Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5259

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1168
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opleggen EMG - gebrek aan inzicht en strijd met essentiële verkeersregels - juistheid proces-verbaal - verkeerde inschatting verkeerssituatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1168

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna EMG) opgelegd.

Bij besluit van 11 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2020 via een Skype-verbinding. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is op 2 december 2019 als bestuurder van een personenauto staande gehouden op de Grote Vaartweg te Almere vanwege zijn rijgedrag op een plaats waar zojuist een verkeersongeval had plaatsgevonden. Een verbalisant van de politie (de verbalisant) heeft hiervan op 5 december 2019 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Op diezelfde datum heeft de verbalisant op basis van de geconstateerde feiten aan verweerder een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiser een EMG opgelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Eiser heeft de EMG inmiddels al gevolgd en de kosten hiervoor betaald. Hij vraagt in beroep om een schadevergoeding voor deze kosten ter hoogte van 2 x € 1.180,-. Ter zitting heeft eiser dit verzoek gematigd tot (eenmaal) € 1.180,-.

Standpunt verweerder

2. Uit het proces-verbaal van de verbalisant blijkt – kort samengevat – het volgende. Op de Grote Vaartweg in Almere had een frontale aanrijding plaatsgevonden. Hierdoor was een van de auto’s (een Audi) in de berm op een (brom-)fietspad terecht gekomen. Meerdere brandweermannen stonden om deze auto heen om het slachtoffer uit het voertuig te bevrijden. Eiser kwam met zijn personenauto richting het ongeluk rijden, op het moment dat de weg nog niet fysiek was afgesloten. Hij reed toen de berm rechts van het (brom-)fietspad op, kennelijk om zo langs de Audi en brandweermannen te komen. Dit was praktisch gezien onmogelijk waardoor de brandweermannen opzij moesten stappen. Het was volgens de verbalisant niet mogelijk en ook zeer onwenselijk om in deze situatie langs de Audi te rijden, omdat de brandweermannen bezig waren een slachtoffer te bevrijden. Eiser reed toen achteruit over het bromfietspad om de weg weer terug te nemen. Verbalisant heeft hem staande gehouden, waarna een gesprek volgde. Tijdens dit gesprek zei eiser onder andere dat hij haast had en verbalisant hoorde hem ook schelden. Vervolgens is eiser met piepende en slippende banden weggereden en hoorde de verbalisant later ook dat eiser met piepende en slippende banden de rotonde nam. Verbalisant sprak nog met de weginspecteur die op de rotonde stond. Deze weginspecteur zei: “Wat was er aan de hand met de bestuurder van de Opel? Wat een asociaal figuur!”. Later hoorde verbalisant ook van de bevelvoerder van de brandweer, die bij de Audi had gestaan, dat hij de gedraging van eiser zeer onprettig, gevaarlijk en bijzonder asociaal vond.

3. Verweerder heeft uit het proces-verbaal afgeleid dat eiser gedragingen heeft verricht in strijd met de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna de Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag. Het gaat dan om:

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:
[…]

c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het ‘hand held bellen’, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid.
[…]

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden.


Gelet hierop heeft verweerder op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wvw een EMG opgelegd.

Standpunt eiser

4. Eiser vindt dat verweerder de EMG niet aan hem had kunnen opleggen. Volgens eiser heeft hij de situatie slechts verkeerd ingeschat. Hij was in de veronderstelling dat er sprake was van een wegomlegging, en heeft daarom langs het ongeluk proberen te rijden. Toen hem duidelijk werd dat dit niet mogelijk was, is hij direct op aangeven van de brandweer omgekeerd. Het gesprek wat daarna met de politieagent volgde was niet constructief. Eiser is niet bewust met wielspin weggereden en heeft ook niet met piepende en slippende banden over de rotonde gereden. Eiser onderbouwt zijn standpunt met een aantal foto’s en schetsen van de verkeerssituatie. Volgens hem volgt hieruit dat de pionnen op zo’n manier opgesteld stonden dat het leek alsof er een wegomlegging was en eiser langs het ongeluk, door de berm, werd omgeleid. Daarnaast heeft eiser een e-mail van 10 januari 2020 overgelegd van [A] , bevelvoerder van de brandweer (de bevelvoerder) die tijdens de gebeurtenis aanwezig was. Uit deze e-mail volgt volgens eiser dat hij de brandweerlieden niet in hun werk heeft gehinderd. Tot slot heeft eiser verwezen naar artikelen waaruit blijkt dat ook politieagenten fouten maken in hun werk. Verweerder kan dus niet zonder meer van de verklaring van verbalisant uitgaan.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan, in dit geval het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij er tegenbewijs is op basis waarvan van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.1 Van de feiten zoals geschetst in het proces-verbaal mag het CBR dus in principe uitgaan. Eiser heeft een belangrijk deel van deze feiten ook niet betwist. Hij heeft erkend dat hij die ochtend haast had, dat de weg door het ongeval versperd was en dat hij via de berm en het (brom-)fietspad langs de Audi heeft willen rijden, terwijl dit niet mogelijk was.

6. Uit de foto’s van het ongeval die zich in het dossier bevinden blijkt dat één van de auto’s die bij het ongeval betrokken was haaks, midden op de weg stond. Hierdoor, en door de vele brokstukken, was de tweebaansweg geheel geblokkeerd. De andere bij het ongeval betrokken auto stond eveneens haaks op de weg, met de achterkant op het (brom-)fietspad en de voorkant op in de berm tussen het fietspad en de doorgaande weg. Beide auto’s waren zeer zwaar beschadigd.

7. Eiser heeft de verkeerssituatie verkeerd ingeschat, zoals hij zelf ook erkent. De rechtbank is van oordeel dat eiser echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat die foute inschatting het gevolg was van een onduidelijke wegomlegging. Van een wegomlegging was geen sprake en uit de door eiser overgelegde situatieschets waarop de pionnen anders zijn geplaatst dan op de foto’s die de rechtbank ter zitting met partijen heeft bekeken,2 kan de rechtbank niet afleiden dat hij heeft mogen veronderstellen dat er wél een wegomlegging was.
Eisers stelling dat er bandensporen in de berm zichtbaar waren, leidt niet een andere conclusie. Hieruit kan immers op zichzelf niet worden afgeleid dat de situatie ook voor andere verkeersdeelnemers onduidelijk was, zoals eiser stelt.
De verklaring van de bevelvoerder werpt geen ander licht op de zaak omdat deze de kern van de gedragingen zoals door de verbalisant opgetekend niet weerspreekt. De bevelvoerder schrijft immers dat hij verbaasd was dat er een voertuig bij het plaats ongeval stond en dat hij eiser heeft gesommeerd het voertuig te verplaatsen zodat zij geen hinder zouden hebben. Dat de bevelvoerder heeft vermeld dat de hulpverlening geen hinder heeft ondervonden en dat dit geen invloed heeft gehad op de bevrijding van de slachtoffers neemt niet weg dat de verbalisant heeft waargenomen dat er brandweermannen opzij moesten stappen toen eiser er aan kwam rijden. Bovendien heeft de bevelvoerder vlak na de gebeurtenis tegen de verbalisant gezegd dat hij het gedrag onprettig en gevaarlijk vond.

Verder heeft eiser nog naar voren gebracht dat de enige reden voor het rijden met slippende banden, was dat het wegdek nat was. Omdat het rijden met piepende en slippende banden niet doorslaggevend is geweest voor het besluit van verweerder zal de rechtbank hier verder niet op ingaan.
Tot slot overweegt de rechtbank in dit verband dat de door eiser overgelegde artikelen om het standpunt te onderbouwen dat de politie ook fouten maakt niet relevant zijn voor deze zaak.

8. Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat eiser er niet in is geslaagd om tegenbewijs te leveren op basis waarvan niet van het proces-verbaal van verbalisant kan worden uitgegaan.

9. Uit het proces-verbaal en eerdergenoemde foto’s leidt de rechtbank af dat het niet anders kan dan dat eiser moet hebben gezien dat er een ernstig ongeval was gebeurd en dat de hulpdiensten doende waren om zich om de slachtoffers te bekommeren. Een dergelijke verkeerssituatie vergt een bijzondere oplettendheid van een bestuurder en om aanpassing van het rijgedrag. Eiser heeft met zijn gedragingen laten zien dat op dat moment sprake was van gebrek aan inzicht in de risico’s in het verkeer. Door dóór de berm op het fietspad te gaan rijden heeft eiser bovendien gedrag vertoond in strijd is met de essentiële verkeersregels. Dat eiser, zoals hij stelt, direct na het incident contact heeft opgenomen met de brandweer om zijn excuses aan te bieden valt op zichzelf te prijzen en is een aanwijzing dat eiser achteraf ook inzag dat zijn weggedrag niet juist was geweest. De rechtbank is alles overziend van oordeel dat de geverbaliseerde waarnemingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat een vermoeden van ongeschiktheid dan wel een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid was gerezen. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Regeling was verweerder daarom verplicht om een EMG op te leggen. Verweerder heeft hierbij geen ruimte om een belangenafweging te maken.3 De omstandigheid dat de kosten voor de EMG hoog zijn, € 1.180,-, kan dus ook geen rol spelen. De wetgever heeft bepaald dat deze kosten voor rekening komen van degene die de EMG verplicht moet volgen.

Conclusie

10. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is. Verweerder heeft terecht een EMG opgelegd. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2409).

2 De rechtbank heeft met partijen de foto’s bekeken op de site [website] / die eiser in uitgeprinte vorm aan zijn bezwaar had toegevoegd.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:385).