Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5400

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2825
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, aanvullende inkomstenvrijlating kan alleen worden toegepast als recht op bijstand bestaat, (-) heeft enkele maanden geen bijstand gehad vanwege verhuizing, terecht niet voor 30 maanden toegekend, geen schending informatieplicht verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2825

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A.M.B. Amting),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden, verweerder

(gemachtigde: J.H. de Vos).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een aanvullende inkomstenvrijlating toegekend van 12,5% op haar inkomsten van 1 oktober 2013 tot 16 juni 2014.

Bij besluit van 26 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de periode van de vervolgvrijlating ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020 via Skype for Business. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder was telefonisch aanwezig tijdens de zitting.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 12 september 2011 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande ouder. Sinds 12 september 2012 werkt eiseres 8 uur per week. In het besluit van 31 oktober 2014 heeft verweerder aan eiseres een algemene inkomstenvrijlating toegekend van 25% met een maximum van € 188,- voor de periode 1 april 2013 tot 1 oktober 2013. Dit besluit staat in rechte vast. Eiseres heeft geen recht op bijstand gehad in de periode 16 juni 2014 tot 1 september 2014. Op 2 december 2019 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een aanvullende inkomstenvrijlating. Op 10 juni 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

  2. Verweerder baseert zich in het bestreden besluit op het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 13 juni 2020. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanvullende inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders1 van 12,5%, slechts de periode van 1 oktober 2013 tot 16 juni 2014 dient te beslaan. De aanvullende inkomstenvrijlating is aan eiseres toegekend in aansluiting op de algemene inkomstenvrijlating2. Eiseres ontvangt niet de maximale toe te kennen periode van 30 maanden omdat haar situatie is gewijzigd op 16 juni 2014. Per die datum is de bijstandsuitkering van eiseres beëindigd wegens samenwoning en verhuizing naar een andere gemeente. Zij heeft toen een tijd geen uitkering ontvangen. Bij de nieuwe toekenning van de bijstand per 1 september 2014 was eiseres nog steeds aan het werk. Zij is dus niet vanuit de bijstand aan het werk gegaan. De vervolgvrijlating van 12,5% is alleen van toepassing op mensen die vanuit een bijstandssituatie aan het werk gaan, en dus niet op eiseres.

3. Eiseres voert aan dat zij in aanmerking komt voor de aanvullende inkomsten-vrijlating gedurende 30 maanden. Verweerder heeft destijds ten onrechte nagelaten deze inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders ter sprake te brengen c.q. toe te passen bij aanvang van haar werkzaamheden in september 2012, mei 2014 en oktober 2014. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder stelt ten onrechte dat de vrijlating van inkomsten in overleg met eiseres heeft plaatsgevonden. De periode van vrijlating van inkomsten is willekeurig gekozen en pas toegekend toen eiseres al bijna twee jaar naast haar uitkering werkzaam was. Er is sprake van opgewekte verwachtingen door verweerder dat er op dit terrein keuzemogelijkheden zijn voor de toepassing van de periode van vrijlating. Gelet op de omstandigheden van het geval kan gesteld worden dat de bijstandsuitkering niet onderbroken is geweest. Zij stond van 16 juni 2014 tot 1 september 2014 nog steeds ingeschreven als burger van de gemeente Leusden en zij heeft de lasten van haar woning betaald omdat zij ondanks haar verhuizing haar woonruimte heeft aangehouden. Eiseres is bovendien urenbeperkt.

4. In geschil is of verweerder de aanvullende inkomstenvrijlating op goede gronden heeft beperkt tot de periode van 1 oktober 2013 tot 16 juni 2014.

5. In artikel 31 van de Pw zoals dat gold in de periode 1 oktober 2013 tot 16 juni 2014 staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:

(…)

1. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

- (…)

o inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 120,00 [Red: per 1 januari 2014: €120,89] per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval: hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar,

o de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en

o dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

- (…)

In de Wet werk en bijstand (WWB), de voorloper van de Pw, was een soortgelijke bepaling opgenomen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling hebben de voorstellers van het amendement waarbij deze bepaling is toegevoegd, beoogd gemeenten de mogelijkheid te geven om in individuele gevallen te bepalen dat een deel van de inkomsten uit arbeid gedurende maximaal een half jaar niet wordt verrekend met de bijstand. Het doel hiervan is mensen met een uitkering te stimuleren een gehele of gedeeltelijke baan te accepteren (Kamerstukken II, 28 870, nrs 44, 68 en 92).

6. Verweerder heeft ter uitvoering van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n en r, van de Pw beleidsregels vastgesteld. In Richtlijn B147 van de gemeente Amersfoort staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:

“(…) Algemene inkomstenvrijlating

(…). De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, onder n Pw is uitsluitend van toepassing op klanten, die vanuit een bijstandssituatie aan het werk gaan. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om klanten, die bijstand aanvragen als (tijdelijke) aanvulling op inkomsten uit parttime dienstverband, direct bij een toekenning van bijstand een inkomstenvrijlating te verstrekken. Dit geldt ook voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar. (…).
Inkomstenvrijlating alleenstaande ouders:

“(…). De vrijlating voor alleenstaande ouders met kinderen volgt altijd aansluitend op de algemene inkomstenvrijlating van 25% van het inkomen uit arbeid (met een maximale duur van 6 maanden). De gedachte hierachter is dat wanneer het college van oordeel is dat de inzet van een inkomstenvrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de betrokkene, dit automatisch ook voor de andere inkomstenvrijlating geldt en niet voor slechts één van beide inkomstenvrijlatingen kan gelden. (…)”.

De rechtbank oordeelt en verwijst daarbij naar hetgeen hiervoor onder 6 is vermeld dat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

7. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de aanvullende inkomstenvrijlating heeft toegekend over de periode van 1 oktober 2013 tot 16 juni 2014. Eiseres had geen recht op bijstand in de periode 16 juni 2014 tot 1 september 2014. De aanvullende inkomstenvrijlating kan alleen worden toegepast als recht op algemene bijstand bestaat. De bijstandsuitkering van eiseres is als gevolg van haar verhuizing beëindigd op 16 juni 2014.

Uit de Richtlijn B147 volgt dat de aanvullende inkomstenvrijlating “altijd aansluitend volgt op de algemene inkomstenvrijlating”. Omdat er een onderbreking is geweest in het recht op bijstand heeft verweerder de aanvullende inkomstenvrijlating terecht niet voor de maximale periode van 30 maanden toegekend en beperkt tot de periode van 1 oktober 2013 tot 16 juni 2014. Het is de rechtbank niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder diende af te wijken van zijn beleid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

8. Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder zijn informatieplicht heeft geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft op 9 september 2012 een bericht gestuurd naar verweerder waarin zij verweerder verzoekt uit te zoeken hoe het precies zit met de inkomstenvrijlating. Uit dit bericht maakt de rechtbank op dat eiseres op de hoogte was van de inkomstenvrijlating en de mogelijkheid om daar een beroep op te doen. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de inkomstenvrijlating bij eiseres ter sprake te brengen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij tot op heden geen inzicht heeft verkregen in de berekeningen van verweerder. De berekening van de nabetaling in het bestreden besluit is niet verifieerbaar en onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd omdat verweerder ten onrechte niet heeft gespecificeerd hoe het bedrag van de toegekende vrijlating over de periode 1 oktober 2013 tot 16 april 2014 is berekend.

10. De rechtbank stelt vast dat dat eiseres de berekeningen van verweerder niet gemotiveerd heeft betwist. Met het Werkprocesformulier van 19 december 2019 (bijlage 9 bij de stukken van verweerder) en de motivering van verweerder ter zitting is uitgelegd dat de eenvoudige berekening ziet op het vermenigvuldigen van de netto bedragen met 12,5%. Het lag op de weg van eiseres om inzichtelijke te maken op welk punt de berekening niet klopt. Zij heeft dit nagelaten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. van Gestel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 op grond van artikel 31, tweede lid, onder r, van de Pw

2 artikel 31, tweede lid, onder n, van de Pw