Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5388

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
UTR - 19 _ 5100
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om naturalisatie, vanwege het ontbreken van voldoende documenten kan niet worden vastgesteld wie eiser is, geen sprake van bewijsnood, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5100

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] (v-nummer: [v-nummer] ), te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Rikken).

Procesverloop

In het besluit van 21 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

In het besluit van 5 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat is de aanleiding voor deze uitspraak?

1. Eiser is in 1989 als minderjarige naar Nederland gekomen. Hij wil Nederlander worden. Hij heeft eerder een verzoek om hem het Nederlanderschap te verlenen ingediend. Dit is afgewezen op 1 maart 2011. Vervolgens heeft eiser op 25 juni 2018 een nieuw verzoek ingediend. Dit verzoek heeft verweerder in het primaire besluit afgewezen.

Waarom is het verzoek afgewezen?

2. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie. Ten eerste kan volgens verweerder de identiteit en nationaliteit van eiser niet worden vastgesteld. Hij heeft geen gelegaliseerde geboorteakte en ook geen geldig buitenlands reisdocument ingediend. Ten tweede bestaan volgens verweerder ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is korter dan vijf jaar geleden (de zogenoemde rehabilitatietermijn) in aanraking geweest met politie en justitie.

Waarom is eiser het niet eens met het besluit?

3. Eiser vindt dat verweerder zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen en geeft hiervoor vier redenen.

3.1.

Allereerst voert eiser aan dat hij in bewijsnood verkeert. Hij kan geen gelegaliseerde geboorteakte of geldig reisdocument indienen, omdat de Ethiopische ambassade dit niet wil verstrekken. Daar merkt eiser bij op dat het excessief formalistisch is om deze documenten van hem te verlangen. Toen hij naar Nederland kwam is zijn identiteit en nationaliteit gewoon aangenomen. In de Basisregistratie Personen staat ook dat eiser is aangemerkt als Ethiopisch.

3.2.

Ten tweede voert eiser aan dat verweerder de samenwerkingsverplichting heeft geschonden. Volgens eiser had verweerder de beslissing moeten aanhouden tot het moment de rehabilitatietermijn van vijf jaar was verstreken. Daar merkt eiser bij op dat de rehabilitatietermijn op twee maanden na niet was verstreken. Volgens eiser heeft verweerder in zijn geval niet goed gemotiveerd waarom hij zo strikt vasthoudt aan die termijn van vijf jaar.

3.3.

Verder voert eiser aan dat de afwijzing van zijn verzoek hem onevenredig hard raakt. Hij woont al sinds 1989 in Nederland en heeft hier een leven opgebouwd. Door de afwijzing kan hij niet volwaardig deelnemen in de Nederlandse samenleving. Dit treft hem niet alleen onevenredig hard, maar is volgens eiser ook in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.4.

Tot slot voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte in de bezwaarfase niet heeft gehoord.

Heeft eiser voldoende onderbouwd dat hij in bewijsnood verkeert?

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond in bewijsnood te verkeren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat degene die stelt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten1. Daarin is eiser niet geslaagd. Het alleen aanschrijven van de autoriteiten van een land is ontoereikend voor het aannemen van bewijsnood2. Verder heeft eiser zijn verklaring dat de Ethiopische ambassade hem geen geboorteakte en paspoort wil verstrekken niet met (objectief en verifieerbare) stukken onderbouwd. Tijdens de zitting werd duidelijk dat eiser recentelijk naar de ambassade is geweest voor bewijsstukken voor een eventuele nieuwe aanvraag. De gemachtigde van eiser heeft opgemerkt dat de ambassade nu een onderzoek is gestart naar de identiteit en nationaliteit van eiser. Op dit moment is dan ook onvoldoende aangetoond dat eiser door de Ethiopische ambassade niet in het bezit kan worden gesteld van documenten. Dat verweerder deze documenten niet van eiser mag verlangen, volgt de rechtbank overigens niet. Juist in het kader van een procedure over verlening van het Nederlanderschap moet de identiteit en nationaliteit van een verzoeker het voorwerp van onderzoek zijn. Dit omdat het verlenen van het Nederlanderschap, vanwege de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is3. Dat betekent dat de identiteit en de nationaliteit van eiser buiten twijfel moeten zijn. Het is aan eiser om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Vervolgens is het aan verweerder om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit met de door eiser overgelegde stukken is komen vast te staan. Verweerder is bevoegd om in de naturalisatieprocedure op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker te verlangen4. Dat in vreemdelingrechtelijke procedures geen probleem is gemaakt van de identiteit en nationaliteit van eiser, is voor deze procedure niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de samenwerkingsverplichting geschonden?

5. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld of een samenwerkingsverplichting heeft geschonden. Niet is niet gebleken van een wettelijke grondslag dat verweerder de behandeling van een verzoek tot het verkrijgen van een Nederlanderschap moet aanhouden totdat de aanvrager zijn rehabilitatietermijn heeft vervuld (met andere woorden: totdat eiser aan een bepaalde voorwaarde voldoet). Verweerder heeft op de zitting in dit verband ook nog uitgelegd dat hij is gebonden aan de wettelijke termijn om op een verzoek tot naturalisatie te beslissen. Verder is relevant dat het eisers eigen keuze is geweest om op 25 juni 2018 –toen hij de rehabilitatietermijn nog niet had vervuld- zijn verzoek in te dienen. Van een aanvrager mag worden verwacht dat hij pas een aanvraag indient als de aanvraag compleet is en dat hij aan de voorwaarden voldoet. Eiser had op de hoogte kunnen zijn dat hij nog niet aan alle voorwaarden voldeed, omdat zijn eerdere verzoek in 2011 ook was afgewezen omdat hij binnen de rehabilitatietermijn in aanraking was geweest met politie en justitie. Dat de rehabilitatietermijn toen vier jaar was, maakt geen verschil. Het ligt op de weg van eiser om zich bij elke aanvraag te (laten) informeren over de geldende voorwaarden. De beroepsgrond slaagt niet.

Raakt het besluit eiser onevenredig hard?

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afwijzing van zijn verzoek hem onevenredig hard raakt. Aangezien eiser niet heeft aangetoond al het mogelijke te hebben gedaan om te voldoen aan de voor het verkrijgen van het Nederlanderschap geldende eisen, valt niet in te zien dat hij door de weigering hem het Nederlanderschap te verlenen wordt geschaad in zijn recht op privéleven. Van strijd met artikel 8 van het EVRM of het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel is daarom geen sprake5. Daar komt bij dat het eiser vrij staat om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder eiser in bezwaar moeten horen?

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder van het horen van eiser in bezwaar heeft kunnen afzien. In het primaire besluit is al geconcludeerd dat eiser geen paspoort en gelegaliseerde geboorteakte had ingediend. In bezwaar heeft hij alleen een niet-gelegaliseerd document overgelegd wat volgens eiser zijn geboorteakte is. Door het indienen van dit document voldoet eiser nog steeds niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het Nederlanderschap en had zijn bezwaar geen kans van slagen. Daarover kan, mede gelet op wat hiervoor is geoordeeld, geen twijfel bestaan. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook kennelijk ongegrond kunnen verklaren. Dan mag hij ook afzien van het houden van een hoorzitting. De beroepsgrond slaagt niet.

Wat betekent deze uitspraak voor eiser?

8. De beroepsgronden van eiser slagen niet. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder het verzoek van eiser om hem het Nederlanderschap te verlenen terecht heeft afgewezen.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1311).

2 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:120).

3 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS van 13 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2483).

4 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS van 17 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:109).

5 Zie hiervoor ro. 3.1. van de uitspraak van de ABRvS van 15 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1171).