Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5464

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
UTR 20/4217
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan de sluiting ten grondslag gelegd dat uit bestuurlijke rapportages volgt dat het aannemelijk is dat verzoeker met zijn notariskantoor het criminele circuit faciliteert, en dat zijn notariskantoor als zodanig bekend staat in het criminele circuit. Dit levert volgens verweerder op zichzelf een gevaar op voor de openbare orde. Verweerder heeft daarom aanleiding gezien om het notariskantoor op grond van artikel 2:43a van de APV te sluiten.

Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid kunnen overwegen dat het op basis van de bestuurlijke rapportages aannemelijk is dat verzoeker heeft witgewassen of criminele activiteiten heeft gefaciliteerd. In het besluit staan acht voorbeelden van verdachte transacties. Het is echter niet duidelijk wat de concrete rol en wetenschap van verzoeker is geweest bij deze diverse transacties en waarom dit volgens verweerder leidt tot de conclusie dat aannemelijk is dat verzoeker heeft witgewassen en criminele activiteiten heeft gefaciliteerd. Verweerder moet dit nader motiveren.

Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord door de aan verzoeker verweten gedragingen en dat deze verstoring een actuele dreiging vorm voor de ordelijke gang van zaken. Omdat uit de toelichting van artikel 2:43a van de APV en de beleidsregels volgt dat hiervan sprake moet zijn voor de toepassing van de sluitingsbevoegdheid, zal verweerder dit in de beslissing op bezwaar nader moeten motiveren.

De voorzieningenrechter is ten slotte van oordeel dat verweerder ten onrechte niet alle door verzoeker genoemde belangen kenbaar en in voldoende mate afgewogen. Verzoeker is op het moment niet werkzaam als notaris omdat hij geschorst is. De belangen van de waarneemster van het kantoor (daaronder begrepen het kunnen blijven bedienen van de bonafide klantenkring) en de negen werknemers van verzoeker bij het openblijven van het kantoor heeft verweerder niet concreet afgewogen tegen het belang om direct tot sluiting over te gaan.

Alles afwegend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft omdat het primaire besluit op een aantal punten onvoldoende is gemotiveerd. De belangen van verzoeker en zijn medewerkers moeten op het moment zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/4217

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. H. Doornhof),

en

de burgemeester van de gemeente Almere, verweerder (gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om het notariskantoor van verzoeker, gevestigd aan de [adres] in [vestigingsplaats] , op grond van artikel 2.43a van de Algemene plaatselijke verordening (APV) voor de duur van zes maanden te sluiten met ingang van 1 december 2020.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Bij de beoordeling van het verzoek acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen het primaire besluit een redelijke kans van slagen heeft.

2. In dit kader merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker op het moment van de zitting slechts een pro forma bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft verzoeker nog geen termijn gesteld om de gronden van bezwaar aan te vullen. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat zij de gronden uit de zienswijze kan aanmerken als de gronden van bezwaar. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening in het licht van deze bezwaargronden beoordelen.

De bestuurlijke rapportages en het verzoek om geheimhouding

3. In het kader van zijn verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen heeft verweerder een bestuurlijke rapportage van 21 oktober 2020 en een aanvullende bestuurlijke rapportage van 13 november 2020 overgelegd, afkomstig van de Politie Midden-Nederland. Ten aanzien van een derde bestuurlijke rapportage (ook) van 13 november 2020 heeft verweerder een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene

wet bestuursrecht (Awb) en medegedeeld dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van de inhoud daarvan. Bij beslissing van 30 november 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de gevraagde beperkte kennisneming van de bestuurlijke rapportage gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb aan de voorzieningenrechter om kennis te nemen van deze rapportage.

De feiten en omstandigheden

4. Verzoeker is werkzaam als notaris in [.] en voert zijn ambt uit middels zijn notariskantoor [naam notariskantoor] , ook wel bekend onder de handelsnaam [handelsnaam] B.V. Het notariskantoor van verzoeker is gevestigd in een bedrijfsverzamelgebouw op het adres [adres] in [vestigingsplaats] . Bij het kantoor zijn, naast verzoeker, nog negen mensen werkzaam. Op 17 februari 2020 is verzoeker door de Kamer van het Notariaat uit zijn ambt ontzet omdat hij tuchtrechtelijk een ernstig verwijtbare misstap zou hebben begaan. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 9 februari 2021 wordt de uitspraak verwacht van het gerechtshof in Amsterdam in die beroepsprocedure. Ondertussen is verzoeker per 10 november 2020 geschorst in de uitoefening van zijn ambt.

Het primaire besluit

5. Uit de openbare bestuurlijke rapportages die ten grondslag liggen aan het primaire besluit volgt volgens de politie dat verzoeker als notaris contacten onderhoudt met meerdere criminelen en/of criminelen die in een crimineel netwerk met elkaar in verband kunnen worden gebracht en ook faciliteert hij deze personen door het opmaken en passeren van aktes. Op deze manier kunnen volgens de politie gelden met een criminele herkomst worden witgewassen, worden aktes gepasseerd die indicatoren van witwassen bevatten en worden aktes gepasseerd die vanuit een economisch oogpunt ongebruikelijk, onverklaarbaar of onsamenhangend zijn. Uit het onderzoek blijkt volgens de politie verder dat het notariskantoor van verzoeker hierom bekend staat in het criminele circuit. Verzoeker zou bereid zijn om bepaalde aktes te passeren waar andere notarissen hun vraagtekens bij hebben gezet. Verder merkt de politie op dat verzoeker een intensieve werkrelatie onderhoudt met een geroyeerde oud-notaris, wat volgens de notariële regels niet is toegestaan. Deze oud-notaris heeft zelf meerdere strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam staan. Verzoeker is ook onderwerp van strafrechtelijk onderzoek; hij wordt verdacht van witwassen, valsheid in geschrifte en het niet voldoen aan de meldplicht in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) in een meerdere zaken omvattend opsporingsonderzoek. Daarnaast concludeert de politie dat er zich in de klantenkring van verzoeker personen bevinden met (vele) strafrechtelijke veroordelingen op het gebied van (vuurwapen)geweld. Wanneer dergelijke klanten het notariskantoor bezoeken, kan dit volgens de politie zorgen voor een gevaar voor de openbare orde in (de directe omgeving) van het pand.

6. Verweerder stelt zich in het primaire besluit op het standpunt dat uit de bestuurlijke rapportages volgt dat het aannemelijk is dat verzoeker met zijn notariskantoor het criminele circuit faciliteert, en dat zijn notariskantoor als zodanig bekend staat in het criminele circuit. Dit levert volgens verweerder op zichzelf een gevaar op voor de openbare orde. Verweerder heeft daarom aanleiding gezien om de kantoorunit waarin het notariskantoor huist (hierna aangeduid als ‘het kantoorpand’) op grond van artikel 2:43a van de APV te sluiten. Volgens verweerder is een sluiting voor een periode van zes maanden nodig om de loop naar het pand voor (het faciliteren van) criminele doeleinden eruit te halen en de bekendheid van het bedrijf in dit circuit te doorbreken. Dit kan volgens verweerder niet worden bereikt met een minder zwaar middel zoals een dwangsom of een waarschuwing.

Horen

7. Verzoeker voert allereerst aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze mondeling naar voren te brengen. Verweerder heeft alleen de mogelijkheid geboden om schriftelijk een zienswijze in te dienen.

8. De voorzieningenrechter volgt verzoeker in dit standpunt. Op grond van artikel 4:9 van de Awb moet een belanghebbende de mogelijkheid hebben om een keuze te maken tussen het geven van een schriftelijke of een mondelinge zienswijze, in het geval een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben. Dat verweerder verzoeker binnen de in het voornemen tijdelijke sluiting genoemde termijn niet de mogelijkheid heeft geboden om mondeling zijn zienswijze te geven, is strijdig met het hiervoor genoemde artikel. Verweerder heeft de mogelijkheid om dit in bezwaar te herstellen. Verzoeker zal in de gelegenheid moeten worden gesteld om gehoord te worden door (een medewerker van) verweerder. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat er geen wettelijk recht bestaat voor verzoeker om gehoord te worden door de burgemeester zelf. Horen door een van zijn medewerkers die daartoe gemandateerd is volstaat.

Is het aannemelijk dat verzoeker criminele activiteiten heeft gefaciliteerd?

9. Inhoudelijk voert verzoeker aan dat de bevindingen van de politie geen sluiting rechtvaardigen. Uit de door verweerder aangehaalde voorbeelden volgt volgens verzoeker niet dat aannemelijk is dat hij zich bezighoudt met witwassen en het faciliteren van criminele activiteiten. Aan verzoeker kan wellicht worden verweten dat hij in sommige zaken onzorgvuldig heeft gehandeld, maar daarvoor is hij tuchtrechtelijk al berispt. Verder loopt er al jaren een strafrechtelijk onderzoek naar verzoeker, maar het Openbaar Ministerie heeft tot nu toe geen vervolging ingesteld en verzoeker heeft ook al jaren niks hierover gehoord. Verweerder doorkruist met zijn besluit het straf- en tuchtrecht door zich ten onrechte op te stellen als crime fighter in plaats van handhaver van de openbare orde.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met zijn besluit niet het straf- en tuchtrecht doorkruist. De sluiting van het kantoorpand door middel van het uitoefenen van bestuursdwang wordt gekwalificeerd als een bestuurlijke maatregel en niet als een punitieve sanctie. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat dit voor verzoeker misschien anders voelt, vindt er met het primaire besluit geen vaststelling van schuld plaats

in de strafrechtelijke zin of van overtreding van regels in de tuchtrechtelijke zin. Verweerder sluit namelijk indien het aannemelijk is dat er in het kantoorpand criminele activiteiten worden uitgevoerd en/of gefaciliteerd. Dit is een andere toets dan die in het straf- of

tuchtrecht wordt aangehouden.

11. Over de vraag of verweerder op basis van de bestuurlijke rapportages heeft kunnen concluderen dat het aannemelijk is dat er sprake is van witwassen en het faciliteren van criminele activiteiten overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder legt een achttal voorbeelden aan het besluit ten grondslag, die voortvloeien uit de bestuurlijke rapportages van de politie. Deze voorbeelden bevatten een samenvatting van transacties waarbij het notariskantoor van eiser zou zijn betrokken, gedragingen van verzoeker en informatie over bepaalde (zaken)relaties van verzoeker, waaraan conclusies worden verbonden door de politie. Uit de voorbeelden die verweerder aan het besluit ten grondslag legt, leidt de voorzieningenrechter af dat verzoeker een bepaalde mate van onzorgvuldigheid kan worden verweten. De voorzieningenrechter begrijpt dat uit de voorbeelden een beeld kan ontstaan dat verzoeker ‘wegkijkt wanneer het hem uitkomt’. De voorbeelden 1, en 3 tot en met 8 zijn echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dusdanig concreet dat kan worden vastgesteld wat de exacte rol en wetenschap van verzoeker is geweest in deze onderzoeken. Ook volgt uit de voorbeelden niet duidelijk wat de criminele activiteit zou zijn die verzoeker gefaciliteerd zou hebben. Om dit oordeel te verduidelijken wijst de voorzieningenrechter naar voorbeeld 1. Hierin is te lezen dat de hoofdverdachte (niet zijnde verzoeker) in een onderzoek naar witwassen het kantoor van verzoeker heeft benaderd voor een transactie, en dat verzoeker bereid was om zijn diensten te verlenen. Nog voor de overdracht kon plaatsvinden was verzoeker echter op non-actief gesteld. Een waarnemer heeft toen de dienstverlening overgenomen. Uit dit voorbeeld volgt op geen enkele wijze hoeveel informatie verzoeker al had over deze transactie voordat hij de zaak moest overdragen. Of hij verantwoordelijk is te houden voor het niet melden van deze transactie volgt verder ook niet uit deze informatie.

Ook voorbeeld 4 verduidelijk het oordeel van de voorzieningenrechter. Daarin wordt door verweerder aangegeven dat bij verzoeker een vennootschap is opgericht die onderdeel is van een verdachte zakelijke transactie/investering. Die investering zou zijn gedaan via de rekening van het kantoor van verzoeker. Dat de transactie voor verzoeker kenbare verdachte kenmerken zou bevatten, zoals de politie stelt, blijkt niet uit de weergave in het primaire besluit. Daarbij komt dat daarin wordt aangegeven dat het onduidelijk is of de investering heeft plaatsgevonden. In hoeverre verzoeker inhoudelijk betrokken is geweest bij deze transactie, die al dan niet plaats heeft gevonden, blijft verder onduidelijk.

12. Dit is slechts anders in voorbeeld 2. In de zaak over de [achternaam(-s)] acht de voorzieningenrechter het redelijk dat verweerder tot de conclusie komt dat het aannemelijk is dat verzoeker criminele activiteiten heeft gefaciliteerd. Verzoeker heeft een dubieuze (eigen) notariële verklaring opgesteld over het waarnemen van een zeer grote som contant geld. Op zitting heeft verzoeker bevestigd dat deze transactie onderdeel uitmaakt van het strafrechtelijke onderzoek tegen hem. Ook is deze transactie de directe aanleiding geweest voor de (nog niet onherroepelijke) ontzetting uit het ambt van notaris op 17 februari 2020.

13. Verweerder kan het oordeel dat aannemelijk is dat verzoeker criminele activiteiten heeft gefaciliteerd echter zonder nadere motivering niet in redelijkheid baseren op alleen voorbeeld 2. Hoewel verzoeker daarin een ernstig verwijt kan worden gemaakt, volgt daaruit niet dat aannemelijk is dat verzoeker op structurele wijze criminele activiteiten faciliteert. Verder acht de voorzieningenrechter in dit kader relevant dat de verklaring over de [achternaam(-s)] onderdeel is van een langlopend strafrechtelijk onderzoek, en dat het Openbaar Ministerie (tot nu toe) niet is overgegaan tot strafrechtelijke vervolging. In het primaire

besluit zijn verder nog een drietal zogenoemde TCI-meldingen als ook de tuchtrechtmaatregelen genoemd. De voorzieningenrechter merkt hierover op dat deze niet zijn opgenomen ter toelichting van de conclusies van de politie, zoals weergegeven bij nummer 5.

14. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gezien het voorgaande, niet in redelijkheid kunnen overwegen dat het op basis van de bestuurlijke rapportages aannemelijk is dat verzoeker heeft witgewassen of criminele activiteiten heeft gefaciliteerd. Verweerder zal in zijn beslissing op bezwaar nader moeten motiveren wat de concrete rol en wetenschap van verzoeker is geweest bij de diverse transacties, en waarom dit volgens verweerder leidt tot de conclusie dat aannemelijk is dat verzoeker heeft witgewassen en criminele activiteiten heeft gefaciliteerd.

Is er sprake van een gevaar voor – of verstoring van – de openbare orde?

15. Verzoeker stelt zich verder op het standpunt dat als er al sprake zou zijn van het faciliteren van criminele activiteiten zoals witwassen en Wwft-delicten, dit op zichzelf geen verstoring van – of gevaar voor – de openbare orde oplevert. Verweerder gaat hier in het bestreden besluit van uit, maar die redenering volgt niet uit de Beleidsregels. Er is verder op geen enkele wijze aangetoond dat de werkzaamheden van verzoeker hebben geleid tot incidenten in en om het kantoor. Waar het gevaar voor de openbare orde uit blijkt is onduidelijk. Verweerder noemt in dit kader dat verzoeker in verband wordt gebracht met iemand die als vuurwapengevaarlijk en verzetpleger bekend staat, maar uit de informatie blijkt op geen enkele wijze dat verzoeker deze persoon heeft ontmoet.

16. Verzoeker werpt hier de vraag op of verweerder (ook) bevoegd is om tot sluiting op grond van artikel 2:43a van de APV over te gaan als er zich nog geen concrete verstoringen van de openbare orde hebben voorgedaan. Verzoeker bedoelt hiermee dat het standpunt van verweerder dat de openbare orde al verstoord is door de vermenging van de ‘onderwereld’ met de ‘bovenwereld’ (de zogenoemde ‘ondermijning’) niet voldoende is om te spreken van een verstoring van de openbare orde in de zin van de APV, te meer nu verweerder erkent dat er geen incidenten hebben plaatsgevonden in of rondom het pand.

17. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Artikel 2:43a is opgenomen in Afdeling 11 van de APV, genaamd ‘Maatregelen tegen overlast en baldadigheid’. Uit artikel 2:43a van de APV volgt dat de burgemeester een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk kan sluiten in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

In de toelichting op artikel 2:43a van de APV staat:

"Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting indien sprake is van een ordeverstoring die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De sluiting kan dan slechts van korte duur zijn. Soms is een langere sluiting wenselijk en ontbreekt het de burgemeester de bevoegdheid tot langere sluiting op grond van artikel 174 Gemeentewet. Artikel 2:43a voorziet hierin; […]

De burgemeester zal o.a. tot het oordeel kunnen komen dat sluiting noodzakelijk is indien een van de volgende situaties zich voordoet:

  1. indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw;

  2. indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten worden gepleegd, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw; […]"

18. Volgens deze toelichting is het voor de toepassing van artikel 2:43a van de APV vereist dat de burgemeester aannemelijk maakt dat concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord. Verweerder betoogt daarom terecht dat volgens deze toelichting niet is vereist dat zich al een concrete verstoring van de openbare orde heeft voorgedaan.

19. Voordat hij van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik kan maken zal verweerder echter wel aannemelijk moeten maken dat het concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord en dat dit een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken. Hoe verweerder daar invulling aan kan geven is nader uitgewerkt in de ‘Beleidsregel sluiting van openbare inrichtingen en voor publiek openstaande gebouwen’ (de Beleidsregel).

20. Volgens de Beleidsregel is artikel 2:43a van de APV een sluitingsbepaling voor overlastgevende voor publiek openstaande gebouwen. De bepaling is bedoeld om de openbare orde, de veiligheid, zedelijkheid of gezondheid te herstellen door de (ernstige) verstoringen van de openbare orde (o.a. criminele activiteiten en geweldsdelicten), strafbare handelingen en ontoelaatbare overlastsituaties (o.a. aanhoudende overlast vanuit een inrichting) te bestrijden.

21. In de Beleidsregel is verder een lijst opgenomen van zogenaamde ‘categorie 1’ incidenten, waarbij sprake is van criminele activiteiten die de openbare orde […] aantasten en van een ernstige verstoring van de openbare orde. Bij deze categorie is volgens het beleid sprake van een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Onder categorie 1 vallen onder andere ernstige geweldsdelicten, handel in vuurwapens, zedendelicten, heling en illegaal gokken. Van deze delicten begrijpt de voorzieningenrechter dat zij een verstoring van de openbare orde tot gevolg kunnen hebben en dat deze verstoring een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, of in ieder geval dat in specifieke gevallen concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord als bedoeld in artikel 2:43a van de APV.

22. In de lijst van categorie 1 zijn daarnaast ook de aan verzoeker verweten gedragingen ‘witwassen’ en ‘faciliteren van criminele activiteiten’ opgenomen. In het geval van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord door deze aan verzoeker verweten gedragingen en dat deze verstoring een actuele dreiging vorm voor de ordelijke gang van zaken, gelet op datgene wat daarover is opgenomen in het primaire besluit. Het is de voorzieningenrechter uit het bestreden besluit niet gebleken waaruit het door verweerder beoogde concrete gevaar bestaat. Nu uit de toelichting van artikel 2:43a van de APV en de beleidsregels volgt dat hiervan sprake moet zijn voor de toepassing van de sluitingsbevoegdheid, zal verweerder dit in de beslissing op bezwaar nader moeten motiveren. De verwijzing naar een bedreigend gesprek tussen

verzoeker en een man die als vuurwapengevaarlijk te boek staat (in voorbeeld 8), waarvan niet is komen vast te staan dat dit gesprek ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hiertoe onvoldoende. Ook het bezoek van een persoon met antecedenten op het gebied van geweld (voorbeeld 6) levert niet het door verweerder bedoelde concrete gevaar op.

Heeft verweerder alle belangen zorgvuldig afgewogen?

23. Verzoeker voert ten slotte aan dat verweerder de belangen die in deze zaak spelen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewogen. Verweerder schaart de in het verzoekschrift genoemde belangen van verzoeker allemaal onder de noemer ‘financiële belangen’, en concludeert dan ten onrechte dat dit een voorzien gevolg van de sluiting is. Ten onrechte weegt verweerder niet expliciet de belangen van de negen werknemers die verzoeker in dienst heeft. Deze mensen komen door de sluiting tijdelijk zonder werk te zitten. Verder heeft verweerder ten onrechte niet kenbaar meegewogen dat verzoeker geschorst is als notaris. Hij kan zich dus ook niet meer bezighouden met het faciliteren van enige criminele activiteiten. Het doel van de sluiting is daarom al bereikt.

24. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ten onrechte niet alle door verzoeker genoemde belangen kenbaar en in voldoende mate afgewogen. Zo zijn de belangen van de waarneemster en de negen werknemers van verzoeker niet concreet afgewogen tegen het belang van verweerder om direct tot sluiting over te gaan. Door deze belangen te scharen onder de financiële belangen van verzoeker gaat verweerder voorbij aan de persoonlijke belangen van deze personen bij het open blijven van het kantoor. Omdat er een waarneemster is aangesteld betekent de schorsing van verzoeker immers niet dat de medewerkers van verzoeker sowieso zonder werk zijn komen te zitten. Verder heeft verweerder ten onrechte niet meegewogen dat nergens uit is gebleken dat de waarneemster de gestelde praktijken van verzoeker voortzet. Dat volgt immers niet uit de (meest recente) bestuurlijke rapportages. Anders dan ter zitting door verweerder nog is verklaard over overleg met de waarneemster over de bereikbaarheid en overdracht van het fysieke protocol, is in de besluitvorming niet specifiek aandacht besteed aan de daadwerkelijk mogelijkheden daartoe. Ook de eerst bij het primaire besluit van

24 november 2020 genoemde sluiting met ingang van 1 december 2020 geeft daar onvoldoende blijk van. Verweerder zal in het bestreden besluit nader op de hiervoor genoemde aspecten in moeten gaan.

De belangenafweging van de voorzieningenrechter

25. Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft omdat het primaire besluit op een aantal punten onvoldoende is gemotiveerd. De voorzieningenrechter maakt in dat geval zelf ook nog een belangenafweging. Het is de voorzieningenrechter op voorhand niet duidelijk of het belang van verweerder, namelijk het herstellen van de openbare orde, hier wel aan de orde is op de manier zoals verweerder dat verdedigt. Daar komt bij dat vast staat dat verzoeker op dit moment geen notariële werkzaamheden mag uitvoeren. Daarvoor is een waarneemster aangesteld. Gesteld noch gebleken is dat deze waarneemster mee zal werken aan malafide transacties. Daartegenover staat het belang van het openblijven van het notariskantoor van verzoeker voor de continuïteit van dienstverlening voor (bonafide) klanten, het belang van de medewerkers van verzoeker bij het behoud van hun baan, en het financiële belang van verzoeker.

Voorlopig oordelend oordeelt de voorzieningenrechter dat het belang van verzoeker op dit moment moet prevaleren.

Geadresseerde van de besluitvorming

26. Tot slot nog een opmerking wat betreft de geadresseerde van het primaire besluit. Verweerder heeft het primaire besluit gericht aan verzoeker zelf. Nu het de sluiting van het kantoorpand betreft, is ter zitting door de voorzieningenrechter gevraagd wie daarvan de huurder is. Verzoeker heeft aangegeven dat dat [handelsnaam] B.V. is. Uit de bestuurlijke rapportage van 21 oktober 2020 volgt dat de bestuurder van deze vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. betreft. Verzoeker is op zijn beurt bestuurder van deze Holding B.V. Nu het bezwaarschrift mede is ingediend namens [handelsnaam] B.V., ligt het op de weg van verweerder zich nader te vergewissen wie geadresseerde van besluitvorming moet zijn en daar de gevolgen aan te verbinden die hij nodig acht.

Conclusie

27. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

28. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

29. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 16 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.