Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5351

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
UTR 20/3800
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening tijdens bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning. Op de bouwtekeningen is slechts een rekenkundig peil aangeduid, zonder relatie met de bestemmingsplanregels. Dat het bouwplan afwijkt van het bestemmingsplan is dan ook niet gebleken. De vragen of de uitgevoerde egalisering van het bouwperceel een kunstmatige ophoging van het peil is, en of de bouw is gestart op een te hoog peil, moeten worden beantwoord in de lopende handhavingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3800


uitspraak van de voorzieningenrechter van [adres 2] december 2020 in de zaak tussen


[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. F. van der Heijden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp (hierna: het college), verweerder
(gemachtigde: H. de Groot).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , uit [woonplaats]

(gemachtigde: X. Wentink-Quelle).

Inleiding

Verzoekers wonen aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] . Hun percelen liggen in de directe omgeving van de [kerk] . De [kerk] is gerenoveerd en heeft een nieuwe functie gekregen, en er zijn plannen voor woningbouw in de kerktuin. Hiervoor is een bestemmingsplan vastgesteld. De derde-partij (hierna: vergunninghouder) is eigenaar van een van de bouwpercelen in de kerktuin. Verzoekers hebben over het bestemmingsplan geprocedeerd. Zij willen dat de woningbouw past binnen de kaders van dat plan. Voor deze zaak gaat het vooral om de vraag vanaf welk punt de bouwhoogte van de woning moet worden bepaald.

Met het besluit van 19 december 2019 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op dit perceel. Met de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Vergunninghouder was gestart met de bouw. Verzoekers hebben daarop de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij willen dat de bouw wordt stilgelegd, in afwachting van de behandeling van hun beroep. Vergunninghouder heeft de bouwwerkzaamheden voorlopig stilgezet totdat deze uitspraak wordt gedaan.

De zaak is behandeld op de zitting van 30 november 2020. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De gevraagde voorlopige voorziening over de omgevingsvergunning

1. De zaak is spoedeisend, omdat de bouw inmiddels is gestart en vergunninghouder graag verder wil met de werkzaamheden, terwijl de behandeling van het beroep door de rechtbank nog even op zich zal laten wachten. De voorzieningenrechter beoordeelt of het, gelet op de belangen die partijen hierbij hebben, nodig is om de bouw in de tussentijd stil te laten liggen door de omgevingsvergunning te schorsen. De voorzieningenrechter geeft daarvoor een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2020 en daarmee van de kans van slagen van het beroep. Ook weegt hij de belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van omgevingsvergunning, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoekers bij een schorsing van die vergunning. Deze beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.

2. De voorzieningenrechter beperkt zich in deze voorlopige beoordeling tot het belangrijkste geschilpunt. Dat is de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de bepalingen over bouwpeil en bouwhoogte in het geldende bestemmingsplan Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat hij zijn perceel in de kerktuin voor de noodzakelijke sanering heeft afgegraven en vervolgens heeft geëgaliseerd ten behoeve van de bouw. Partijen zijn het erover eens dat het hoogste punt van dit bouwperceel voorheen op ongeveer 0m NAP lag, en dat de huidige hoogte in ieder geval ongeveer + 0,42m NAP is. Volgens verzoekers is de bouw van de woning daardoor gestart op een peil dat hoger is dan het bestemmingsplan toelaat. Hierdoor zal de woning dus hoger worden dan is toegestaan, waarvan verzoekers nadelen zullen ondervinden. Het college en vergunninghouder stellen zich op het standpunt dat de vergunning terecht is verleend en dat de bouw is gestart binnen de marges die het bestemmingsplan geeft met betrekking tot het peil en de bouwhoogte.

3. Het college heeft moeten toetsen of de aanvraag past binnen het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft gekeken naar de bouwtekeningen bij de aanvraag, die onderdeel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning. Op de tekeningen is een bouwpeil van 0m NAP aangegeven, maar daarbij is geen verwijzing opgenomen naar het peil dat het bestemmingsplan voorschrijft. Het peil op de bouwtekeningen is daarom niet meer dan een rekenkundig peil, dat gebruikt wordt als uitgangspunt om de maatvoering van de woning bij de bouw te kunnen bepalen. Omdat een relatie tussen het peil uit de bouwtekeningen en het peil uit het bestemmingsplan ontbreekt, is het op de tekeningen aangegeven peil als zodanig geen reden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Wat betreft de bouwhoogte van de woning kan vervolgens alleen maar worden geconstateerd dat het bouwplan passend is: er wordt immers voldaan aan de maximale bouwhoogte van 7.60m die het bestemmingsplan voorschrijft.

4. Dat het bouwplan om andere redenen niet past binnen de bepalingen van het bestemmingsplan of dat sprake is van andere weigeringsgronden, is niet gebleken. Ook op een andere wijze is geen sprake van evidente onrechtmatigheden in de besluitvorming. De vraag of de omgevingsvergunning bij de rechtbank bij behandeling van het beroep naar verwachting stand zal houden, beantwoordt de voorzieningenrechter daarom bevestigend. Dit heeft tot gevolg dat het belang van vergunninghouder om  op eigen risico  door te kunnen gaan met de bouw nu zwaarder weegt dan het belang van verzoekers. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het handhavingsverzoek

5. Verzoekers hebben inmiddels ook een handhavingsverzoek gedaan, omdat zij vinden dat de bouw van de woning plaatsvindt in afwijking van de omgevingsvergunning. Het college moet daarover nog een besluit nemen, zodat de vraag om wel of niet tot handhaving over te gaan het bereik van deze procedure over de omgevingsvergunning te buiten gaat. De voorzieningenrechter neemt, gelet op wat met partijen tijdens de zitting is besproken en de verwevenheid met deze zaak, desondanks de vrijheid om hierover in algemene zin het volgende te overwegen, zonder afbreuk te willen doen aan de beslissingsruimte die het college hier heeft.

6. Bij de besluitvorming over het handhavingsverzoek zal de vraag hoe het peil moet worden gemeten een doorslaggevend punt worden. In het bouwplan is immers gebruik gemaakt van de maximale bouwhoogte van 7.60m die het bestemmingsplan voor een woning toestaat. Dat betekent dat er geen ruimte is om het bouwplan te realiseren met een peil dat hoger ligt dan het bestemmingsplanpeil. In de uitvoering van het bouwplan valt het rekenkundig peil van de bouwtekeningen daarom alsnog samen met het bestemmingsplanpeil. Het college zal moeten beoordelen hoe het feitelijke bouwpeil van (ten minste) + 0,42 NAP zich verhoudt tot de bestemmingsplanregels.

7. Het bestemmingsplanpeil is gedefinieerd als “de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw”. Het college zal in zijn besluitvorming over het handhavingsverzoek in de eerste plaats moeten beoordelen of de gemeenteraad met deze definitie heeft beoogd aan te sluiten bij de meetinstructie uit bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van artikel 1, tweede lid, onder b, van deze bijlage worden hoogten gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein. Deze terminologie wordt ook in vaste rechtspraak gebruikt. De vraag is dus of het “aansluitend afgewerkte terrein” hetzelfde is als “het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw”. Als geen verschil beoogd is tussen beide definities, dan moet het college in het licht van de genoemde bepaling uit het Bor vervolgens beoordelen of bij de egalisatie van het bouwperceel sprake is geweest van een ophoging die niet noodzakelijk is voor de bouw en die niet bij het verdere verloop van het terrein past. Een dergelijke ‘kunstmatige’ ophoging moet bij het bepalen van het peil immers buiten beschouwing blijven. De vraag is dan of de egalisatie die de vergunninghouder heeft uitgevoerd als een dergelijke ophoging moet worden aangemerkt.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.