Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5536

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
UTR - 19 _ 4507
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2020:4370
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na bestuurlijke lus. Gebreken aan de bestreden besluiten zijn door het college hersteld. De beroepen van eisers tegen de nieuwe besluiten n.a.v. het handhavingsverzoek (gedeeltelijke afwijzing en opleggen l.o.d.) zijn ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4507

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] ( [eiser] ), te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.ing B.M. Brandenburg-Stroo),

Stichting tot Bevordering van de Hockeysport en vereniging Gooische Hockey Club (gezamenlijk in enkelvoud: de Gooische Hockeyclub), te Bussum, eisers

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (het college), verweerder

(gemachtigde: W.J. van Heek).

Eisers hebben als derde-partij aan elkaars geding deelgenomen.

Procesverloop

Op 3 september 2020 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBMNE:2020:3870). Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.

Bij de tussenuitspraak (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 30 oktober 2019, gewijzigd op 5 augustus 2020, binnen vier weken te herstellen.

Bij tussenuitspraak van 5 oktober 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:4370) heeft de rechtbank de termijn om de gebreken te herstellen op verzoek van het college verlengd tot 7 oktober 2020.

Bij besluiten van 7 oktober 2020 (het herstelbesluit) heeft het college in reactie op de tussenuitspraak het bestreden besluit gewijzigd.

[eiser] heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 20 november 2020.

Overwegingen

1. De beroepen van [eiser] en van de Gooische Hockeyclub hebben van rechtswege ook betrekking op het herstelbesluit, omdat daarmee niet geheel aan hun beroepen tegemoet gekomen wordt.

2. De rechtbank moet uit zichzelf de vraag beantwoorden of eisers nog procesbelang hebben bij de behandeling van hun beroepen, voor zover die zien op de gecombineerde besluitvorming van 30 oktober 2019 en 5 augustus 2020. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van de procedure. Het herstelbesluit vervangt in zijn geheel deze besluiten en komt dus daarvan in de plaats. Gelet hierop en omdat eisers niet gesteld hebben dat zij nog belang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze besluiten, zal de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 30 oktober 2019 en 5 augustus 2020 niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang.

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak: dat kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen.

4. De zaak gaat over het verzoek van [eiser] om handhavend op te treden tegen de volgende bouwwerken van de Gooische Hockeyclub:

  1. 1 schuur en meerdere containers;

  2. 2 kasten voor ontluchting of koelingsinstallaties en 1 rookgasafvoer;

  3. 21 lichtmasten.

Herstel van het bevoegdheidsgebrek

5. Uit de tussenuitspraak volgt dat de besluitvorming van 30 oktober 2019 en 5 augustus 2020 een bevoegdheidsgebrek heeft, omdat deze besluiten net als het primaire besluit van 10 april 2019 in mandaat door de wethouder zijn genomen. De rechtbank constateert dat het herstelbesluit door het college is genomen. Dit gebrek is daardoor nu niet meer aan de orde.

[eiser] is belanghebbende

6. De Gooische Hockeyclub voert aan dat [eiser] geen belanghebbende is, omdat hij slechts de eigenaar is van de naastgelegen woning en hij daar zelf niet woont. Volgens de Gooische Hockeyclub had het college het handhavingsverzoek van [eiser] daarom niet in behandeling moeten nemen.

7. De rechtbank oordeelt dat alleen al het belang van [eiser] als eigenaar van het aangrenzende perceel maakt dat hij een rechtstreeks betrokken belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft bij een reactie op het door hem ingediende verzoek om handhaving. Van bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot een ander oordeel is niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De schuur en containers

8. Ten aanzien van de schuur en de containers heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Daarover is in het herstelbesluit geen ander standpunt ingenomen. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak nog niet geoordeeld over de beroepsgronden die [eiser] hiertegen richt. Hij voert aan dat sprake is van een overtreding, waartegen het college handhavend had moeten optreden.

9. Aan de afwijzing van het handhavingsverzoek legt het college ten grondslag dat de schuur en de containers aan de zuidwestzijde van het clubgebouw op de grond staande bijbehorende bouwwerken in achtererfgebied zijn. Dergelijke bouwwerken zijn vergunningsvrij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in samenhang met artikel 3, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat ook aan de overige daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan. De zaak spitst zich toe op de vraag of de schuur en de containers in het achtererfgebied van het clubhuis van De Gooische Hockeyclub liggen. Volgens het college en De Gooische Hockeyclub is dat het geval, volgens [eiser] niet. Het is niet in geschil dat de locatie van de bouwwerken – wel of niet in achtererfgebied – bepalend is voor het al dan niet bestaan van een overtreding.

10. Het achtererfgebied is op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor het erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het achtererfgebied kan worden bepaald door vast te stellen wat de voorgevel van het hoofdgebouw is. Als er discussie ontstaat over de vraag welke gevel de voorgevel is, moet primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan of de bouwverordening is aangegeven, zoals artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor bepaalt. Als ook dan nog twijfel bestaat, zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt.1

11. Niet in geschil is dat het clubhuis het hoofdgebouw vormt, en dat het geldende bestemmingsplan en de bouwverordening geen bepalingen kennen over de voorgevelrooilijn. Er moet dus naar de feitelijke situatie worden gekeken. Die situatie is weergegeven op de hieronder opgenomen luchtfoto van ruimtelijkeplannen.nl, waarop de rechtbank ter verduidelijking van de hierna volgende oordelen gekleurde lijnen heeft aangebracht.

12. De rechtbank oordeelt dat de zuidoostelijke gevel (de rode lijn) van het clubhuis als de voorkant van het gebouw moet worden aangemerkt. Dat volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw en de gerichtheid van deze gevel op de ontsluiting van het terrein naar de weg. De noordoostelijke gevel (de blauwe lijn) is niet de voorkant van het gebouw, ondanks dat de hoofdingang van het clubgebouw in deze gevel ligt. Deze gevel ligt immers het verst van de ingang van het clubterrein aan de parkeerplaats. In tegenstelling tot het standpunt van [eiser] is de zuidwestelijke (de groene lijn) evenmin de voorkant. Hoewel deze gevel nog dichterbij de ontsluiting van het perceel ligt, is het aanzicht van deze gevel niet zodanig dat deze als voorzijde moet worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat de toegangsdeur in deze gevel van ondergeschikte aard is en alleen wordt gebruikt voor bevoorrading.

13. Het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied wordt gevormd door de weg met parkeerplaatsen die het clubgebouw ontsluit. De rechtbank volgt dus niet het standpunt van het college dat het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied het verderop gelegen, daar haaks op staande, gedeelte van de [straat] is. Het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied maakt ter plaatse van het clubgebouw een rechte hoek. De rechtbank heeft het verloop van het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied weergegeven met de paarse lijnen. Uit de toelichting bij de totstandkoming van de bepaling in het Bor volgt dat de lijn van het achtererfgebied evenwijdig met de bocht in de weg ‘meeloopt’.2

14. Uit het voorgaande volgt dat de schuur en containers aan de zuidwestzijde van het clubgebouw in ieder geval in het achtererfgebied liggen. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek terecht ten grondslag gelegd dat deze bouwwerken vergunningsvrij zijn en dat hij niet bevoegd is hiertegen handhavend op te treden. De beroepsgrond van [eiser] slaagt niet.

De kleine bouwwerken

15. Ten aanzien van de kasten voor ontluchting of koelingsinstallaties en de rookgasafvoer had het college al handhavend opgetreden met het besluit van 5 augustus 2020. De rechtbank heeft daarover in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college de gekozen begunstigingstermijn in redelijkheid niet aan deze last onder dwangsom heeft kunnen verbinden. Met het herstelbesluit heeft het college de begunstigingstermijn teruggebracht tot 8 weken na het besluit, en is de dwangsom verhoogd tot € 1.000,- ineens. De rechtbank zal beoordelen of dit gebrek daarmee is hersteld en zal de andere beroepsgronden die op deze overtreding betrekking hebben beoordelen.

16. De beroepsgronden van de Gooische Hockeyclub volgen uit haar zienswijze van 27 augustus 2020 tegen het besluit van 5 augustus 2020. Zij voert primair aan dat geen sprake is van een overtreding, en subsidiair dat handhavend optreden daartegen zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan had moeten worden afgezien. De Gooische Hockeyclub wijst er daarbij op dat bepaalde koelingen al sinds de bouw van het clubhuis in 1989 aanwezig zijn en dat uitsluitend [eiser] daar problemen mee heeft.

17. De rechtbank oordeelt dat wel sprake is van overtredingen van het verbod om deze bouwwerken zonder omgevingsvergunning te bouwen. De Gooische Hockeyclub heeft niet onderbouwd waarom de bouwwerken niet vergunningplichtig zouden zijn en de rechtbank heeft geen reden om dat aan te nemen. Het college heeft aangegeven niet bekend te zijn met vergunningen voor deze bouwwerken. Omdat de Gooische Hockeyclub zich daar klaarblijkelijk op beroept, had het op haar weg gelegen om het bestaan van dergelijke vergunningen aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. Deze beroepsgrond van de Gooische Hockeyclub slaagt niet.

18. De rechtbank oordeelt verder dat wat de Gooische Hockeyclub aanvoert onvoldoende is om te kunnen zeggen dat handhavend optreden achterwege had moeten blijven. Dat een deel van deze bouwwerken al lange tijd aanwezig is, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Deze beroepsgrond van de Gooische Hockeyclub slaagt ook niet.

19. [eiser] voert in zijn zienswijze tegen het herstelbesluit aan dat het college ten onrechte is afgeweken van zijn handhavingsbeleid. De opgelegde dwangsom is onvoldoende prikkel om de overtreding te beëindigen en de begunstigingstermijn van meer dan 4 weken is onvoldoende gemotiveerd.

20. De rechtbank oordeelt hierover dat het college de dwangsom en de begunstigingstermijn in redelijkheid heeft mogen vaststellen zoals hij in het herstelbesluit heeft gedaan. Het college heeft gewicht mogen toekennen aan de aard van de Gooische Hockeyclub als maatschappelijke organisatie en heeft op basis daarvan voor de hoogte van de dwangsom gemotiveerd van het handhavingsbeleid afgeweken. Met het college constateert de rechtbank bovendien dat het beleid voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een begunstigingstermijn van 8 weken voorschrijft en de rechtbank oordeelt dat deze termijn in redelijkheid niet wezenlijk langer is dan noodzakelijk om deze overtredingen op te heffen. Deze beroepsgronden van [eiser] slagen dus niet.

De lichtmasten

21. Er zijn 21 lichtmasten. Een deel daarvan staat bij de twee zuidoostelijke kunstgrasvelden. Daarover heeft het college bij brief van 1 november 1985 aan de Gooische Hockeyclub laten weten dat wordt afgezien van handhaving ten aanzien van de toen aanwezige illegale lichtmasten. Een ander deel van de lichtmasten staat bij de twee noordwestelijke kunstgrasvelden, waarvoor in 1999 een vrijstellingsprocedure is doorlopen.

22. Het college had het handhavingsverzoek op dit punt afgewezen in het primaire besluit van 10 april 2019, en in het eerste deel van de beslissing op bezwaar van 30 oktober 2019. In het tweede deel van de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2020 heeft het college ten aanzien van de lichtmasten alsnog een last onder dwangsom opgelegd, met een begunstigingstermijn tot 1 januari 2022. De rechtbank heeft ook hierover in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college de gekozen begunstigingstermijn in redelijkheid niet aan deze last onder dwangsom heeft kunnen verbinden. Met het herstelbesluit heeft het college deze last onder dwangsom ingetrokken, en heeft hij de oorspronkelijke afwijzing van dit deel van het handhavingsverzoek alsnog in stand gelaten. Daaraan legt het college ten grondslag dat handhaving nu onevenredig is, en dat hij dit op 1 februari 2021 opnieuw zal beoordelen. De rechtbank zal beoordelen of dit besluit stand kan houden, in het licht van de daartegen gerichte beroepsgrond.

23. Ook het college neemt inmiddels het standpunt in dat voor de 21 lichtmasten geen omgevingsvergunningen zijn verleend, en dat sprake is van een overtreding van het verbod om deze bouwwerken zonder omgevingsvergunning op te richten. Hoewel de Gooische Hockeyclub in haar zienswijze van 27 augustus 2020 heeft betwist dat sprake is van een overtreding, heeft zij niet meer gereageerd op dit gewijzigde standpunt van het college. Deze enkele betwisting vindt de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat er geen overtreding is. Daarvoor zou moeten komen vast te staan dat bouwvergunningen zijn verleend voor de lichtmasten. Omdat de Gooische Hockeyclub zich daar klaarblijkelijk op beroept, had het op haar weg gelegen om het bestaan van die vergunningen aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. Deze beroepsgrond van de Gooische Hockeyclub slaagt niet.

24. De rechtbank volgt dus de standpunten van [eiser] en van (inmiddels) het college, dat ten aanzien van de lichtmasten sprake is van een overtreding. Het college is bevoegd om hiertegen handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal het college in de regel van zijn handhavingsbevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het college worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, maar het is niet in geschil dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

25. Het college heeft voor de afwijzing van het handhavingsverzoek in het herstelbesluit gewezen op de planning van de Gooische Hockeyclub, die erop gericht is dat eind november zou worden gestart met de sloop van opstallen en de realisatie van nieuwe lichtmasten. Het college heeft verder verwezen naar de brief uit 1985, waaruit volgens hem de Gooische Hockeyclub het vertrouwen mag ontlenen dat niet handhavend wordt opgetreden. [eiser] is het niet eens met dit standpunt en voert in zijn zienswijze op het herstelbesluit aan dat de beginselplicht tot handhaving maakt dat nu al handhavend moet worden opgetreden tegen de lichtmasten.

26. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling het volgende volgt over de betekenis van een gedoogbesluit bij de beslissing op een handhavingsverzoek. Als een bestuursorgaan alsnog tot handhaving overgaat of een verzoek tot handhaving ontvangt, is de gedoogbeslissing één van de factoren die het bestuursorgaan bij zijn besluit over handhaving moet betrekken. Andere factoren zijn daarbij onder meer de aard, ernst, duur en aanvang van de overtreding, de belangen van derden en eventueel gewijzigde omstandigheden. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat van een gedoogbeslissing niet kan worden teruggekomen. De betekenis van een gedoogbeslissing is in zoverre dus betrekkelijk.3

27. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat handhavend optreden tegen de lichtmasten in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen dat het college in redelijkheid van handhaving heeft kunnen afzien. Het college heeft mee mogen wegen dat de Gooische Hockeyclub er belang bij heeft dat de vervanging van de lichtmasten volgens haar recente planning kan worden uitgevoerd, terwijl [eiser] belang bij handhaving nu van minder gewicht is. Daarbij betrekt de rechtbank de omstandigheid dat de vergunning voor de nieuwe lichtmasten in rechte vaststaat, en dat handhaving gericht tegen de huidige lichtmasten dus hoe dan ook niet kan leiden tot een blijvende situatie zonder lichtmasten op het terrein van de Gooische Hockeyclub. Handhavend optreden biedt voor [eiser] dus alleen een tijdelijke oplossing, waarvan hij het belang niet goed duidelijk heeft kunnen maken. De rechtbank oordeelt verder dat het college een redelijke afweging heeft gemaakt tussen enerzijds de toezegging uit 1985 om niet te gaan handhaven, en anderzijds de omstandigheid dat een dergelijke toestemming niet tot in lengte van jaren kan worden ingeroepen om een illegale situatie te verantwoorden. Het college heeft daarvan kennis gegeven in haar belangenafweging, door aan de afwijzing van het handhavingsverzoek nadrukkelijk een beperkte geldigheid toe te kennen, tot aan februari 2021. Als de illegale situatie op dat moment nog steeds bestaat kan [eiser] onder verwijzing naar deze afweging een nieuw besluit uitlokken, en dan zal het college in beginsel tot handhaving moeten overgaan. De beroepsgrond van [eiser] slaagt dus niet.

Conclusie

28. De beroepen van [eiser] en van de Gooische Hockeyclub zijn niet-ontvankelijk, voor zover zij zijn gericht tegen de gecombineerde besluitvorming van 30 oktober 2019 en 5 augustus 2020. De beroepen van [eiser] en van de Gooische Hockeyclub zijn ongegrond, voor zover zij zijn gericht tegen het herstelbesluit van 7 oktober 2020.

29. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat een tussenuitspraak is gedaan aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eisers, die worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor [eiser] stelt de rechtbank deze kosten vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Voor de Gooische Hockeyclub stelt de rechtbank deze kosten vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van de zienswijze met beroepsgronden en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

30. De rechtbank ziet om dezelfde reden aanleiding te bepalen dat het college aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van de Gooische Hockeyclub is geen griffierecht geheven.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van [eiser] en van de Gooische Hockeyclub niet-ontvankelijk, voor zover zij zijn gericht tegen de gecombineerde besluitvorming van 30 oktober 2019 en 5 augustus 2020;

  • -

    verklaart de beroepen van [eiser] en van de Gooische Hockeyclub ongegrond, voor zover zij zijn gericht tegen het herstelbesluit van 7 oktober 2020;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.312,50;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van de Gooische Hockeyclub tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    draagt het college op het door [eiser] betaalde griffierecht van € 174,- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraken kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2431.

2 Besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht en diverse andere algemene maatregelen van bestuur in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht (Stb. 2014, 333).

3 Uitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356.