Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5399

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2486
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, maatregel vanwege niet aanvaarden algemeen geaccepteerd arbeid terecht opgelegd, geen aanleiding voor het oordeel dat eiser vanwege taalbarrière verweerder onvoldoende kon inlichten over lichamelijke klachten, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.H. Bouwman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder

(gemachtigde: P. Boogaard).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een maatregel opgelegd op grond van artikel 18, vierde lid, sub a, van de Participatiewet (Pw). Deze maatregel houdt in de verlaging van de bijstand met 100% met ingang van 1 april 2020 gedurende twee maanden in verband met het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Verweerder heeft gedurende 4 maanden de bijstand verlaagd met 50%.

Bij besluit van 22 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020 via Skype for Business. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Hawry Mahmoud. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden. Eiser ontving een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Hij wordt sinds augustus 2018 door verweerder begeleid naar werk met als doel uit de uitkering te stromen. Eiser kwam in aanmerking voor een proefplaatsing bij [Adviesbureau] in [plaats] van 6 januari 2020 tot 9 maart 2020 gedurende drie dagen per week. En bij goed functioneren van eiser zou hij per 9 maart 2020 een contract zou krijgen voor 5 dagen per week en uit de uitkering stromen. Op 5 maart 2020 heeft [Adviesbureau] aan verweerder bericht dat aan eiser niet een arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week is aangeboden omdat eiser heeft aangegeven alleen akkoord te gaan met een arbeidsovereenkomst van 24 uur per week. Er heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden op 14 mei 2020.

2. Verweerder baseert zich in het bestreden besluit op het advies van de bezwaaradviescommissie van 20 mei 2020. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser door het contract bij [Adviesbureau] niet te accepteren, verwijtbaar de verplichting tot het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, niet is nagekomen. Er is daarmee sprake van maatregelwaardig gedrag. Verweerder legt artikel 18, vierde lid, sub a, van de Pw en artikel 10 onder b van de Maatregelenverordening Pw, IOAW en IOAZ 2015 van de gemeente Soest aan het betreden besluit ten grondslag. Eiser heeft verzocht om vanaf 9 maart 2020 24 uur per week te werken omdat zijn zwangere vrouw lichamelijke klachten heeft en zij die periode moet bevallen. Verweerder heeft eiser uitgelegd dat hij een fulltimebaan moet accepteren en dat er consequenties zijn als hij dit weigert. Pas in bezwaar voert eiser aan dat hij vanwege fysieke omstandigheden geen 40 uur per week kan werken, aldus verweerder.

3. Eiser heeft aangevoerd dat het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid hem niet kan worden verweten. Hij is de Nederlandse taal niet machtig en verweerder heeft dit niet onderkend. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten een tolk in te zetten bij de gesprekken tussen eiser en verweerder. Eiser wenste een 24-urige werkweek vanwege lichamelijke klachten als gevolg van een liesbreukoperatie. Het lag in de lijn der verwachtingen dat verweerder eiser zou keuren voor wat betreft zijn mogelijkheden voor het aantal te werken uren. Eiser heeft dit door de taalbarrière niet naar voren kunnen brengen in de gesprekken met verweerder. Dit leidt er volgens eiser toe dat de gedraging eiser niet verweten kan worden en dat het besluit moet worden vernietigd.

4. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het dossier geeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser als gevolg van een taalbarrière verweerder onvoldoende heeft kunnen inlichten over zijn lichamelijke klachten. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het e-mailbericht van mevrouw [A] van Workup light aan Klantmanager mevrouw [B] van 2 mei 2019 volgt dat eiser op 20 augustus 2019 via Whatsapp kenbaar heeft gemaakt dat hij naar de huisarts is geweest en dat hij is doorverwezen naar het ziekenhuis vanwege een liesbreuk. Eiser heeft ook op 26 augustus 2019 via Whatsapp laten weten dat hij op 28 augustus 2019 een afspraak heeft in het ziekenhuis. In de aanloop naar de proefplaatsing is door verweerder rekening gehouden met de liesbreukoperatie van eiser. Dit blijkt uit het e-mailverkeer tussen [B] en de heer [C] van [Adviesbureau] van 20 augustus 2019 en 9 september 2019, waaruit blijkt dat eisers proefplaatsing is uitgesteld. Eiser heeft vervolgens op 30 januari 2020 de proefplaatsingsovereenkomst ondertekend waarin staat dat hij 24 uur per week gaat werken. Uit de voortgangsrapportage volgt verder dat verweerder verschillende gesprekken met eiser heeft gevoerd. Op 18 februari 2020 heeft een gesprek met [B] plaatsgevonden waarin eiser in bijzijn van zijn vrouw heeft verzocht om part time te blijven werken als het contract bij [Adviesbureau] ingaat. Op 19 februari 2020, 20 februari 2020, 24 februari 2020 en 5 maart 2020 hebben wederom gesprekken met eiser plaatsgevonden waarin eiser heeft medegedeeld dat hij na de proefplaatsing niet full time kan gaan werken en verweerder heeft uitgelegd dat als eiser zich niet voor vijf dagen per week beschikbaar opstelt, er een maatregel volgt. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat in voornoemde gesprekken door eiser aandacht is gevraagd voor zijn lichamelijke klachten als gevolg van de liesbreukoperatie. Ook blijkt uit deze rapportage niet dat sprake is geweest van een taalbarrière dan wel van miscommunicatie tussen partijen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser in voornoemde gesprekken niet heeft kunnen uiten dat hij (nog steeds) last heeft van de liesbreuk.

5. Voorts oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te behouden. Uit het dossier blijkt niet dat, zoals hiervoor is overwogen onder 4. eiser niet aan de klantmanager heeft kunnen mededelen dat hij als gevolg van medische klachten niet full time zou kunnen gaan werken bij [Adviesbureau] . Ook stelt de rechtbank vast dat eiser zijn stelling dat hij vanwege zijn medische klachten na de proefplaatsing niet full time kon gaan werken, niet heeft onderbouwd. Nu eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om algemeen aanvaarde arbeid te verkrijgen en te behouden en hem hiervan gelet op bovenstaande een verwijt gemaakt kan worden, was verweerder gehouden om met toepassing van artikel 18, vierde lid, onder a, van de Pw en de Maatregelenverordening Pw, IOAW en IOAZ 2015 van de gemeente Soest, de bijstandsuitkering van eiser gedurende twee maanden met 100% te verlagen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. van Gestel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.