Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5426

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1576
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iow

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1576

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

gemachtigde: M. van der Feer.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij in de maanden mei en augustus 2019 in totaal € 1.399,25 bruto te veel uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) heeft ontvangen. Dit bedrag heeft verweerder verrekend met de IOW-uitkering over de maanden september, oktober en november 2019.

Bij besluit van 6 januari 2020 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij in oktober 2019 € 470,91 bruto te veel IOW-uitkering heeft ontvangen.

Bij de betaalspecificatie van 21 januari 2020 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de terugvordering van 6 januari 2020 verrekend met de uitkering over december 2019.

Bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2019 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2020 is gegrond verklaard, in die zin dat verweerder de terugvordering niet geheel had mogen verrekenen met de uitkering over december 2019. Omdat het herstellen van dit besluit eiseres in een nadelige positie brengt, wijzigt verweerder de beslissing niet.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiseres is verschenen. Verweerder is, met berichtgeving, niet verschenen.

Overwegingen

Ontvangst stukken na de zitting

1. De brief die eiseres na afloop van de zitting op 3 november 2020 heeft verstuurd is niet

betrokken bij deze uitspraak. Artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 bepaalt dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij deze aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. Dat laatste is niet het geval en daarom zal deze brief buiten beschouwing worden gelaten.

Feiten en omstandigheden

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 15 oktober 2015 heeft eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Zij ontving deze uitkering vanaf 2 november 2015. Eiseres ontvangt sinds 27 februari 2019 een IOW-uitkering. Eiseres heeft in de periodes van 21 april 2019 tot en met 3 mei 2019, 21 juli 2019 tot en met 10 augustus 2019 en van 21 september 2019 tot en met 19 oktober 2019 gewerkt als reisleider in het buitenland en heeft hiervoor inkomsten ontvangen. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de inkomsten van eiseres uit de gewerkte periodes in het buitenland gedeeltelijk worden gekort op haar IOW-uitkering en worden verrekend dan wel worden teruggevorderd.

Het oordeel van de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat zij schade heeft geleden omdat zij geen IOW-uitkering heeft ontvangen over de periode dat zij uitgesloten was van IOW en door de 70% teruggevorderde inkomsten uit haar dienstverband over de hele periode. Eiseres voert aan dat het niet eerlijk is dat zij dubbel wordt gekort en dit eiseres niet motiveert om aan het werk te gaan. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij pas op 30 november 2019 te horen kreeg dat zij door het uitsluitingsgrond geen recht meer heeft op een IOW-uitkering wanneer zij in het buitenland werkt. Daarnaast heeft eiseres benoemd dat er maatwerk moet worden verricht en alleen de 70% kortingsregeling moet worden toegepast. Volgens eiseres is dat eerlijk, omdat haar situatie dan gelijk is aan mensen die in Nederland inkomsten hebben naast een IOW-uitkering.

5. Volgens artikel 6, eerste lid, van de IOW is het buiten Nederland wonen of verblijf houden anders dan wegens vakantie, een uitsluitingsgrond voor het recht op uitkering.

6. Volgens artikel 10 van de IOW wordt inkomen uit arbeid voor 70% in mindering gebracht op de uitkering.

7. Volgens artikel 35, vierde lid, van de IOW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

8. De rechtbank stelt voorop dat de door verweerder aangemerkte perioden van verblijf in het buitenland niet in geschil zijn in deze zaak. Dat eiseres buiten Nederland verbleef ‘anders dan wegens vakantie’ wordt ook niet betwist door eiseres.

9. Het is juist dat zowel artikel 6, eerste lid als artikel 10 van de IOW op de situatie van eiseres van toepassing is. Dit zijn dwingendrechtelijke regelingen, waar verweerder niet zomaar van af mag wijken. Dat betekent dat verweerder niet kan ‘kiezen’ om alleen 70% van de inkomsten te korten, zoals eiseres wil. De rechtbank zal dat hierna verder uitleggen.

10. Een IOW-uitkering kan naar zijn aard niet worden meegenomen naar het buitenland. Dat staat in artikel 6 van deze wet. Een uitzondering hierop vormt de periode van vier weken die jaarlijks als vakantie in het buitenland mogen worden doorgebracht, mits daarvan vooraf melding is gemaakt en toestemming is verkregen van verweerder. In het geval van eiseres is er geen sprake van verblijf in het buitenland wegens vakantie. Het recht van eiseres op uitkering is daarom op grond van artikel 6 van de IOW terecht geëindigd op het moment dat zij tegen betaling werkzaamheden verrichtte in het buitenland. Dat eiseres pas op 30 november 2019 van het uitsluitingsgrond op de hoogte is gebracht volgt de rechtbank niet. In de beslissing van 3 mei 2019 is opgenomen dat eiseres in de periode dat zij in het buitenland verbleef, anders dan vakantie, geen recht heeft op een IOW-uitkering en hiervan wordt uitgesloten.

11. Zoals verweerder uitlegt in zijn verweerschrift is in eerste instantie rekening gehouden met de perioden van uitsluiting van het recht op een IOW-uitkering. Op een later moment (27 november 2019 en 6 januari 2019) zijn de inkomsten, betaald in de maanden mei, augustus en oktober 2019 verrekend op grond van artikel 10 van de IOW met de IOW-uitkering.

12. Eiseres vindt dat zij dubbel wordt gekort en beschouwt dat als een onrechtmatige daad van het Uwv. Zij vindt dat er sprake is grote rechtsongelijkheid ten opzichte van andere medewerkers die werkzaam zijn in Nederland in de reisbranche, omdat zij geen recht heeft op een IOW-uitkering in de gewerkte perioden in het buitenland en daarbij ook 70% gekort wordt in maanden dat zij salaris heeft ontvangen over die gewerkte perioden. Volgens eiseres heeft zij hierdoor € 7.175,-- schade geleden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Dat eiseres haar situatie vergelijkt met werknemers in Nederland, die inkomsten hebben, is een vergelijking die niet opgaat, omdat eiseres, vanwege haar gewerkte perioden in het buitenland ook onder een uitsluitingsgrond valt. Dit geldt voor iedereen in dezelfde situatie als eiseres, die in het buitenland werkt en inkomsten heeft. Van rechtsongelijkheid of een onrechtmatige daad van het Uwv is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. Zoals verweerder in een berekening, gevoegd bij een emailbericht van 17 februari 2020 (gedingstuk B52) heeft becijferd, heeft eiseres, alles bijeengenomen, meer te besteden gehad, dan wanneer zij niet zou hebben gewerkt.

13. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om de IOW-uitkering van eiseres opnieuw te berekenen en de teveel ontvangen uitkering terug te vorderen. Niet is gebleken dat verweerder de wet onjuist heeft toegepast. Van een dringende reden, zoals genoemd in artikel 35, vierde lid, van de IOW, om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is naar het oordeel van de rechtbank ook niet gebleken.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.