaire besluit wordt opgeschort tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Het geschil gaat over de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken.

4. Hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht over dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming, omdat verweerder twee besluiten heeft genomen met een verschillende inhoud, zal de rechtbank verder onbesproken laten nu verzoekster dit punt ter zitting heeft laten vallen. De rechtbank zal verder ook niet ingaan op dat wat verzoekster naar voren heeft gebracht over de te korte begunstigingstermijn omdat zij ter zitting daarover desgevraagd heeft verklaard dat dat niet als een grond moet worden beschouwd.

Aanleiding sluiting

5. Uit de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie van 27 oktober 2020 blijkt het volgende. De politie heeft op 14 oktober 2020 naar aanleiding van binnengekomen relevante informatie een onderzoek ingesteld op het adres [adres] in [woonplaats] . Daar trof de politie 15,1 gram hennep, positief getest op THC, een weegschaaltje en gripzakjes aan. De zoon van verzoekster heeft tijdens het onderzoek verklaard dat hij op 14 oktober 2020 wiet heeft verkocht voor € 20,-. Een tweetal bezoekers werden tijdens het onderzoek aan de woning aangehouden op verdenking van het kopen van verdovende middelen. Eén van deze personen verklaarde dat hij voor € 40,- ongeveer 5 gram hennep heeft gekocht. De hennep wordt in beslag genomen. Uit onderzoek van de politie blijkt dat het gaat om 6,3 gram hennep, positief getest op THC. In de maanden juni, augustus en september 2020 zijn diverse Meld Misdaad Anoniem (MMA) meldingen bij de politie binnengekomen. De strekking van deze meldingen is dat er vanuit de woning drugs wordt verkocht. Ook wordt de politie diverse keren in de wijk aangesproken door buurtbewoners over de aanloop die plaatsvindt bij de woning. De informatie uit de MMA meldingen wordt bevestigd door postacties van de politie. Er worden personen gecontroleerd die kortstondig op bezoek zijn geweest bij de woning aan de [adres] in [woonplaats] en daarbij zitten een aantal bekende drugsgebruikers.

6. Gelet op deze bevindingen heeft verweerder gelast om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. Voor verweerder is vast komen te staan dat de woning langere tijd gebruikt is en bekend stond als locatie voor drugshandel. Daarop heeft verweerder gemeend dat sluiting de enige effectieve maatregel is om de situatie te doen stoppen. Door de woning uit het drugscircuit te halen wordt volgens verweerder het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning beschermd en wordt de openbare orde en veiligheid hersteld.

Ernst en omvang van de overtreding

7. Verzoekster voert aan dat verweerder niet tot sluiting van de woning mocht overgaan. Gelet op jurisprudentie en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 13b van de Opiumwet is het sluiten van een woning een ultimum remedium en kan het niet de regel zijn, aldus verzoekster. Verweerder had met een waarschuwing moeten volstaan. Er is namelijk geen sprake van een ernstige situatie, omdat er slechts 15,1 gram hennep, een weegschaaltje en gripzakjes zijn aangetroffen. Deze indicatoren kunnen volgens verzoekster geen aanleiding geven tot het sluiten van de woning. Met de enkele verklaring van de zoon van verzoekster is niet vast komen te staan dat er vanuit de woning drugs is verhandeld. Ook met de MMA meldingen is dit volgens verzoekster niet vast komen te staan omdat die meldingen niet inzichtelijk zijn. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat er vanuit de woning geen drugs werd verhandeld. Volgens verzoekster zijn de aangetroffen hennep, het weegschaaltje en de gripzakjes bedoeld voor eigen gebruik.

8. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet kan de burgemeester een last onder bestuursdwang opleggen indien in woningen een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Verweerder heeft deze bevoegdheid uitgewerkt in het DAMOCLESBELEID 2020 GEMEENTE Noordoostpolder (Damoclesbeleid). Volgens het Damoclesbeleid wordt bij het aantreffen van minder dan 250 gram softdrugs in een woning bij de eerste overtreding een bestuurlijke waarschuwing gegeven, tenzij er sprake is van één of meer indicatoren die aanleiding geven voor het nemen van een zwaardere maatregel.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in beginsel bevoegd is om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet met toepassing van het Damoclesbeleid te sluiten. Verweerder heeft niet met een bestuurlijke waarschuwing hoeven te volstaan. Hoewel minder dan 250 gram softdrugs in de woning is aangetroffen en het om een eerste overtreding gaat, heeft verweerder gelet op de overige indicatoren, zoals opgenomen in de bestuurlijke rapportage, aanleiding mogen zien om tot sluiting van de woning over te gaan. Naast de 15,1 gram hennep die is aangetroffen, waren een weegschaaltje en gripzakjes in de woning aanwezig, heeft de zoon van verzoekster verklaard dat hij hennep heeft verkocht, heeft een bezoeker van de woning verklaard hennep te hebben gekocht en zijn er meerdere MMA meldingen en andere meldingen gedaan aan de politie over vermeende drugshandel vanuit de woning.

10. Verweerder mocht zich op de bestuurlijke rapportage van de politie van 27 oktober 2020 baseren. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal.1 Dit geldt eveneens voor de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage, tenzij tegenbewijs maakt dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De voorzieningenrechter vindt wat verzoekster heeft aangevoerd onvoldoende. Verzoekster heeft namelijk niet, althans onvoldoende concreet gemaakt waarom niet van de MMA meldingen mag worden uitgegaan. Verweerder mocht dus uitgaan van de inhoud van de bestuurlijke rapportage.

11. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat zij geen enkele wetenschap heeft gehad van de handel in drugs vanuit de woning. Op zitting heeft verzoekster verklaard dat haar meerderjarige zoon, die ook in de woning woont, de drugs goed had verstopt die daardoor geheel aan het zicht was onttrokken. Verzoekster stelt tevens dat er geen sprake is van recidive en dat haar zoon geen relevante antecedenten op zijn naam heeft staan. Hij wordt nu ook strafrechtelijk vervolgd. Bovendien is de illegale situatie inmiddels opgeheven. Daarmee is de grond voor sluiting van de woning komen te vervallen. Verder meent verzoekster dat er nooit onrust voor de buurt heeft bestaan. Zo hebben er nooit buren en andere omwonenden hun beklag gedaan.

12. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet relevant is of verzoekster bekend was met de aanwezigheid van de drugs. Het sluiten van de woning is namelijk niet gericht op de persoon, maar op het doorbreken van de bekendheid van de woning als drugspand. Dat verzoekster niet op de hoogte was van de drugshandel vanuit de woning, maakt dus niet dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is persoonlijke verwijtbaarheid geen vereiste voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.2 De voorzieningenrechter zal daarom de persoonlijke verwijtbaarheid van verzoekster in het kader van de evenredigheid van de sluiting van de woning behandelen.

13. Met de aangetroffen hennep in combinatie met eerdergenoemde indicatoren heeft verweerder kunnen aannemen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en dat de noodzaak tot sluiting er is. Het ligt vervolgens op de weg van verzoekster om aannemelijk te maken dat er geen sprake was van een noodzaak tot sluiting. Dat heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is de noodzaak om tot sluiting over te gaan groter in geval van recidive.3 Dat betekent niet dat de noodzaak tot sluiting er niet is als geen sprake is van recidive. Dat de overtreding vanuit de woning reeds is beëindigd, is op zichzelf geen omstandigheid op grond waarvan verweerder van sluiting van de woning af had moeten zien. Daargelaten of de overtreding daadwerkelijk is beëindigd, is dat in dit kader niet relevant. Woningsluiting is namelijk een herstelsanctie die is gericht op het herstel van het leefklimaat en de openbare orde en doorbreking van de bekendheid van de woning als drugspand. Dat er gesteld geen sprake is van onrust in de buurt van de woning en dat buurtbewoners niet hebben geklaagd, betekent in dit geval niet dat drugshandel vanuit de woning en de daarmee gepaard gaande bekendheid van de woning niet kan worden aangenomen gelet op de aangetroffen hennep en de overige indicatoren. Daar komt bij dat Mercatus ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat er wel is geklaagd door buurtbewoners en uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de politie wordt aangesproken door buurtbewoners over de aanloop die plaatsvindt bij de woning. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de sluiting van de woning in beginsel dan ook noodzakelijk mogen vinden gelet op de ernst en omvang van de overtreding omdat aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel.

14. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht moet afzien van toepassing van zijn bevoegdheid.

Evenredigheid

15. Verzoekster voert aan dat de sluiting van de woning onevenredig is. Haar huurovereenkomst wordt door Mercatus buitengerechtelijk ontbonden. Verzoekster voert aan dat zij niet in staat is om voor haar gezin vervangende woonruimte te vinden, omdat zij onder bewind staat en van € 70,- leefgeld per week rond moet komen. Verzoekster geeft verder aan dat zij en haar twee kinderen ook niet bij vrienden of familie terecht kunnen en dat zij op een zwarte lijst zal komen te staan bij Mercatus. Daarnaast is sluiting van de woning niet in het belang van haar minderjarige dochter die de dupe wordt van de hele situatie. Zij heeft een bijbaantje en gaat naar school in de buurt van de woning en dat kan in het gedrang komen door een sluiting.

16. Zoals in overweging 12 staat beschreven, kan de persoonlijke verwijtbaarheid in het kader van de evenredigheidstoets een rol spelen. De voorzieningenrechter volgt verweerder op dit punt en vindt het voorlopig oordelend niet aannemelijk dat verzoekster niets wist over dat er vanuit de woning drugs werd verhandeld. Verzoekster heeft namelijk zelf ter zitting verklaard dat haar zoon heeft toegegeven dat hij zelfs meerdere keren aan vrienden heeft verkocht omdat er geen coffeeshop in de buurt is. Daarnaast was verzoekster in de woonkamer aanwezig toen de politie onderzoek deed en daar hennep, een weegschaal en gripzakjes aantrof en toen daar bij de woning net een transactie had plaatsgevonden. Dat die spullen in een kast in de woonkamer lagen, zoals ter zitting is verklaard, doet daar niet aan af nu ten aanzien van die kast vanwege zijn plaats in de woonkamer gemeenschappelijk gebruik wordt aangenomen.

17. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat ondanks hetgeen hiervoor is overwogen verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd hoe hij op een redelijke wijze invulling heeft gegeven aan zijn bevoegdheid en hoe de belangen van verzoekster en haar kinderen, in het bijzonder haar minderjarige dochter, zijn betrokken. Verweerder heeft ook onvoldoende gemotiveerd aangegeven hoe hij daarbij invulling heeft gegeven aan zijn verantwoordelijkheid. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt. Omdat het hier gaat om een woningsluiting waarbij een minderjarig kind is betrokken, moet verweerder volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter gelet op de vereiste evenredigheid informeren naar de mogelijkheden van geschikte opvang, ook al zijn in beginsel de ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte.4 Hierbij moet verweerder in ogenschouw nemen in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij en haar kinderen niet bij familie of vrienden kunnen verblijven, wekelijks van € 70,- leefgeld rond moeten komen en door deze situatie op een zwarte lijst terecht komen bij Mercatus. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder deze belangen onvoldoende kenbaar betrokken in zijn besluitvorming. Niet gebleken is of en hoe verweerder heeft betrokken dat verzoekster stelt een oma op hoge leeftijd, niet in goede gezondheid verkerende ouders en een zus met een twee kamer woning als familieleden te hebben waar zij en haar kinderen niet bij kunnen inwonen. Voorts is niet gebleken of en hoe is betrokken dat verzoekster over een beperkt budget beschikt om vervangende woonruimte mee te kunnen huren. Daar komt bij dat Mercatus ter zitting ter verduidelijking van ‘de zwarte lijst’ heeft verklaard dat verzoekster zeven jaar lang niet bij woningcorporatie Mercatus woonruimte mag huren en dat zij als zij bij een andere woningcorporatie wil huren zij een verhuurdersverklaring van Mercatus moet overleggen waarover ter zitting door Mercatus is verklaard dat zij daarin over de onderhavige situatie zullen berichten. Dit betekent dat verzoekster hierdoor ook moeilijk bij andere woningcorporaties woonruimte zal kunnen gaan huren. Niet gebleken is dat verweerder dat heeft betrokken in de belangenafweging en voor zover verweerder hier op zitting nog niet van op de hoogte was, omdat hier op zitting door Mercatus duidelijkheid over werd verschaft, had het op de weg van verweerder gelegen om zich hier al eerder van in kennis te stellen en dat bij zijn besluitvorming te betrekken. Voorts is de rechtbank niet gebleken of en hoe de belangen van de minderjarige dochter in de belangenafweging zijn betrokken. Bovendien heeft verweerder ter zitting ook verklaard dat verweerder van mening is dat in eerste instantie verzoekster aan moet tonen wat zij heeft gedaan om vervangende huisvesting te vinden, voordat zij in actie komen. Verweerder heeft daarmee, in het kader van het sluiten van een woning waarbij een minderjarig kind is betrokken en de overige belangen voornoemd, onvoldoende invulling gegeven aan zijn eigen verantwoordelijkheid.

Conclusie

18. Omdat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de door verweerder gemaakte belangenafweging onvolledig is geweest, kan niet worden uitgesloten dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Gelet op de aard van het gebrek dat meebrengt dat verweerder de belangenafweging opnieuw moet maken, de onomkeerbaarheid van het besluit vanwege de parallel lopende buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst en de belangen van het schoolgaande minderjarige kind, wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit is geschorst tot één week na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

20. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe;

- schorst het primaire besluit tot één week na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie de uitspraak van de ABRvS van 4 juli 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:2222).

2 Zie de uitspraak van de ABRvS van 28 augustus 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:2912).

3 Zie de uitspraak van de ABRvS van 28 augustus 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:2912).

4 Zie de uitspraak van de ABRvS van 28 augustus 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:2912).