Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5421

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
C/16/505746 / HL ZA 20-218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

4:78 BW, 843a Rv

Een onterfde legitimaris vordert van executeur (ook erfgenaam) de afgifte van kopieën van stukken betreffende de nalatenschap. De legitimaris stelt deze stukken nodig te hebben om de omvang van de legitieme portie te kunnen berekenen en controleren. De rechtbank geeft enkele algemene overwegingen over de positie van de legitimaris-niet-erfgenaam ten opzichte van de erfgenamen met betrekking tot de nalatenschap. Geconcludeerd wordt dat een 'fishing expedition' niet snel mag worden aangenomen. De legitimaris moet in staat worden gesteld de omvang van zijn legitieme portie te kunnen vaststellen en controleren. Die legitieme portie wordt vastgesteld aan de hand van de legitimaire massa. Voor de omvang van de legitimaire massa zijn ook schenkingen van vóór het overlijden van de erflater belang. Het recht van de legitimaris op financiële stukken ziet daarom niet enkel op de omvang van de nalatenschap per datum overlijden, maar ook op het vermogensverloop van de erflater voorafgaand aan zijn overlijden in verband met relevante schenkingen. Op de executeur rust ter zake een zorgplicht jegens de legitimaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/15.5
RFR 2021/47
ERF-Updates.nl 2021-0077
JERF Actueel 2020/389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/505746 / HL ZA 20-218

Vonnis in incident van 21 oktober 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. C.T. Jaarsma te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.D. Mers te Amsterdam.

Eiseres in conventie zal hierna de executeur worden genoemd en gedaagde in conventie zal de legitimaris worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie tevens houdende de incidentele vordering ex artikel 843a Rv

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De hoofdzaak in het kort

Op [2017] is de heer [A] overleden, hierna de erflater. Hij was gehuwd met de executeur en uit dat huwelijk zijn drie (thans meerderjarige) kinderen geboren:
- [B]
- [C] en
- [gedaagde] , de legitimaris

In het testament van erflater is de executeur tot executeur benoemd. Verder is de executeur aangewezen als erfgenaam voor 135/1000 deel, zijn [B] en [C] aangewezen als erfgenaam voor 432,5/1000 deel ieder, is de legitimaris onterfd en is de wettelijke verdeling van toepassing verklaard. De legitimaris heeft na het overlijden van erflater aanspraak gemaakt op haar legitieme portie. Partijen twisten over de omvang van de legitimaire massa. De legitimaire massa is de waarde van de nalatenschap op basis waarvan de legitieme portie berekend wordt. De omvang van de legitimaire massa wordt bepaald door artikel 4:65 BW: de waarde van de nalatenschap wordt vermeerderd met daartoe in aanmerking te nemen giften (artikel 4:67 e.v.) en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a t/m c en f).

In de hoofdzaak hebben zowel de executeur (in conventie) als de legitimaris (in reconventie) gevorderd dat de rechtbank de omvang van de legitimaire massa zal vaststellen en op basis daarvan ook de hoogte van de legitieme portie zal vaststellen.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

De legitimaris vordert in dit incident dat de executeur wordt veroordeeld om binnen vier weken na dit vonnis aan de legitimaris kopieën te verschaffen van de volgende stukken:

  1. aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting van erflater vanaf 2007 tot en met 2017 en van de executeur van 2009 tot en met 2015

  2. bewijs van de gift op de conceptboedelbeschrijving van € 8.200,00 en een opgave van de overige giften

  3. van bankrekening [rekeningnummer 1] de volgende afschriften:
    - rekeningafschrift [2017] (met daarop de afschrijvingen die in de maand [2017] hebben plaatsgevonden)
    - rekeningafschrift van januari/februari 2016
    - bankafschriften van [2007] tot [2012]

  4. alle bankafschriften van [2007] tot en met [2017] van bankrekeningen:
    - [rekeningnummer 2]
    - [rekeningnummer 3] op naam van de executeur
    - [rekeningnummer 4] op naam van de executeur
    - [rekeningnummer 5] op naam van de executeur, de erflater of beiden
    - [rekeningnummer 6] op naam van de executeur, de erflater of beiden

  5. alle rekeningafschriften van bankrekening [rekeningnummer 7] op naam van de executeur tot en met [2012]

  6. alle rekeningafschriften van de profijtrekening [rekeningnummer 7] vanaf [2007] tot en met [2017]

  7. alle rekeningafschriften van de [rekeningnummer 8] vanaf [2007] tot en met [2017]

  8. foto’s van de binnenkant van de woning waaruit de inrichting van elke ruimte blijkt

  9. taxatierapport met de waarde per datum van overlijden van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats]

  10. hypotheekakte waaruit blijkt wanneer, door wie en voor welk bedrag de in de boedelomschrijving opgenomen hypotheek is afgesloten

  11. de onderhandse akte behorende bij de akte van levering van de [adres 2] van 5 februari 1999

  12. verkoopbewijs van de auto en ontvangst van de betaling voor de auto

  13. financiële jaaroverzichten van de ING en de Rabobank waaruit blijkt welke producten erflater en de executeur bij die banken aanhielden in de jaren 2007 tot en met 2017

  14. de polis bij Bovemij Verzekeringen met polisnummer [polisnummer]

  15. stukken van de door erflater aangehouden beleggingsrekening waaruit de waarde blijkt van de belegging op [2017] , althans van de waarde bij het opheffen van die rekening en het daaraan gekoppelde spaarproduct Roparco

  16. de aanslag erfbelasting

  17. de polis van de inboedelverzekering ten tijde van het overlijden van erflater

  18. verklaringen van erfrecht met betrekking tot de door erflater tijdens zijn leven ontvangen erfenissen en de testamenten die betrekking hebben op die erfenissen

  19. een volledige en juiste boedelbeschrijving met onderliggende stukken.

3.2.

De legitimaris baseert haar vordering op artikel 4:78 BW. Dit artikel geeft de legitimaris, niet zijnde erfgenaam, het recht op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij nodig heeft voor de berekening van de legitieme portie. Een vordering op deze grondslag kan als een incident worden aangemerkt. Om in deze procedure effectief verweer te kunnen voeren tegen de stellingen van de executeur, zal de legitimaris moeten beschikken over de stukken op basis waarvan de legitimaire massa zal worden bepaald waarop de legitieme portie wordt gebaseerd. Nog los van het feit dat de rechtbank, als zij op een deugdelijke wijze de omvang van de legitimaire massa en de hoogte van de legitieme portie vast moet stellen zelf ook over die informatie moet beschikken.

3.3.

Voordat op de verschillende onderdelen van de vordering wordt ingegaan, eerst enkele algemene overwegingen vooraf.

Het zou niet in overeenstemming zijn met de parlementaire geschiedenis die heeft geleid tot de totstandkoming van artikel 4:78 BW om voorwaarden te verbinden aan toewijzing van de vordering van de legitimaris tot het verkrijgen van alle bescheiden die nodig zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa. Immers, de erfgenamen kunnen daar van rechtswege al over beschikken, terwijl de bedoeling van de wetgever met het in het leven roepen van artikel 4:78 BW nu juist was dat de legitimaris-niet-erfgenaam, in dat recht niet bij de erfgenamen mocht worden achtergesteld. De vorderingen van de legitimaris-niet-erfgenaam, tegenover de erfgenamen moeten immers (volgens de parlementaire geschiedenis) objectief worden vastgesteld. Daarom zal niet snel sprake zijn van een ‘fishing expedition’ zoals door de executeur is aangevoerd.

3.4.

Immers, alleen door het kunnen controleren van de financiële administratie van de erflater, waaronder het vermogensverloop in de bankafschriften over de periode vóór het overlijden van de erflater, is het voor de legitimaris mogelijk om objectief de legitieme portie vast te stellen. Door slechts uit te gaan van de opgave door de erfgenamen en/of de executeur, zonder dat deze met het volledige vermogensverloop wordt onderbouwd, kan geen objectieve vaststelling van de omvang van de legitimaire massa en daaruit voortvloeiend de legitieme portie plaatsvinden. De belangen van de erfgenamen, waaronder in dit geval de executeur, zijn per definitie tegenstrijdig met het belang van de legitimaris, niet-erfgenaam. In dit geval, waarin de verhoudingen tussen de partijen verstoord zijn en er over en weer sprake is van wantrouwen, geldt dat nog meer.

3.5.

De vraag die vervolgens rijst is hoever die verplichting voor de erfgenamen strekt. Buiten kijf staat dat de legitimaris recht heeft op de bescheiden waarmee zij de omvang en de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden kan controleren. Maar voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa zijn ook vóór het overlijden gedane giften door de erflater van belang (artikel 4:65 BW jo 4:67 e.v. BW). De legitimaris-niet-erfgenaam heeft daarom ook een gerechtvaardigd belang bij het kunnen controleren of door de erflater aan erfgenamen of derden schenkingen zijn gedaan. Zij is niet gehouden af te moeten gaan op mededelingen van de executeur en/of erfgenamen daarover. Ten behoeve van de controle met name van de vóór overlijden gedane giften is het van belang dat conform artikel 4:78 lid 1 BW óók de legitimaris-niet-erfgenaam, evenals de erfgenamen, afschrift van en inzage in de gehele financiële administratie van de erflater moet kunnen krijgen, waaronder een volledig overzicht van de in de nalatenschap aanwezige bankafschriften, dan wel de bankafschriften bij de bank die gedurende een periode van zeven jaar bewaard worden, teneinde inzicht te krijgen in de door de erflater gedane giften. Uit de boedelbeschrijving blijken eventuele giften vóór het overlijden van de erflater immers niet, terwijl belastingaangiften een vertekend beeld kunnen geven van de daadwerkelijke omvang van de nalatenschap teneinde de te betalen erfbelasting zo laag mogelijk te houden.

3.6.

Van de executeur mag in dit verband de nodige zorg verwacht worden om deze controle mogelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank dient de te verstrekken informatie in ieder geval terug te gaan tot zeven jaar vóór het overlijden van erflater in verband met de wettelijke bewaartermijn van de bank. De executeur dient deze bankafschriften op voorhand veilig te stellen, zeker als zij, zoals in dit geval, redelijkerwijs zou kunnen vermoeden dat door een legitimaris- niet-erfgenaam aanspraak zou kunnen worden gemaakt op de legitieme portie. Dit om te voorkomen dat er na jarenlang procederen geen bankafschriften meer over de periode vóór het overlijden van de erflater zouden kunnen worden verkregen en daarmee het recht op het verkrijgen van deze informatie illusoir wordt. Op de executeur rust ter zake een zorgplicht. Als zij niet (meer) in staat is deze informatie te verstrekken, mag van haar worden verwacht dat zij stelt en onderbouwt dat en waarom zij geen beschikking meer heeft of kan krijgen over deze informatie.

3.7.

Met inachtneming van het bovenstaande zullen nu de verschillende onderdelen van de vordering van de legitimaris worden besproken, waarbij de volgorde van het verweer van de executeur in de conclusie van antwoord in het incident wordt aangehouden.

Ten aanzien van de bankafschriften en de IB-aangiften en aanslagen (onderdelen 1 en 3 t/m 7)

3.8.

Tegen het verstrekken van deze stukken heeft de executeur geen bezwaar gemaakt, anders dan dat deze stukken (deels) al zijn verstrekt en dat de verplichting niet verder zou reiken dan tot vijf jaar vóór overlijden. Uit al hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat het standpunt van de executeur over de reikwijdte van haar verplichting niet wordt gevolgd. Ter controle van het bestaan en de omvang van giften, waarover tussen partijen duidelijk discussie bestaat, heeft de legitimaris recht op en belang bij afgifte van de gevraagde bescheiden ook over de periode langer dan vijf jaar voor het overlijden van erflater. Immers kunnen ook giften, gedaan langer dan vijf jaar vóór het overlijden, van invloed zijn op de omvang van de legitimaire massa. De executeur is daarom in beginsel gehouden, zoals hierboven onder 3.6 overwogen, tot het verstrekken van kopieën van de gevraagde stukken, in ieder geval over de periode van zeven jaar vóór het overlijden van erflater. Uit de stellingen van de executeur blijkt niet dat zij ook maar heeft geprobeerd om de gevraagde stukken beschikbaar te krijgen. De vordering zal daarom op deze onderdelen, met inachtneming van de periode van zeven jaar voorafgaand aan het overlijden van erflater, worden toegewezen.

Ten aanzien van de foto’s van de inboedel (onderdeel 8)

3.9.

De executeur heeft bezwaar gemaakt tegen het verstrekken van de gevraagde foto’s. Bij de in het geding gebrachte producties bevindt zich een taxatierapport van de inboedel. De executeur meent dat dit voldoende is. De legitimaris heeft gesteld dat de inboedellijst niet volledig is en daarvoor enkele, onderbouwde, argumenten gegeven zoals met betrekking tot de volledige afwezigheid van schilderijen op deze lijst, en de ontbrekende vaatwasser waarvan de aanschaf volgens de legitimaris blijkt uit de al wel bij haar bekende stukken. Deze argumenten zullen, zoals hierna uit 3.16 blijkt, leiden tot de veroordeling tot het overleggen van een volledige en juiste boedelbeschrijving. De legitimaris heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld wat hiernaast nog haar belang is bij het verkrijgen van de door haar gevorderde foto’s. Te meer omdat het maar de vraag is in hoeverre deze foto’s de situatie in de woning ten tijde van het overlijden van de erflater zullen reflecteren. De vordering zal op dit onderdeel worden afgewezen.

Ten aanzien van de waarde van de woning (onderdeel 9)

3.10.

Vast staat dat de woning niet getaxeerd is. De executeur baseert de waarde van de woning op de WOZ-waarde. Gelet op het overlijden van erflater halverwege het jaar en de van elkaar ruim afwijkende WOZ-waardes van begin dat jaar en van begin het daaropvolgende jaar bestaat er alle aanleiding tot een taxatie van de woning per datum van het overlijden van de erflater. Het wantrouwen tussen partijen geeft hiervoor extra reden.

Ten aanzien van de hypotheekakte en onderhandse akte (onderdelen 10 en 11)

3.11.

De executeur voert in haar antwoord in incident aan dat het haar onduidelijk is wat het belang van de legitimaris is bij deze stukken. Dat belang heeft de legitimaris naar het oordeel van de rechtbank onderbouwd gesteld. De legitimaris heeft onbetwist gesteld dat de betreffende woning op enig moment vrij van hypotheek was. In dat geval kan het voor de omvang van de legitimaire massa van belang zijn met welk doel en voor welk bedrag een nieuwe hypothecaire lening is afgesloten betreffende deze woning. Dit kan (deels) een gift betreffen die betrokken moet worden bij de omvang van de legitimaire massa. Daarom zal de executeur aan de legitimaris kopieën moeten verstrekken van de betreffende stukken. De vordering zal daarom ook op deze onderdelen worden toegewezen. Het komt de rechtbank overigens onwaarschijnlijk voor dat de executeur niet over deze stukken zou beschikken, aangezien deze onderdeel zouden moeten uitmaken van haar eigen administratie.

Ten aanzien van de auto (onderdeel 12)

3.12.

De executeur heeft voor de stand van zaken met betrekking tot de verkoop van de auto verwezen naar de in de dagvaarding gegeven toelichting. De rechtbank stelt vast dat in de dagvaarding geen toelichting staat over de verkoop van welke auto ook. De vordering zal op dit onderdeel worden toegewezen.

Ten aanzien van de polissen verzekeringen (onderdeel 14 en 17)

3.13.

Door de legitimaris is onderbouwd gesteld waarom zij meent dat deze polissen er zouden zijn en wat haar belang is bij afgifte van die polissen in verband met de vaststelling van haar legitieme portie. Tegenover die gemotiveerde stellingen kan de executeur niet volstaan met de blote stelling dat zij niet van het bestaan van deze polissen weet. Zij zal deze polissen moeten afgeven of onderbouwd moeten aangeven dat deze polissen, ondanks de kennelijke verwijzing daarnaar in financiële stukken van erflater, niet bestaan (hebben). De vordering zal op dit onderdeel worden toegewezen.

Ten aanzien van de aangifte erfbelasting (onderdeel 16)

3.14.

Ten aanzien van aangifte erfbelasting heeft de executeur aangevoerd dat deze voor de aanvang van de procedure al verstuurd zou zijn. De legitimaris heeft gesteld dat de aangifte ontbreekt bij de door haar reeds ontvangen stukken. Als dit document, om wat voor reden ook, op dit moment ontbreekt in de door de legitimaris ontvangen stukken, staat er voor de executeur niets aan in de weg om dit document (opnieuw) te verstrekken. De vordering zal op dit gedeelte van het onderdeel worden toegewezen.

Ten aanzien van de verklaringen van erfrecht en de testamenten (onderdeel 18)

3.15.

Anders dan de executeur is de rechtbank van oordeel de legitimaris belang heeft bij de door haar gevorderde testamenten. Het betreft, zo volgt voldoende duidelijk uit de stellingen van de legitimaris, de testamenten van de ouders van erflater. Over andere erfenissen wordt niet gesproken. De legitimaris heeft voldoende belang bij afgifte van deze stukken omdat hieruit zal blijken of door erflater geldbedragen of zaken zijn verkregen waar een uitsluitingsclausule op van toepassing is. Dat is van belang bij de bepaling van de omvang en de waarde van de nalatenschap. Gesteld noch gebleken is wat de toegevoegde waarde van de door de legitimaris gevorderde verklaringen van erfrecht zal zijn. Hieruit vloeit voort dat de vordering op dit onderdeel deels zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de boedelbeschrijving (onderdeel 19)

3.16.

De executeur heeft aangevoerd dat zij al een boedelbeschrijving heeft verstrekt en dat deze juist is. Zoals hierboven ten aanzien van de foto’s al is overwogen, heeft de legitimaris onderbouwd gesteld dat de boedelbeschrijving niet juist en in ieder geval niet volledig is. In aanvulling op de hierboven al genoemde argumenten heeft de legitimaris ook, onbetwist, gesteld dat op de boedelbeschrijving de van de nalatenschap deel uitmakende sieraden ten onrechte op nihil worden gewaardeerd. De sieraden zijn getaxeerd op een waarde van meer dan € 3.000,-. Op de argumenten van de legitimaris is de executeur in haar conclusie van antwoord niet ingegaan, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dat betekent dat de executeur zal worden veroordeeld tot het alsnog beschikbaar stellen van een volledige en juiste boedelbeschrijving.

Ten aanzien van de onderdelen 2, 13 en 15

3.17.

Tegen deze onderdelen heeft de executeur geen afzonderlijk verweer gevoerd, terwijl de legitimaris onderbouwd heeft gesteld waarom deze stukken voor haar van belang zijn ter berekening van de legitimaire portie. De vordering van de legitimaris zal op deze onderdelen worden toegewezen.

Tot slot

3.18.

De rechtbank zal de executeur veroordelen tot het verstrekken van de bescheiden (zoals hierboven overwogen) door deze bij akte in het geding te brengen. In verband met de vorderingen van beide partijen in de hoofdzaak, zal ook de rechtbank behoefte hebben aan deze stukken. Gelet op de wijze waarop eerdere producties door de executeur in het geding zijn gebracht, merkt de rechtbank op dat de stukken op een ordelijke manier, voorzien van tabbladen, duidelijke nummering en een overzichtelijke productielijst in het geding dienen te worden gebracht. De rechtbank ziet, vooralsnog, geen aanleiding aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. Uit het zonder goede reden niet voldoen aan de veroordeling kan de rechtbank de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen.

3.19.

De executeur zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

veroordeelt de executeur tot het bij akte in het geding brengen van (kopieën van):

  1. de aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting van erflater vanaf 2010 tot en met 2017 en van de executeur van 2010 tot en met 2015

  2. het bewijs van de gift op de conceptboedelbeschrijving van € 8.200,00 en een opgave van de overige giften

  3. de volgende afschriften van bankrekening [rekeningnummer 1] :
    - rekeningafschrift [2017] (met daarop de afschrijvingen die in de maand [2017] hebben plaatsgevonden)
    - rekeningafschrift van januari/februari 2016
    - bankafschriften van [2007] tot [2012]

  4. alle bankafschriften van [2010] tot en met [2017] van bankrekeningen:
    - [rekeningnummer 2]
    - [rekeningnummer 3] op naam van de executeur
    - [rekeningnummer 4] op naam van de executeur
    - [rekeningnummer 5] op naam van de executeur, de erflater of beiden
    - [rekeningnummer 6] op naam van de executeur, de erflater of beiden

  5. alle rekeningafschriften van bankrekening [rekeningnummer 7] op naam van de executeur vanaf [2010] tot en met [2012]

  6. alle rekeningafschriften van de profijtrekening [rekeningnummer 7] vanaf [2010] tot en met [2017]

  7. alle rekeningafschriften van de [rekeningnummer 8] vanaf [2010] tot en met [2017]

  8. een taxatierapport met de waarde per datum van overlijden van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats]

  9. de hypotheekakte waaruit blijkt wanneer, door wie en voor welk bedrag de in de boedelomschrijving opgenomen hypotheek is afgesloten

  10. de onderhandse akte behorende bij de akte van levering van de [adres 2] van 5 februari 1999

  11. het verkoopbewijs van de auto en ontvangst van de betaling voor de auto

  12. de financiële jaaroverzichten van de ING en de Rabobank waaruit blijkt welke producten erflater en de executeur bij die banken aanhielden in de jaren 2010 tot en met 2017

  13. de polis bij Bovemij Verzekeringen met polisnummer [polisnummer]

  14. stukken van de door erflater aangehouden beleggingsrekening waaruit de waarde blijkt van de belegging op [2017] , althans van de waarde bij het opheffen van die rekening en het daaraan gekoppelde spaarproduct Roparco

  15. de aanslag erfbelasting

  16. de polis van de inboedelverzekering ten tijde van het overlijden van erflater

  17. de testamenten van de ouders van erflater

  18. een volledige en juiste boedelbeschrijving met onderliggende stukken.

4.2.

veroordeelt de executeur in de kosten van het incident, aan de zijde van de legitimaris tot op heden begroot op € 543,00,

4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 december 2020 voor de in het incident bedoelde akte overlegging producties,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020.1

1 type: KD (4403) coll: