Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5352

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1528
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenzaak. Sollicitatieprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1528

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. de Klein),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: K. van Bindsbergen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de sollicitatie van eiser naar de functie van [functie 1] ( [functie 1] ) afgewezen.

Bij besluit van 3 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is aan de zijde van verweerder verschenen [A] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser is formeel werkzaam in de functie van [functie 2] ( [functie 2] ). Eiser is in deze functie geplaatst bij het plaatsingsbesluit van 1 december 2015 in het kader van de personele reorganisatie van de politie. Sinds maart 2018 geeft eiser uitvoering aan de werkzaamheden van direct toezichthouder buitengewoon opsporingsambtenaren (boa). Eiser had de opdracht om de toezichthoudende taken tegen het licht te houden en waar nodig naar een hoger niveau te tillen.

1.2.

De vacature voor de functie [functie 1] is op 26 augustus 2019 opengesteld. Op deze vacature hebben vijftien kandidaten, onder wie eiser, gesolliciteerd. Eerst heeft er een briefselectie plaatsgevonden waarbij acht kandidaten, onder wie eiser, zijn geselecteerd voor een selectiegesprek. Eén van de acht kandidaten heeft voortijdig te kennen gegeven geen belangstelling meer te hebben voor de vacante functie. Op 14 oktober 2019 zijn met de resterende zeven kandidaten sollicitatiegesprekken gevoerd aan de hand van een vragenlijst, de sollicitatiebrief van de kandidaat en diens curriculum vitae (cv). De gesprekken vonden plaats met: mevrouw [B] ( [B] ), [functie 3] bij het Landelijk Parket; mevrouw [C] ( [C] ), [functie 4] bij de afdeling [afdeling] van de Staf van de Landelijke Eenheid (LE) en de heer [A] ( [A] ), voorzitter van de selectiecommissie en [functie 5] , direct BOA-toezicht ( [functie 5] ). De commissieleden hadden onderling afgesproken dat door elk individueel lid van de commissie per rubriek een score van 1 tot en met 5 zou worden gegeven. Na ieder gesprek vulden de commissieleden de scores in. Eiser was de eerste kandidaat. Hij had de laagste score behaald. Op 16 oktober 2019 heeft [A] de lijst met zeven kandidaten besproken met mevrouw [D] ( [D] ), [functie 6] van de LE. Op basis van die bespreking heeft [D] op 21 oktober 2019 de keuze gemaakt dat één van de twee kandidaten met de hoogste score de functie van [functie 1] zou worden aangeboden. [A] heeft eiser op
21 oktober 2019 telefonisch uitgenodigd voor een gesprek op dinsdag 22 oktober 2019. Daarbij is aan eiser te kennen gegeven dat hij niet de gekozen kandidaat was. Op 22 oktober 2019 hebben [A] en [C] de uitkomsten van het gesprek met eiser besproken. Eiser heeft toen aangegeven het niet eens te zijn met de uitslag en een schriftelijke uitslag wenste te krijgen.

1.3.

Bij e-mailbericht van 30 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder schriftelijk aan eiser bevestigd dat zijn sollicitatieprocedure voor de functie van [functie 1] is beëindigd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat niet voor eiser is gekozen, omdat de voorgedragen kandidaten beter in staat zijn gebleken om hun geschiktheid voor de functie in het gesprek aan te tonen.

2. Bij het bestreden besluit handhaaft verweerder de afwijzing van eiser voor de functie van [functie 1] . Verweerder geeft toe dat het primaire besluit onvoldoende is gemotiveerd en heeft de afwijzing, kort samengevat, als volgt gemotiveerd. Eiser is niet geselecteerd omdat uit het selectiegesprek bleek dat hij erg operationeel is ingesteld, terwijl iemand werd gezocht met meer ervaring op strategisch/tactisch vlak. Daarnaast bleef eiser volgens de selectiecommissie erg in zijn vertrouwde VIK-wereld hangen en kwam er vanuit eiser geen passie naar voren in het gesprek.

3. Voorop staat dat het al dan niet toewijzen van een geambieerde functie geschiedt met gebruikmaking van een discretionaire bevoegdheid. Dit brengt mee dat de toetsing door de bestuursrechter is beperkt tot de vraag of verweerder, gelet op wat eiser tegen het besluit heeft ingebracht, bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.1

4. Kort samengevat heeft eiser het volgende aangevoerd. Verweerder heeft zich niet aan zijn eigen werving- en selectiebeleid gehouden. Volgens eiser hadden de drie functionarissen waaruit de selectiecommissie bestond niet mogen deelnemen aan de selectie. [A] had volgens eiser niet mogen deelnemen, omdat hij niet objectief is en er sprake was van vooringenomenheid, vanwege ontstane problemen tussen eiser en [A] na de benoeming van [A] . [B] en [C] hadden ook niet mogen deelnemen conform het werving- en selectiebeleid van verweerder. Immers blijkt uit het werving- en selectiebeleid dat de selectiecommissie tenminste bestaat uit de vacaturehouder (tevens voorzitter van de selectiecommissie) en twee niet-leidinggevende medewerkers. Volgens eiser had [D] de voorzitter moeten zijn. Van een nieuw team is geen sprake, aldus eiser.

5. Verweerder heeft toegelicht dat [D] [A] als voorzitter had benoemd omdat hij het nieuwe team zou opbouwen. Verweerder erkent wel dat daarmee niet volledig conform het beleid is gehandeld, dat voorschrijft dat de vacaturehouder deel moet nemen aan de selectiecommissie. Dat er niet twee medewerkers van het team in het selectieteam zaten, maar [B] en [C] , komt omdat het een nieuw op te bouwen team betreft en er dus nog geen teammedewerkers zijn. Bovendien zijn [B] en [C] geschikte commissieleden, vanwege hun expertise. Volgens verweerder is er geen bewijs voor eisers stelling dat [A] vooringenomen zou zijn tegenover eiser. Ook eisers stelling dat [D] blindelings de voordracht zou hebben overgenomen is volgens verweerder onjuist, nu alle kandidaten met [D] zijn besproken.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder goed heeft uitgelegd waarom is afgeweken van het van toepassing zijnde beleid. De rechtbank acht de keuze van verweerder onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk en onbegrijpelijk. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat [A] niet objectief en vooringenomen was. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat hij eiser na het sollicitatiegesprek een lage score heeft gegeven. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte erop gewezen dat eiser tegen zowel [D] als [A] een klacht heeft ingediend, waardoor niet valt in te zien dat hij bij [A] uitgaat van vooringenomenheid en bij [D] niet. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat sprake was van een nieuw team. De omstandigheid dat [A] het nieuwe team moest opbouwen, heeft verweerder tot het besluit mogen brengen dat hij ook deel uitmaakt van de selectiecommissie. Ook is niet gebleken dat eiser door de samenstelling van de selectiecommissie is benadeeld. Alle kandidaten zijn door dezelfde commissie beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder gevolgde selectieprocedure onzorgvuldig is geweest waardoor de uitslag van de gevolgde sollicitatieprocedure op onjuiste wijze tot stand is gekomen. Van strijd met artikel 2:4 van de Awb is de rechtbank niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser stelt verder dat de afwijzing nog steeds onvoldoende is gemotiveerd in het bestreden besluit. Verweerder heeft ook niet inzichtelijk gemaakt hoe de selectiecommissie zich een oordeel heeft gevormd. Volgens hem heeft [D] de voordracht van de selectiecommissie blindelings overgenomen en heeft zij geen enkele afweging gemaakt.

8. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk gemaakt hoe de selectiecommissie zich een oordeel heeft gevormd. Door aan de hand van sollicitatiebrieven, cv’s en vragenlijsten individuele gesprekken te voeren en per rubriek afzonderlijk van elkaar scores toe te kennen die vervolgens door de commissieleden onderling en ook met [D] zijn besproken, heeft verweerder de gevolgde procedure voldoende inzichtelijk gemaakt. Anders dan eiser heeft gesteld, was verweerder niet gehouden de aantekeningen die de commissieleden per kandidaat hebben gemaakt te bewaren en aan eiser te overleggen. De informatie die verweerder aan eiser heeft gegeven is voldoende om inzicht te krijgen in de door verweerder gevolgde procedure. Over eisers stelling ter zitting dat niet aan alle kandidaten dezelfde vragen zijn gesteld, overweegt de rechtbank dat uit de stukken volgt dat alle kandidaten wel op dezelfde onderdelen bevraagd zijn. Er zijn immers voor die onderdelen scores toegekend. Daarbij heeft eiser volgens verweerder de laagste score behaald. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

9. Eisers betoog dat ten onrechte geen assessment als onderdeel van de selectieprocedure is afgenomen slaagt niet, nu in de vacature duidelijk is vermeld dat er mogelijk een assessment kan plaatsvinden en niet dat er een assessment zal plaatsvinden. Verweerder is daartoe niet verplicht.

10. Over het klaagschrift van eiser van 13 maart 2020, overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat dat relevant is voor deze beroepsprocedure. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de inhoud daarvan.

11. Eiser stelt verder dat hij een voorrangspositie had ten tijde van de sollicitatie. Ten tijde van de sollicitatie bekleedde hij immers een overbezette functie.

12. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiser geen overbezette functie bekleedde. Verweerder heeft hierbij verwezen naar een overgelegde excelsheet. Subsidiair heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat alle zeven kandidaten een overbezette functie bekleedden, waardoor de vraag of eiser voorrang heeft pas aan de orde komt bij gelijke geschiktheid. Daarvan is hier geen sprake, aldus verweerder.

13. In de betreffende excelsheet staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Staf

Afdeling

Team

Schaal

Functie

Formatie

Bezetting

Verschil

Staf

[naam]

[naam]

10

[functie 2]

3

5

2

14. Anders dan verweerder stelt, volgt uit deze excelsheet niet dat eiser geen overbezette functie bekleedde ten tijde van de sollicitatie. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat geen sprake was van overbezetting, maar van tijdelijke tewerkstellingen. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit standpunt niet heeft onderbouwd. Dit kan eiser evenwel niet baten. Ook indien er van moet worden uitgegaan dat eiser ten tijde van de sollicitatie werkzaam was in een overbezet team, heeft verweerder zich op de zitting op het standpunt gesteld dat dit ook gold voor de andere zeven kandidaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier aan te twijfelen. Van een voorrangspositie voor alleen eiser kon om die reden dus geen sprake zijn. Hoewel verweerder dit standpunt eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen strijd met de goede procesorde. Verweerder heeft dit standpunt ter zitting naar voren gebracht als reactie op wat eiser heeft aangevoerd en eiser heeft daarop kunnen reageren.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt de onder 3. opgeworpen vraag of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen ontkennend beantwoord. Het beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. van Ravenhorst, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 11 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Centrale Raad van Beroep, 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3520.