Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5415

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
UTR 19/3320
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Mondeling. WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3320


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen


[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. G├╝rses),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Inleiding

Eiser heeft een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In een besluit van 28 januari 2019 heeft het UWV de aanvraag van eiser afgewezen. In een beslissing op bezwaar van 6 augustus 2019 heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard en hem alsnog met ingang van 30 november 2018 een WIA-uitkering toegekend. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser is daarbij vastgesteld op 35,25%.

Eiser is in beroep gegaan tegen de beslissing op bezwaar. Het beroep is behandeld op de zitting van 4 december 2020. Eiser was bij de zitting aanwezig, samen met zijn gemachtigde en een tolk (S. Aydos). De gemachtigde van het UWV was ook aanwezig.

Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Motivering

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser voert aan dat zijn klachten en beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschat zijn. Volgens eiser is hij 80-100% arbeidsongeschikt. Als onderbouwing heeft eiser medische stukken ingediend van onder meer Indigo, de wijkverpleging, de longarts en de orthopeed.

3. Voor deze zaak moet worden gekeken naar de gezondheidssituatie van eiser op de datum in geding van 30 november 2018. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de klachten en beperkingen van eiser op 30 november 2018 erger waren dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De medische stukken die eiser heeft ingediend zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ofwel al bij de beoordeling betrokken, ofwel ze gaan over een datum na 30 november 2018. De ingediende stukken bevatten dus geen nieuwe medische informatie over de datum in geding. Eiser heeft op de zitting ook erkend dat zijn klachten sinds 30 november 2018 verergerd zijn. De medische stukken van latere datum zijn niet goed bruikbaar om vast te stellen hoe het op 30 november 2018 met eiser ging. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts over de datum in geding onjuist is. Dat eiser zelf vindt dat hij er slechter aan toe was, weegt niet op tegen het professionele oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. Eiser heeft de rechtbank verzocht een deskundige aan te stellen. Omdat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is daar geen aanleiding voor.

5. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld functies geduid die eiser nog kan uitvoeren. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de geduide functies niet geschikt zijn. Het arbeidsongeschiktheidspercentage dat door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is berekend blijft daarom overeind.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

De griffier en de rechter zijn niet in de gelegenheid om dit proces-verbaal te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.