Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5586

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
16-706778-20 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag van € 30.000,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit het bedrag dat veroordeelde heeft verdiend door als politieagent vertrouwelijke informatie uit de politiesystemen door te spelen en zijn politiekleding te verkopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-706778-20 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [1975] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de P.I. Grave,

hierna te noemen: veroordeelde.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 december 2020. De onderhavige ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen de veroordeelde, bekend onder hetzelfde bovenstaande parketnummer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie, mr. A.M. Tromp, en van wat veroordeelde en diens raadsvrouw, mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, naar voren hebben gebracht.

2 VORDERING

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het eerder ingediende schriftelijk gevorderde bedrag en heeft gevorderd dat veroordeelde de verplichting wordt opgelegd ter zake van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat te voldoen een bedrag van € 53.111,-. De officier van justitie heeft zich hierbij gebaseerd op de uitgangspunten en berekeningen zoals weergegeven in het ontnemingsrapport.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aanzienlijk lager is dan het door de officier van justitie gevorderde bedrag. Zo heeft veroordeelde voor het bevragen van de in de bewezenverklaring genoemde zaakdossiers slechts een bedrag van

€ 2.950,- gekregen, en niet € 15.350,- zoals de officier van justitie stelt. De post met betrekking tot de overige verstrekkingen van politie informatie valt ook veel lager uit. Bij deze post is gekeken naar verdachte bevragingen, waarbij bevragingen buiten zijn werkgebied als opvallend zijn aangemerkt. Veroordeelde werkte echter als motoragent en in zijn werkgebied liepen meerdere snelwegen; het is volgens de raadsvrouw aannemelijk dat deze bevragingen werk gerelateerd zijn geweest. Gelet op de verklaringen van veroordeelde dat het bedrag dat hij heeft gekregen tussen de € 20.000,- en € 30.000,00,- ligt, verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 25.000,-.

3 BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1

De grondslag van de vordering

De veroordeelde is bij vonnis van 22 december 2020 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het schenden van zijn ambtsgeheim, computervredebreuk, ambtelijke omkoping en verduistering omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot en met 18 mei 2020.

De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor strafbare feiten. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die veroordeelde heeft begaan. De vordering is dus gebaseerd op artikel 36 e lid 2 van het wetboek van strafrecht.

3.2

Berekening en toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Voor de berekening van de opbrengsten en kosten zal de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – als uitgangspunt nemen datgene wat is opgenomen in het ontnemingsrapport1 en het vonnis van de rechtbank van 22 december 2020 in de strafzaak tegen veroordeelde.

In het ontnemingsrapport wordt het door veroordeelde wederrechtelijk gekregen voordeel gemotiveerd geschat op (afgerond) € 53.111,-. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de periode 1 april 2018 tot en met 18 mei 2020. Daarbij is uitgegaan van drie soorten verstrekkingen:

1: De verstrekkingen van politie informatiedossiers;

2: De overige verstrekkingen van politie informatie;

3: De verstrekking van politie kleding.

De rechtbank acht de uitgangspunten van het ontnemingsrapport echter onvoldoende onderbouwd en daarmee onvoldoende aannemelijk geworden. Zij licht dit als volgt toe.

1. De verstrekkingen van politie informatiedossiers

Op basis van de verklaringen van veroordeelde en de berichten uit de PGP telefoon is per zaaksdossier uitgewerkt hoeveel veroordeelde voor de betreffende informatie uit het dossier zou hebben gekregen. Totaal wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 15.350,-. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat veroordeelde daadwerkelijk € 10.000,- extra voor zaaksdossier 1 heeft ontvangen. Bovendien acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat verdachte voor zaaksdossier 1 2x € 500,- heeft gekregen terwijl het in feite maar om 1 bevraging ging. Zo ook geldt voor zaaksdossier 6 dat het ontnemingsrapport uitgaat van een gift van € 500,- terwijl het hier een kenteken betreft en dus veeleer in de rede ligt dat verdachte daar € 100,- voor heeft gekregen.

2. De overige verstrekkingen van politie informatie

In het ontnemingsrapport is ervan uit gegaan dat de bevragingen die veroordeelde heeft gedaan buiten zijn werkgebied grotendeels niet gerelateerd zijn aan zijn werkzaamheden, en dus gedaan zijn in opdracht van een ander en tegen betaling. De rechtbank is echter van oordeel dat deze berekening grotendeels gebaseerd is op veronderstellingen en zal daarom het rapport niet volgen nu zij deze veronderstellingen onvoldoende aannemelijk acht. Veroordeelde was immers werkzaam als motoragent binnen de politieregio Midden-Nederland, waar hij zich ook veelvuldig begaf op snelwegen. In dit kader acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde in het kader van zijn werk veelvuldig kentekens bevroeg die buiten zijn werkgebied vielen. In het ontnemingsrapport is hiermee rekening gehouden door 15% van deze bevragingen aan te merken als werkgerelateerd. De rechtbank acht dit percentage echter onvoldoende onderbouwd en ziet dit als een grove schatting. De rechtbank acht deze veronderstelling daarom onvoldoende aannemelijk geworden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de berekening die in het ontnemingsrapport wordt gehanteerd onvoldoende onderbouwd en onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank zal om die reden aansluiten bij de verklaring van veroordeelde dat hij ongeveer € 30.000,- heeft verdiend met het verkopen van de informatie. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte dit bedrag heeft ontvangen. Veroordeelde heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven en er is geen aanleiding om aan te nemen dat hij een leugenachtige verklaring heeft gegeven. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat veroordeelde uit eigen beweging heeft verklaard dat hij politiekleding voor € 5000,- heeft verkocht, hetgeen mogelijk anders niet uit het onderzoek naar voren zou zijn gekomen. Ook is niet gebleken dat veroordeelde grote geldbedragen in zijn bezit had.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal veroordeelde dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 30.000,- aan de staat.

4 TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.000,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 30.000,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op drie jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.L.M. van Opstal, voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E. Rasink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2020.

mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en J.G. van Ommeren zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” van 27 oktober 2020, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, genummerd 20200045.