Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5380

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
24-09-2021
Zaaknummer
UTR 19/3401-T
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3401-T


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Bouwman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde, verweerder

(gemachtigde: P.V. de Lijster).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op eisers verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en aan hem twee op hem betrekking hebbende dossiers verstrekt.

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat ook documenten betreffende de uitkeringen van eiser die bij Sociaal Domein van Meerinzicht op zijn naam staan geregistreerd openbaar gemaakt worden.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of er nog documenten zijn die onder de reikwijdte van eisers verzoek vallen.

Bij brief van 23 juli 2020 heeft verweerder de rechtbank en eiser geïnformeerd dat nog diverse e-mailberichten zijn aangetroffen die gedeeltelijk openbaar worden gemaakt. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 20 augustus 2020.

Nadat beide partijen nogmaals hebben gereageerd en geen van beide partijen heeft aangegeven ter zitting nader te willen worden gehoord, heeft de rechtbank op 2 oktober 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Op 24 december 2018 heeft eiser verweerder verzocht om alle op hem betrekking hebbende documenten ongecensureerd ter beschikking te stellen. Hij heeft daarbij verwezen naar de Wob.
    Heeft eiser een Wob-verzoek ingediend?

  2. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of het verzoek van eiser een verzoek om informatie is in de zin van artikel 3 van de Wob. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in zijn uitspraak van 20 mei 20201 de hoofdregel hiervoor uiteengezet. Wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, is zo’n verzoek een Wob-verzoek. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dit is alleen anders indien I) uit de aard van het verzoek, II) uit de inhoud van het verzoek of III) uit uitlatingen van de verzoeker, blijkt dat de verzoeker geen Wob-verzoek heeft beoogd in te dienen.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn verzoek met een beroep op de Wob heeft verzocht om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. Op grond van de hiervoor genoemde hoofdregel is het verzoek daarom te kwalificeren als een Wob-verzoek. Dat eiser een persoonlijk belang heeft bij de informatie dan wel dat hij alleen om informatie heeft verzocht die betrekking heeft op hemzelf, leidt niet tot het oordeel dat het verzoek niet als een Wob-verzoek is te kwalificeren. Verder doet zich geen van de op de hoofdregel geformuleerde uitzonderingen voor. Ter zitting heeft eiser bovendien expliciet benadrukt dat hij heeft beoogd een Wob-verzoek in te dienen en dat hij zich ervan bewust is dat de inwilliging van dat verzoek leidt tot openbaarmaking van de verzochte documenten voor een ieder. Uit de uitlatingen van eiser blijkt dus niet dat hij geen Wob-verzoek heeft beoogd in te dienen.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te oordelen dat het verzoek óók aangemerkt had moeten worden als een verzoek als bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), zoals eiser stelt. Zijn verzoek bevat hiervoor geen enkele aanwijzing. Dit betekent dat verweerder het verzoek van eiser terecht als een Wob-verzoek heeft opgevat en behandeld.
Over welke documenten moet de rechtbank uitspraak doen?

5. Naar aanleiding van eisers Wob-verzoek heeft verweerder de onder hem berustende dossiers over eiser openbaar gemaakt. Het gaat om een handhavingsdossier, een adresonderzoek en dossiers over uitkeringen van eiser (daaronder begrepen de bijzondere bijstand).

6. Eiser voert aan dat de aan hem in het kader van zijn verzoek door verweerder verstrekte informatie niet volledig is. Het is hem bekend dat er meer interne e-mailberichten zijn die over hem gaan. Hij wil ook deze documenten ontvangen, evenals transcripties van telefoongesprekken.

7. In de beroepsfase heeft verweerder alsnog het e-mailaccount van zijn medewerker [A] onderzocht en daarin diverse e-mailberichten aangetroffen die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiser vallen. Documenten 1 tot en met 27 betreffen correspondentie tussen medewerker [A] en eiser, welke documenten openbaar gemaakt worden. De documenten, genummerd 28 tot en met 31, die zijn aangetroffen in de nadere zoekslag van verweerder worden niet openbaar gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze e-mailberichten zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Openbaarmaking wordt op deze grond geweigerd.

8. Na de zitting op 25 juni 2020 heeft verweerder nogmaals een zoekslag verricht en het e-mailaccount van medewerker [A] onderzocht, evenals de e-mailaccountants van de medewerkers [B] , [D] en [C] , zoals ter zitting is besproken. Het nadere onderzoek in de e-mailaccounts van medewerkers [A] en [B] heeft geen nieuwe documenten opgeleverd. In de e-mailaccountants van medewerkers [D] en [C] heeft verweerder nog diverse e-mailberichten aangetroffen, die betrekking hebben op eiser. Deze e-mailberichten heeft verweerder gebundeld in productie 32 en openbaar gemaakt, met uitzondering van de persoonsgegevens van ambtenaren. Verweerder heeft daartoe een beroep gedaan op artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob.

9. De overige in de nadere zoekslag aangetroffen e-mailberichten heeft verweerder gebundeld in productie 33. Deze documenten heeft verweerder gedeeltelijk openbaar gemaakt. Een aantal passages heeft verweerder weggelakt, omdat verweerder zich op het standpunt stelt dat deze zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten.

10. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. Met de nader in beroep verrichte zoekslag heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank nu voldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar aanleiding van het Wob-verzoek van eiser. Verweerder heeft de e-mailaccounts onderzocht van de medewerkers die betrokken zijn of waren bij de dossiers van eiser en kon hiermee ook volstaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zijn onderzoeksplicht niet zover gaat dat hij ook een zoekslag dient te verrichten in de e-mailaccountants van alle medewerkers aan wie de hiervoor genoemde e-mailberichten ter kennisname zijn doorgezonden.
Wat vindt de rechtbank van de geweigerde passages?

11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in de documenten 28 tot en met 33 ten onrechte namen en passages heeft weggelakt. De rechtbank moet dan ook beoordelen of verweerder terecht is overgegaan tot het geheimhouden hiervan in de documenten 28 tot en met 33. Met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank kennis genomen van de niet openbaar gemaakte passages in deze documenten.
Eiser heeft hiervoor toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Documenten 28 tot en met 31

12. Verweerder heeft deze documenten geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank volgt verweerder hierin alleen voor document 30. Dit document is opgesteld ten behoeve van intern beraad en bevat persoonlijke beleidsopvattingen. Voor de documenten 28, 29 en 31 geldt dit niet. Het gaat om e-mailcorrespondentie tussen medewerkers van verweerder en eiser. Niet in te zien valt dat deze documenten zouden zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Verweerder moet voor deze documenten dan ook opnieuw beoordelen of deze openbaar gemaakt kunnen worden of dat er andere weigeringsgronden zijn die zich daartegen verzetten.
Document 32

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder in document 32 de namen en e-mailadressen van ambtenaren heeft weggelakt. Naar vaste jurisprudentie kan waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren weliswaar slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, maar dit ligt anders als het gaat om het openbaar maken van namen en contactgegevens van ambtenaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren dan aan het belang van eiser bij openbaarmaking van deze gegevens. De rechtbank acht daarbij van belang dat de ambtenaren wiens persoonsgegevens zijn geweigerd, zichzelf niet reeds uit hoofde van hun functie in de openbaarheid presenteren. Eisers beroepsgrond dat namen van personen die algemeen bekend zijn vanwege hun functie openbaar gemaakt moeten worden, kan daarom niet slagen.

14. Bij bestudering van de ongelakte versie van document 32 heeft de rechtbank twee weggelakte passages aangetroffen, die geen persoonsgegevens bevatten. Deze passages heeft de rechtbank ook aangetroffen in document 33. De rechtbank zal deze passages daarom beoordelen onder het kopje hierna.
Document 33

15. Ook in productie 33 heeft verweerder de namen en e-mailadressen van ambtenaren weggelakt. Hiervoor geldt hetzelfde als hiervoor onder rechtsoverweging 13 is overwogen.

16. Verweerder heeft verder met een beroep op artikel 11 van de Wob passages weggelakt. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voor alle weggelakte passages heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat deze zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat deze persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, met uitzondering van de volgende passages:
- de twee volledig zwart gelakte pagina’s hebben geen betrekking op eiser, maar betreffen andere zaken. Deze informatie valt daarom buiten de reikwijdte van eisers Wob-verzoek en heeft verweerder om die reden terecht onleesbaar gemaakt;
- het e-mailbericht met als titel ‘adres onderzoek’ bevat passages die geen persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Verweerder heeft deze passage dan ook ten onrechte op grond van artikel 11 van de Wob weggelakt.
Transcripties van telefoongesprekken

17. Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat van sommige telefoongesprekken transcripties of notities worden gemaakt. Deze transcripties of notities dienen ook openbaar te worden gemaakt volgens eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van telefoongesprekken in beginsel geen verslagen worden gemaakt. Als het een keer wel gebeurt, wordt dat opgeslagen in het dossier. De rechtbank overweegt hierover dat volgens vaste rechtspraak van de ABRvS2 het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt, is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. De mededeling van verweerder ten aanzien van documenten over telefoongesprekken komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Eiser heeft met zijn enkele stelling dat er verslagen moeten zijn, het tegendeel naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

18. Het bestreden besluit is, gelet op wat hiervoor onder rechtsoverwegingen 12 en 16 is overwogen, in strijd met artikel 7:12 van de Awb genomen.

19. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank een bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder documenten 30 en het e-mailbericht met als titel ‘adres onderzoek’ opnieuw beoordelen en openbaar maken of motiveren welke weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

20. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

21. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 ECLI:NL:RVS:2020:1268

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2391.