Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5257

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
01-10-2021
Zaaknummer
UTR 19/5413
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Het beroep is terecht buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging. De bestreden uitspraak blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5413

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2020 op het verzet van

[opposant] , opposant.

Inleiding

1. Perceel 300 aan de [adres] in [woonplaats] is eigendom van [eignaar] . De heffingsambtenaar van de gemeente Baarn heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken, de waarde van dit perceel voor het belastingjaar 2019 vastgesteld. Namens [eignaar] heeft opposant hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 13 november 2019 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens heeft opposant, beweerdelijk weer namens [eignaar] , beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. Bij uitspraak van 25 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2390, heeft de rechtbank het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder behandeling op een zitting niet-ontvankelijk verklaard. Reden hiervoor is het ontbreken van een toereikende machtiging van [eignaar] . Opposant heeft tegen deze uitspraak op persoonlijke titel verzet gedaan. Het verzet is op 21 oktober 2020 bij de rechtbank behandeld op een digitale zitting via Skype. Opposant was daarbij aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] . Na afloop heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak gesloten.

Overwegingen

3. Opposant voert aan dat het beroep ten onrechte niet‑ontvankelijk is verklaard. Een toereikende machtiging is geen formeel vereiste voor een ontvankelijk beroep. Het is niet redelijk van de rechtbank om een machtiging van zijn cliënt te verlangen, omdat opposant meer beroepsprocedures namens [eignaar] bij de rechtbank heeft lopen. Voor zover er wél een toereikende machtiging nodig is, zit die volgens opposant tussen de dossierstukken, die de heffingsambtenaar aan de rechtbank moet verstrekken. Opposant voert verder aan dat hij na afloop van de termijn alsnog een toereikende machtiging heeft ingediend. Tot slot vindt opposant dat het verzet gegrond moet worden verklaard, omdat de griffier hem in de uitnodiging voor de zitting op het verkeerde been heeft gezet door de vermelding dat de zitting om de behandeling van het beroep zou gaan.

4. De rechtbank volgt opposant niet. Op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Gelet op de formulering van deze bepaling is het aan de bestuursrechter om te beoordelen of dat nodig is. De verwijzing van opposant naar machtigingen in andere beroepsprocedures die hij bij de rechtbank namens [eignaar] heeft lopen, kan opposant niet baten. Die machtigingen hebben immers betrekking op andere procedures. Dit betoog slaagt niet.

5. Ook de verwijzing van opposant naar de verplichting van de heffingsambtenaar om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, treft geen doel. Voor zover zich onder deze stukken een toereikende machtiging bevindt die ook ziet op het instellen van beroep, laat dat onverlet dat opposant die machtiging zelf in beroep moet indienen. De op de zaak betrekking hebbende stukken worden bovendien niet door de rechtbank bij de heffingsambtenaar opgevraagd indien direct vast staat dat het beroep niet-ontvankelijk is. Ook dit betoog slaagt dus niet.

6. De rechtbank is verder niet gebleken dat opposant alsnog tijdig een toereikende machtiging voor het beroep heeft ingediend. De machtiging van 3 april 2020 is pas in de verzetprocedure bij brief van 9 oktober 2020 door opposant aan de rechtbank gestuurd. Zoals hiervoor is overwogen, heeft opposant ook geen geldige reden gegeven waarom hij die machtiging, ondanks (herhaalde) verzoeken van de rechtbank, niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend. Dit betoog slaagt evenmin.

7. De omstandigheid dat in de uitnodiging voor de zitting wordt gesproken over het beroep kan tot slot ook niet leiden tot gegrondverklaring van het verzet. Dit is immers iets dat is voorgevallen ná de uitspraak van de rechtbank. Voor zover opposant mocht menen dat hij hierdoor in de verzetprocedure in zijn procesbelang is geschaad, kan de rechtbank hem daarin niet volgen. Aangezien de rechtbank al uitspraak op het beroep had gedaan en die uitspraak niet bij afzonderlijke uitspraak vervallen is verklaard, valt niet in te zien hoe dat beroep op 21 oktober 2020, zonder dat op het verzet was beslist, weer behandeld zou kunnen worden. Ook dit betoog slaagt dus niet.

Conclusie

8. Het voorgaande betekent dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank van 25 juni 2020 blijft in stand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en R. in ’t Veld en mr. G.P. Loman, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

(de voorzitter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen)

de griffier de voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.