Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5261

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
UTR 19/5224
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Studiefinancieringszaak - vordering wegens meerinkomen - overgangsrecht niet van toepassing - lening - niet afgezien van aanspraak op studiefinanciering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering en Onderwijs, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser in 2015 teveel heeft bijverdiend en als gevolg daarvan een bedrag van € 2.006,89 aan studiefinanciering van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 31 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vervolgens nog aanvullende

gronden ingediend

Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de rechtbank heeft zowel verweerder als eiser

nog een schriftelijke reactie ingediend. Vervolgens hebben verweerder en eiser nogmaals een

schriftelijke reactie ingediend.

Met toestemming van de partijen heeft er geen zitting plaatsgevonden en heeft de rechtbank het onderzoek op 23 november 2020 gesloten.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser ontving van januari 2015 tot en met augustus 2015 studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs. Van september 2015 tot en met december 2015 ontving hij een lening en een studentenreisproduct. In totaal heeft hij in 2015 € 3.466,52 ontvangen aan basisbeurs en reisvoorziening.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in 2015 een zogenoemd meerinkomen had in de zin van artikel 3.17, eerste lid, van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Dat betekent dat eiser te veel heeft bijverdiend, waardoor verweerder een vordering op hem heeft. Eiser had in 2015 een toetsingsinkomen van € 15.863,- maar mocht in dat jaar niet meer dan € 13.856,11 bijverdienen. Eiser moet daarom € 2.006,89 terugbetalen aan verweerder. Volgens verweerder maken een lening en een studentenreisproduct ook onderdeel uit van studiefinanciering, waardoor voor de bepaling van het toetsingsinkomen naar het gehele jaar moet worden gekeken en niet alleen naar de periode waarover eiser een basisbeurs ontving.

3. Eiser betwist niet dat hij in 2015 in totaal € 15.863,- heeft bijverdiend. Hij stelt echter dat verweerder voor de berekening van het meerinkomen alleen de maanden mocht meetellen waarin hij de basisbeurs ontving.

4. Eiser heeft zich in zijn schriftelijke reactie van 13 oktober 2020 beklaagd over het feit dat verweerder nogmaals op hem heeft gereageerd, terwijl de rechtbank verweerder slechts nog één mogelijkheid heeft gegeven om zijn standpunt weer te geven. De rechtbank neemt de reactie van 1 oktober 2020 van verweerder en de reactie van 13 oktober 2020 van eiser desondanks wel mee in haar beoordeling. Omdat eiser immers nog op deze verklaring van verweerder heeft gereageerd is hij hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Is het overgangsrecht op eiser van toepassing?

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat op zijn situatie het overgangsrecht uit

artikel 12.19, tweede lid, van de Wsf 2000 van toepassing is. Uit dit artikel volgt dat voor de berekening van het meerinkomen het inkomen dat is verdiend vanaf de eerste maand waarin eiser geen basisbeurs meer ontving (september), buiten beschouwing wordt gelaten. Eiser heeft de bijverdiengrens pas in de maand december overschreden. Daarom heeft de toepassing van het overgangsrecht tot gevolg dat eiser geen meerinkomen had in 2015. Volgens eiser is het overgangsrecht op hem van toepassing omdat hij in 2015 voor het eerst geen basisbeurs meer ontving, zoals in dit artikel vereist is.

6. Artikel 12.19 van de Wsf 2000, zoals dat gold op 1 september 2015, luidt als volgt:

1. In afwijking van artikel 3.17 blijft dat artikel, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, van toepassing op studenten in kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs als bedoeld in artikel 3.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015.

2. In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op de basisbeurs bestaat, bedoeld in artikel 3.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Bij de Wet studievoorschot hoger onderwijs van 21 januari 2015 is de Wsf 2000 op verschillende onderdelen gewijzigd. De belangrijkste wijziging hierbij is de afschaffing van de basisbeurs en het instellen van een leenstelsel. Dit leenstelsel is ingegaan op 1 september 2015. Als gevolg van deze nieuwe regelgeving waren er studenten die vanaf 1 september 2015 geen basisbeurs meer ontvingen, terwijl ze hier volgens het oude stelsel nog wel recht op hadden gehad. Voor deze mensen, waarbij de situatie dus veranderde, is er overgangsrecht opgesteld.

8. Uit het eerste lid van artikel 12.19 van de Wsf 2000 volgt dat artikel 3.17, zoals dat gold op 31 augustus 2015, van toepassing blijft op studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie op eiser van toepassing is. Eiser had in 2015 van januari tot en met augustus immers nog recht op de basisbeurs. De rechtbank vindt in de wettekst of de memorie van toelichting geen aanknopingspunten voor het standpunt van eiser dat hij gedurende het gehele kalenderjaar recht moest hebben op een basisbeurs om onder dit artikel te vallen. Vervolgens is de vraag of artikel 12.19, tweede lid van de Wsf 2000, dat een uitzondering op het eerste lid inhoudt, ook op eiser van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. In het artikel staat dat het moet gaan om een student die ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst geen basisbeurs meer in dat kalenderjaar ontvangt. Het gaat hierbij dus om studenten die volgens de oude regels wel nog in september 2015 een basisbeurs zouden krijgen, maar hier vanwege de wetswijziging geen recht meer op hadden. Eiser had op

1 september 2015 in totaal al vier jaar basisbeurs ontvangen en had daarom ook onder de oude regelgeving geen recht meer op de basisbeurs. Daarom heeft hij niet als gevolg van de nieuwe wet geen basisbeurs meer ontvangen en geldt artikel 12.19, tweede lid van de Wsf 2000 niet voor hem. Deze lezing van artikel 12.19, tweede lid, van de Wsf 2000 wordt ook bevestigd door de memorie van toelichting.1 Onder de uitleg van artikel 12.19 staat namelijk dat de bijverdiengrens wordt afgeschaft voor iedereen die ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs niet langer een basisbeurs ontvangt. De overgangsregeling is dus slechts bedoeld voor de studenten die door de wetswijziging in een meer nadelige positie terecht zijn gekomen. Daar is bij eiser geen sprake van. Op hem is dan ook niet het overgangsrecht van toepassing, maar artikel 3.17 van de Wsf 2000 zoals deze gold op 31 augustus 2015.

Geldt de bijverdiengrens ook voor lenende studenten?

9. Eiser voert aan dat de bijverdiengrens alleen geldt voor studenten die een basisbeurs of een aanvullende beurs ontvangen, en niet voor studenten die een lening hebben. Ingevolge artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000, moet het geld dat hij heeft verdiend over de periode van september tot en met december 2015 daarom niet meetellen voor de berekening van het meerinkomen. Omdat eiser pas in december boven de bijverdiengrens is gekomen, heeft hij daardoor de bijverdiengrens niet overschreden in 2015. Hierbij wijst eiser ook op het doel van de regels omtrent de bijverdiengrens, namelijk het optreden tegen studenten die de basisbeurs ontvangen terwijl zij voldoende eigen middelen hebben om in hun studiekosten te voorzien. Het is niet bedoeld voor lenende studenten, en een lening kan dan ook niet worden teruggevorderd. Eiser heeft hiertoe ook verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam.2

10. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3.17, eerste lid, van de Wsf 2000 een meerinkomen van een studerende in een kalenderjaar leidt tot een vordering van onze minister op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met de vrije voet, die op 1 januari 2015 € 13.856,11 bedroeg.3 Op grond van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 blijft bij de berekening van het meerinkomen, het inkomen dat is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin de studerende zonder onderbreking geen studerende was in de zin van de wet óf heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering buiten beschouwing. Dit kan slechts de periode betreffen die begint bij aanvang van het kalenderjaar, of eindigt bij het einde van het kalenderjaar.

11. De rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat eiser het gehele jaar 2015 nog studerende was. Voor toepassing van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 is vervolgens van belang of eiser vanaf september heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering door toen geen basisbeurs meer te ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake van is. In tegenstelling tot wat eiser stelt, valt de studielening die eiser vanaf september ontving immers wél onder de studiefinanciering. Dit is af te leiden uit artikel 3.1, eerste lid, van de Wsf 2000, waarin staat dat studiefinanciering bestaat uit basisbeurs, uit basislening en uit aanvullende beurs of aanvullende lening en voor studenten ook uit collegegeldkrediet. Doordat eiser in september tot en met december 2015 nog een lening ontving, heeft hij in die periode geen afstand gedaan van zijn aanspraak op studiefinanciering. Verweerder heeft daarom niet in strijd met artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 gehandeld door het inkomen van het gehele jaar mee te nemen voor de berekening van het meerinkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook niet in strijd met het doel van de regels omtrent de bijverdiengrens. Ook zonder dat je de basisbeurs ontvangt heb je immers nog voordelen als studiefinancieringsgerechtigde. Zo kan je geld lenen tegen een lage rente en heb je recht op een studentenreisproduct. Het is daarom niet onredelijk om naast deze voordelen ook beperkingen op te leggen. Ook de omstandigheid dat verweerder bij meerinkomen alleen de basisbeurs en niet de lening kan terugvorderen staat hier niet aan in de weg. In dit verband overweegt de rechtbank dat hierin het verschil zit tussen de zaak van eiser en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.4 In deze uitspraak had de student namelijk over het gehele jaar een lening ontvangen maar geen basisbeurs. Daarom was er wel meerinkomen, maar was er geen basisbeurs die verweerder kon terugvorderen. Wel heeft de rechtbank ook in die zaak bepaald dat eiser als studiefinancieringsgerechtigde kon worden gezien. De rechtbank concludeert dat verweerder het inkomen van het gehele jaar mee heeft mogen nemen in de berekening van het meerinkomen.

Had verweerder alle kosten van het studentenreisproduct mogen laten meetellen?

12. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten controleren of eiser na het passeren van de bijverdiengrens daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van het studentenreisproduct. Dit volgt uit de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.5 Uit het besluit blijkt niet dat deze controle heeft plaatsgevonden. Daarnaast stelt eiser dat alleen van de laatste maand de kosten van het reisproduct meegenomen mogen worden, omdat hij pas in december de bijverdiengrens gepasseerd is. Volgens eiser is het ook onredelijk om de kosten van het reisproduct mee te nemen, omdat het niet is toegestaan geld te lenen zonder over een reisproduct te beschikken.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de berekening van de vordering terecht alle (in de wet vastgestelde) kosten van het reisproduct over het gehele jaar 2015 heeft meegenomen. Verweerder heeft niet de verplichting om te controleren of eiser daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van het reisproduct. Dit volgt ook niet uit de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam.6 Daar ging het om iemand die het reisproduct niet had geactiveerd. Verder bestaat er voor verweerder geen wettelijke ruimte om alleen de kosten van het reisproduct mee te laten tellen die zijn gemaakt vanaf het moment dat eiser de bijverdiengrens heeft gepasseerd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk, omdat eiser zowel van de mogelijkheid om geld te lenen als van het reisproduct voordelen ondervindt. Eiser had de vordering van zijn meerinkomen kunnen voorkomen door zijn gehele studiefinanciering, dus de lening en het reisproduct, stop te zetten. Dat eiser wellicht niet wist dat hij onder deze omstandigheden niet had afgezien van zijn recht op studiefinanciering staat hier niet aan in de weg. Het ligt namelijk op de weg van eiser om zich tijdig op de hoogte te stellen van de gevolgen van zijn inkomen in 2015 op de bijverdienregeling. Niet is gebleken dat eiser geen kennis heeft kunnen nemen van informatie die door verweerder hierover op de website en in brochures wordt vermeld.

Wat betekent dit voor het beroep?

14. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht een vordering wegens meerinkomen van € 2.006,89 heeft vastgesteld. Het overgangsrecht is niet op eiser van toepassing. Daarnaast kon eiser, ook toen hij geen basisbeurs meer ontving, als studiefinancieringsgerechtigde worden aangemerkt omdat hij een studentenlening ontving. Verweerder heeft daarom terecht het toetsingsinkomen over het gehele jaar genomen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 9 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Kamerstukken II, Memorie van toelichting ‘Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de introductie van een nieuw stelsel van studiefinanciering in het hoger onderwijs en de uitvoering van een toekomstgerichte onderwijsagenda voor het hoger onderwijs (Wet studievoorschot hoger onderwijs)’, nr. 3, vergaderjaar 2014-2015, 34 035.

2 Rechtbank Rotterdam 16 december 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:9684).

3 Artikel 3.17, eerste lid, van de Wet Studiefinanciering 2000 jo artikel 6 van de Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES, voor het jaar 2015.

4 Rechtbank Rotterdam 16 december 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:9684).

5 Rechtbank Rotterdam 16 december 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:9684).

6 Rechtbank Rotterdam 16 december 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:9684).