Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5286

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
UTR 19/2964
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

gedoogbeschikking

artikel 11 Belemmeringenwet Privaatrecht

Mondelinge uitspraak. Verweerder heeft een gedoogbeschikking afgegeven voor het uitvoeren van verkennend booronderzoek op de percelen van eiser. De grondslag voor deze gedoogbeschikking ligt in artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Het verkennend booronderzoek is kortdurend en feitelijk van aard en dient als voorbereiding voor het realiseren van een windpark op deze percelen. Naar het oordeel van de rechtbank is de gedoogbeschikking op grond van artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht een gedoogbeschikking van rechtswege. De afgegeven gedoogbeschikking is daarom geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft de bezwaren van eiser ten onrechte ontvankelijk geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2964

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2020 in de zaak tussen

GEM Spiegelhout Beheer B.V., te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: mr. J.F. de Groot en mr. R. van der Hulle),

en

de burgemeester van Zeewolde, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Rus – van der Velde)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Windpark Zeewolde B.V., gemachtigde: mr. H.C. Sauer.

Procesverloop

Met het bericht van 11 december 2018 heeft verweerder aan eiseres, behoudens recht op schadevergoeding, de verplichting opgelegd te gedogen dat verkennend en karterend booronderzoek wordt verricht op de percelen kadastraal bekend als gemeente Zeewolde, sectie [sectie-aanduiding] , nummers [nummeraanduiding 1] , [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 3] .

Met het besluit van 6 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020. Eiseres is vertegenwoordigd door [A] en bijgestaan door haar gemachtigde mr. R. van der Hulle. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, na een korte schorsing, op 28 oktober 2020 uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. In deze zaak gaat het om een gedoogplicht op grond van artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht: het moeten gedogen van boringen ten behoeve van eventueel archeologisch onderzoek, voorafgaande aan het uitvoeren van een werk waarvoor een gedoogbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht is afgegeven. Het gaat hier om een kortdurend, feitelijk onderzoek dat geen permanente gevolgen heeft voor de percelen van eiseres.

3. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag wat het karakter van deze gedoogplicht is. Er bestaan immers twee soorten gedoogplichten: de gedoogplicht van rechtswege en de gedoogplicht die alleen bij beschikking kan worden opgelegd. Van gedoogplichten van rechtswege is veelal sprake als het gaat om inbreuken op rechten die een kleine impact hebben. Het kan gaan om vergravingen, opmetingen, het stellen van tekeningen of een gedoogplicht voor het aanbrengen van tekens. Als het bij een dergelijke gedoogplicht gaat om het uitvoeren van feitelijke werkzaamheden is meestal voorzien in de verplichting daarvan vooraf, bijvoorbeeld 48 uur, kennis te geven.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is een gedoogplicht op grond van artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht een gedoogplicht van rechtswege. Het artikel ziet op (ondergeschikte) feitelijke werkzaamheden, nodig in de voorbereiding van een werk, die veelal weinig impact hebben en veelal kort van duur zijn. Ook is in artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht voorzien in een kennisgeving vooraf door de burgemeester.

6. Het enkele feit dat de burgemeester van Zeewolde boven het bericht van 11 december 2018 als kop heeft opgenomen “beschikking tot het opleggen van een gedoogplicht op grond van artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht” kan niet afdoen aan het juridische karakter van het besluit. Dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maakt dat niet anders. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen wat het karakter van het besluit is. Werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht zijn feitelijk en daarmee niet op rechtsgevolg gericht. Een gedoogplicht op grond van artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht betreft daarmee een gedoogplicht van rechtswege.

7. Omdat er in dit geval sprake is van een gedoogplicht van rechtswege, is er geen sprake van een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat er op grond van de Awb tegen een dergelijke gedoogplicht geen rechtsmiddelen open staan. Verweerder heeft dat in deze zaak miskend. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Nu de beslissing die verweerder had moeten nemen slechts in kan houden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal de rechtbank zelf in deze zin in de zaak voorzien.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

(De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen)

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.