Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5449

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 324
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

6 december 2019 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/324

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [Plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: mr. P.C. Smit),

en

De Minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , gemachtigde: mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft een relatie gehad met mevrouw [A] . Zij hebben samen een zoon: [Zoon] . Op 19 juli 2019 heeft [A] een aanvraag ingediend om de achternaam van [Zoon] te veranderen van [Achternaam 1] in [Achternaam 2] . Bij besluit van 17 september 2019 is deze aanvraag toegewezen. Eiser heeft hier bezwaar tegen ingediend, maar dat bezwaar is op 6 december 2019 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

2. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de rechtbank hebben alle betrokkenen een nadere schriftelijke reactie ingediend.

3. De zaak is op de Skype zitting van 3 september 2020 behandeld. Hierbij is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is [A] gehoord als derde belanghebbende, waarbij zij werd bijgestaan door haar gemachtigde. De Minister is, ondanks daartoe op de juiste wijze te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

4. Bij tussenuitspraak van 2 oktober 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank De Minister in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek te herstellen. De Minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

5. Eiser en [A] zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de reactie van De Minister een zienswijze in te dienen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. [A] heeft wel een zienswijze ingediend.

6. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Oordeel van de rechtbank

7. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 20171.

8. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. In de belangenafweging die De Minister heeft moeten maken, heeft De Minister terecht overwogen dat de argumenten die eiser hierover naar voren heeft gebracht, niet maken dat de achternaamswijziging niet in het belang van [Zoon] is. De Minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom achternaamswijziging wél in het belang van [Zoon] is.

9. De Minister heeft in een aanvullende motivering gereageerd op de tussenuitspraak. Over de belangenafweging heeft de Minister overwogen dat [Zoon] sinds zijn geboorte een gezin met de moeder vormt en nimmer met de vader in gezinsverband heeft samengeleefd. De achternaamswijziging geeft dan ook uitdrukking aan de (bestendige) gezinssituatie tussen de moeder en [Zoon] . De Minister heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het belang van het kind zich tegen de achternaamswijziging verzet. Het familie- en gezinsleven van de moeder en [Zoon] dient dan ook zwaarder te wegen dan de bezwaren van de vader tegen de naamswijziging.

10. [A] heeft in haar zienswijze aangegeven akkoord te gaan met het herstel door de Minister.

11. De rechtbank is van oordeel dat de Minister met de aanvullende motivering wel voldoende heeft gemotiveerd waarom achternaamswijziging in het belang van [Zoon] is. Hoewel de motivering wat summier is, raakt het wel de kern van waarom het belang van [Zoon] met het besluit gediend is. [Zoon] heeft immers altijd met zijn moeder samengewoond en nooit met zijn vader, waardoor het past bij zijn gezinssituatie om de achternaam van [A] aan te nemen.

12. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de Minister de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. De Minister heeft mogen stellen dat het familie- en gezinsleven van [A] en [Zoon] zwaarder dient te wegen dan de bezwaren van eiser tegen de naamswijziging. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank al overwogen waarom de bezwaren die eiser tegen de naamswijziging heeft aangevoerd niet opgaan en niet maken dat de belangenafweging in zijn voordeel uit zou moeten vallen.

Conclusie

13. Vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het besluit kunnen echter in stand blijven omdat de Minister de aanvraag had mogen toewijzen. Dit betekent dat de achternaam van [Zoon] mag worden gewijzigd.

14. Vanwege de gegrondheid van het beroep veroordeelt de rechtbank De Minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat De Minister aan eiser het griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

 veroordeelt De Minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50;

 draagt De Minister op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken en bekend gemaakt op 7 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ABRvS 12 april 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1013.