Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5275

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 727
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inzagerecht artikel 15 AVG - niet zonder meer recht op een kopie van documenten, alleen op een kopie van de persoonsgegevens - overzicht is volledig geweest - zoekslag voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2021/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/727

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. T. Gillhaus en mr. M. Looijs).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek om inzage en het verstrekken van persoonsgegevens van eiser.

Bij besluit van 16 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, voor zover het betreft de onvolledigheid van het overzicht. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en meer informatie aan eiser verstrekt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020 via een Skype-verbinding. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft op 20 augustus 2018 bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een verzoek tot inzage van zijn persoonsgegevens ingediend, op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG1. Op 27 augustus 2018 heeft eiser dit verzoek nader gepreciseerd omdat het volgens verweerder te algemeen geformuleerd was. Eiser heeft verzocht om informatie die betrekking heeft op de verwerking van zijn persoonsgegevens bij diverse Wob-procedures. Hieronder valt niet de post die rechtstreeks aan hem is geadresseerd of die van zijn hand is, alsmede niet de stukken die anderszins in het kader van een Wob-procedure aan hem bekend zijn geworden. Eiser treedt regelmatig op als gemachtigde in Wob-procedures bij de NVWA.

Standpunt verweerder

2. In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser deels toegewezen en aangegeven dat als persoonsgegevens van eiser worden verwerkt zijn naam, adres, e-mailadres, telefoonnummer en woonplaats. Deze gegevens zijn verwerkt om eiser te kunnen bereiken in het kader van de afhandeling van Wob-verzoeken waar hij bij betrokken is, alsmede in het kader van het huidige verzoek. Tot deze persoonsgegevens hebben toegang de medewerkers van de NVWA, die zijn belast met de afhandeling van de Wob-verzoeken, de door de NVWA ingehuurde externe medewerkers en de Landsadvocaat. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, voor zover het ziet op de onvolledigheid van het overzicht. In dit verband heeft verweerder vastgesteld dat de gegevens van eiser in meer documenten staan vermeld dan in het primaire besluit is aangegeven. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een overzicht verstrekt met betrekking tot de persoonsgegevens, zoals deze door de NVWA zijn verwerkt. Verweerder heeft ook aangegeven in welke documenten deze gegevens worden verwerkt.

Oordeel van de rechtbank

Documenten waar eiser al over beschikt

3. Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder de persoonsgegevens uit documenten waar eiser al over beschikt ten onrechte niet heeft aangemerkt als onderdeel van het verzoek van eiser. Artikel 15, eerste lid, van de AVG verplicht verweerder tot het geven van een volledig overzicht van persoonsgegevens, zodat eiser inzage dient te worden gegeven in al zijn persoonsgegevens.

4. De rechtbank overweegt het volgende. Eiser heeft zijn verzoek om persoonsgegevens op 27 augustus 2018 gespecificeerd. Hierbij heeft hij aangegeven dat zijn verzoek niet ziet op documenten die rechtstreeks aan hem zijn gericht, of stukken die in het kader van een Wob-procedure aan hem bekend zijn geworden. Gelet op de omvang van het specificeerde verzoek, heeft verweerder eiser naar het oordeel van de rechtbank geen persoonsgegevens hoeven verstrekken uit documenten waar hij in het kader van een andere procedure al over beschikt. Dat eiser hierover in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan ten tijde van zijn verzoek staat hier niet aan in de weg. Verweerder heeft mogen afgaan op hetgeen eiser in zijn verzoek heeft vermeld. Daarbij komt dat met het verstrekken van persoonsgegevens uit documenten waar eiser al over beschikt, het doel van het inzagerecht onder artikel 15, eerste lid, van de AVG niet meer gediend kan worden. Artikel 15, eerste lid, van de AVG geeft een betrokkene het recht om informatie te verkrijgen over de hem betreffende persoonsgegevens. Het doel van het inzagerecht als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de AVG is het kennis kunnen nemen van de persoonsgegevens door de betrokkene die over hem worden verwerkt en om deze persoonsgegevens te kunnen controleren op de juistheid en de rechtmatige verwerking ervan. Dit doel kan niet meer bereikt worden wanneer het verzoek om inzage van persoonsgegevens betreft die zijn neergelegd in documenten, waarover eiser de beschikking reeds heeft. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens en de rechtmatige verwerking daarvan al kunnen controleren.

Overzicht persoonsgegevens

5. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met het geven van een overzicht van de documenten waarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Verweerder had van bepaalde documenten ook afschriften moeten overleggen. Voor een aantal persoonsgegevens is immers de context waarin ze verwerkt zijn van belang. Zonder deze context is het voor eiser onmogelijk om de juistheid van de gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking te controleren.

6. De rechtbank overweegt dat artikel 15 van de AVG geen recht geeft op verstrekking van een kopie van de fysieke of digitale stukken waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. In artikel 15, derde lid, van de AVG wordt alleen gesproken over een kopie van de persoonsgegevens zelf en niet over een kopie van het document waarin de persoonsgegevens zijn neergelegd. Het recht op inzage van persoonsgegevens betekent dan ook niet dat de betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van de stukken of bestanden als zodanig als daarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Wel bestaat een recht op een overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Eiser kan aan de AVG niet het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan, als aan het inzageverzoek kan worden voldaan door middel van een andere vorm van verstrekking.2 In welke materiële vorm de gegevens moeten worden verstrekt, is daarom afhankelijk van de concrete omstandigheden. Voor zover documenten niet alleen NAW-gegevens bevatten, maar ook feitelijke en waarderende gegevens over eigenschappen of gedragingen van natuurlijke personen lenen dergelijke gegevens zich niet goed voor opname in een overzicht. In dat geval heeft een betrokkene in beginsel recht op een kopie van de documenten waarin die gegevens zijn opgenomen, omdat dat de meest effectieve wijze is waarop voldaan kan worden aan de verplichting zo volledig en duidelijk mogelijk informatie te verschaffen aan de hand waarvan de rechtmatigheid en juistheid van de gegevens kan worden gecontroleerd.

7. De rechtbank overweegt dat verweerder met name NAW-gegevens verwerkt van eiser. Bij dit soort gegevens is het voor het voldoen aan een inzageverzoek op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG naar het oordeel van de rechtbank voldoende om een overzicht te verstrekken van deze persoonsgegevens en in dit overzicht aan te geven in welke stukken de persoonsgegevens worden verwerkt. Onder de door verweerder verstrekte gegevens ziet de rechtbank in het kader van het onderhavige inzageverzoek geen gegevens waarbij het noodzakelijk zou zijn een kopie van het document waar deze gegevens in voorkomen te verstrekken. Zo kan uit het overzicht van verweerder niet worden afgeleid dat verweerder feitelijke en waarderende gegevens over eigenschappen en gedragingen van eiser verwerkt. Verweerder heeft dan ook kunnen volstaan met een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens en heeft geen kopieën van documenten aan eiser hoeven verstrekken.

Volledigheid van het overzicht

8. Eiser voert aan dat verweerder niet alle beschikbare persoonsgegevens van eiser heeft verstrekt. Daarbij wijst eiser er op dat de NVWA op 26 februari 2018 een besluit heeft genomen om de bijstand of vertegenwoordiging van een cliënt door eiser te weigeren. Volgens eiser moeten er in dit verband bij de NVWA ook verschillende beschuldigingen, uitlatingen en gedragingen van hem bekend zijn. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de AVG zijn dit ook persoonsgegevens. Verweerder had deze gegevens daarom aan hem moeten verstrekken. Op de verklaring van verweerder dat na een zoekslag niet is gebleken dat deze informatie beschikbaar is, zegt eiser dat verweerder deze zoekslag onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Eiser kan zich ook niet voorstellen dat deze persoonsgegevens niet door verweerder worden verwerkt. In het bijzonder verwijst eiser naar het voornemen van het besluit tot weigering van eiser als gemachtigde van 22 december 2017, waarin ter illustratie een beschuldiging wordt weergegeven dat eiser in de contacten met bestuursorganen de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke en behoorlijke omgangsvormen niet in acht neemt. Volgens eiser impliceert dit in voornoemd besluit vermeld voorbeeld dat er meerdere beschuldigingen, gedragingen en uitlatingen van eiser moeten zijn geweest die aanleiding hebben gegeven tot dit besluit, en die door verweerder worden verwerkt als persoonsgegeven.

9. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen grond voor de conclusie dat het verwerkingsoverzicht van verweerder onvolledig is, dan wel dat de door verweerder verrichte zoekslag onvoldoende is geweest. Over de zoekslag overweegt de rechtbank dat verweerder in het verweerschrift heeft uitgelegd dat er een zorgvuldig onderzoek is verricht, waarbij is gezocht naar relevante e-mails en (digitale) dossiers van zaken waarbij eiser betrokken was. Naar aanleiding van de toelichting van eiser in bezwaar dat zijn verzoek ook ziet op persoonsgegevens die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit om hem als gemachtigde te weigeren, heeft verweerder nogmaals onderzoek verricht. Er is toen concreet gekeken of de interne relevante e-mails en dossiers verdere inhoudelijke oordelen over eiser bevatten die niet al zijn opgenomen in de voor eiser bekende besluiten. Verweerder heeft dergelijke door eiser genoemde ‘waardeoordelen’ niet aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onderzoek door verweerder voldoende geweest en is niet ongeloofwaardig dat deze gegevens niet zijn aangetroffen. Volgens rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is het na een dergelijk onderzoek door het bestuursorgaan, aan eiser om aannemelijk te maken dat er wel meer persoonsgegevens zijn.3 De rechtbank is van oordeel dat eiser dat niet heeft gedaan. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat de gegevens zoals door hem geschetst, uitlatingen en gedragingen van hem, in beginsel onder de definitie van persoonsgegevens zoals genoemd in artikel 4, eerste lid, van de AVG vallen. Eiser heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder over deze gegevens zou beschikken. De omstandigheid dat in het voornemen van het besluit om eiser niet als gemachtigde toe te laten wordt gesproken over een voorbeeld, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat er meer persoonsgegevens over eiser moeten zijn. Verweerder heeft toegelicht dat het besluit is genomen overeenkomstig de persoonlijke ervaringen van de betrokken ambtenaar, waarbij dus geen persoonsgegevens zijn verwerkt. De enige persoonsgegevens die wel zijn verwerkt staan in het voornemen, het besluit en de processtukken zelf. Over deze stukken beschikt eiser al waardoor dit niet onder de reikwijdte van het verzoek valt. De rechtbank concludeert dan ook dat het door verweerder gegeven overzicht volledig is en dat de zoekslag door verweerder voldoende is geweest.

Ontvangers van de persoonsgegevens

10. Eiser betoogt verder dat verweerder op onjuiste wijze inzichtelijk heeft gemaakt wie er toegang heeft tot de persoonsgegevens van eiser. Verweerder heeft slechts categorieën maar geen namen van de ontvangers genoemd. Daarnaast weet eiser dat zijn persoonsgegevens meermalen ook met anderen zijn gedeeld. Eiser noemt hierbij een brief aan een derde van 22 december 2017, waarin persoonsgegevens van hem zijn gedeeld. Verweerder heeft die derde echter niet als ontvanger genoemd in het besluit. Ook geeft eiser aan dat verweerder zijn persoonsgegevens in een aantal bezwaarprocedures aan derden heeft verstrekt. Deze derden hebben immers over deze zaken met eiser contact opgenomen en kunnen zijn persoonsgegevens uitsluitend via verweerder hebben ontvangen.

11. De rechtbank overweegt dat uit artikel 15, eerste lid, onder c, van de AVG volgt dat verweerder niet altijd de namen hoeft te noemen van de personen aan wie de persoonsgegevens van eiser zijn verstrekt, maar dit ook in categorieën mag weergeven. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit mogen volstaan met het noemen van de categorieën ontvangers van eisers persoonsgegevens.

12. Over de stelling dat verweerder ook gegevens aan derden heeft verstrekt die in het besluit niet genoemd staan overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft hierbij gewezen op een brief van 22 december 2017, die aan een derde is gestuurd. De rechtbank merkt op dat uit de door eiser genoemde brief blijkt dat deze derde een cliënt van eiser betreft, en dat de brief is verstuurd in een procedure waarin eiser deze cliënt bijstond. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt heeft eiser in het kader van de procedure waarin hij zijn cliënt bijstond reeds de beschikking gehad over deze brief. Het verzoek om inzage van eiser ziet daarom niet op de persoonsgegevens in deze brief, zodat verweerder de persoonsgegevens uit deze brief niet heeft hoeven verstrekken. Verder overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verweerder eisers persoonsgegevens aan derden heeft verstrekt. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat in het geval derde-belanghebbenden informatie krijgen in een bepaalde procedure, de persoonsgegevens van partijen altijd worden verwijderd. Eiser heeft gesteld dat het niet anders kan dan dat derden zijn persoonsgegevens in het kader van procedures die zijn gevoerd van verweerder heeft ontvangen. De rechtbank merkt op dat eiser dit standpunt niet nader heeft onderbouwd. Niet valt uit te sluiten dat derden via een andere weg dan door het verstrekken van persoonsgegevens van eiser door verweerder toch bekend zijn geworden met de betrokkenheid van eiser in bezwaarprocedures. Zoals onder 9 overwogen is niet gebleken dat de zoekslag door verweerder onvoldoende is geweest, waardoor de rechtbank er van uit gaat dat verweerder de persoonsgegevens van eiser niet aan derden heeft verstrekt anders dan de categorieën personen die in het bestreden besluit zijn weergegeven. Verweerder heeft dus een volledig overzicht gegeven van de personen aan wie de persoonsgegevens van eiser zijn verstrekt.

Hoorzitting

13. Eiser voert daarnaast aan dat hij ook opnames en/of verslagen wenst te ontvangen van hoorzittingen, waarbij hij aanwezig is geweest. Volgens eiser zijn dit ook persoonsgegevens, nu zijn stem op de opnames te horen is. Het gaat eiser hierbij alleen om de delen waarin hij aan het woord is.

14. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het verzoek enkel kan zien op de eigen persoonsgegevens van eiser, te weten hetgeen hij zelf heeft gezegd tijdens de hoorzittingen. Aan het verstrekken van een integrale kopie staan de rechten en vrijheden van derden in de weg. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder eiser heeft aangeboden om de opnamen van de hoorzittingen op locatie te komen beluisteren. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat eiser hierbij kan aangeven om welke gedeelten van de opnamen het hem te doen is en waarmee hij het eventueel niet eens is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voornoemd aanbod in voldoende mate heeft voldaan aan het inzageverzoek van eiser. Uit de AVG valt niet af te leiden dat verweerder een geluidsopname of een verslag van de hoorzitting aan eiser zou moeten overleggen. Dat het op locatie beluisteren zou betekenen dat eiser meerdere dagen naar de NVWA zou moeten gaan maakt dat niet anders. De rechtbank merkt op dat dit een consequentie is van het ruime verzoek van eiser om persoonsgegeven van hoorzittingen waarbij hij aanwezig is geweest.

Vergoeding proceskosten in bezwaar

15. Eiser betoogt tot slot dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om zijn proceskosten te vergoeden. Bij een gegrondverklaring van het bezwaar komen deze kosten volgens eiser namelijk voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank volgt eiser in dit standpunt. Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op dit verzoek van eiser terwijl hij hier op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel een beslissing op had moeten nemen. Het beroep is daarom op dit punt gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15 van de Awb. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank beantwoordt deze vraag gelet op het voorgaande bevestigend. De rechtbank zal beslissen over de gevraagde proceskosten in bezwaar en de andere door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden leiden niet tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit niet had kunnen nemen. De rechtbank wijst het verzoek van eiser in bezwaar om proceskostenvergoeding af, omdat eiser dit verzoek niet heeft onderbouwd.

Conclusie

16. De rechtbank concludeert dat verweerder in het kader van de AVG op de juiste wijze heeft beslist op het informatieverzoek van eiser. Niet is gebleken dat het verstrekte overzicht van de persoonsgegevens onvolledig zou zijn of dat verweerder verplicht was afschriften van een aantal documenten aan eiser te verstrekken.

17. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser de proceskosten vergoeden die hij heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking voor vergoeding. Omdat eiser zonder gemachtigde heeft geprocedeerd is hier geen sprake van. Eiser heeft om vergoeding van zijn verletkosten ad € 75,- gevraagd in verband met het bijwonen van de zitting (45 minuten). Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de door eiser gevorderde verletkosten vergoed overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 7,- en € 84,- per uur bedraagt. In de toelichting op het formulier proceskosten is uitdrukkelijk aangegeven dat de voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten dienen te worden onderbouwd met bewijsstukken. Eiser heeft nagelaten dit te doen. Volgens vaste rechtspraak dient in die situatie een vergoeding volgens het minimumtarief te worden toegekend. De rechtbank stelt gelet daarop de vergoeding voor verletkosten vast op € 5,25 (45 minuten x € 7,-). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 178,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit:

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 178,- aan hem te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (de AVG)

2 Hof van Justitie van de Europese Unie 17 juli 2014 (ECLI:EU:C:2014:2081).

3 ABRvS 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1519).