Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5228

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
16/177549-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn minderjarige dochter gedurende een periode van bijna zeven jaar seksueel misbruikt. Dit misbruik is begonnen toen aangeefster pas acht jaar oud was.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0914
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/177549-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1942] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2020. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M. Kuipers, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Tanghe, en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij mw. [slachtoffer] en haar raadsvrouw, mr. M. Kubatsch, naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Onder 1. primair:

in de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 december 2001 te Woerden met zijn kind, die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;

Onder 1. subsidiair:

in de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 december 2001 te Woerden met zijn kind, die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd;

Onder 2. primair:

in de periode van 2 december 2001 tot en met 30 november 2004 te Woerden met zijn kind, die toen de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar

lichaam;

Onder 2. subsidiair:

in de periode van 2 december 2001 tot en met 30 november 2004 te Woerden met zijn kind, die toen de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

3 VOORVRAGEN

3.1.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat aangeefster al in 2003 bij de politie is geweest en een verklaring heeft afgelegd. Verdachte is destijds ook gehoord door de politie. Aangenomen kan worden dat verdachte toen in ieder geval een deels bekennende verklaring heeft afgelegd. Deze omstandigheid maakt dat verdachte er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij vervolgd zou worden. Dat er pas na ongeveer 17 jaren, in 2020, daadwerkelijk tot vervolging is overgegaan, levert een buitensporige schending op van de redelijke termijn. Het Openbaar Ministerie dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft zicht op het standpunt gesteld dat van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster op 8 mei 2020 tijdens het zogeheten informatief gesprek zeden bij de politie heeft verklaard dat zij als veertienjarig meisje op het politiebureau in Woerden is geweest en toen met iemand heeft gesproken.

Verdachte heeft verklaard dat hij toentertijd ook een verklaring heeft afgelegd bij de politie. De rechtbank stelt voorts vast dat aangeefster naar aanleiding van dit gesprek in 2003 geen aangifte tegen verdachte heeft gedaan. Van enige daad van vervolging vanuit de politie of het Openbaar Ministerie richting verdachte is niet gebleken. Het enkele gegeven dat aangeefster als veertienjarige haar verhaal heeft gedaan bij de politie en dat verdachte naar eigen zeggen - onderliggende stukken daarvan ontbreken - vervolgens ook is uitgenodigd door de politie om zijn verhaal te doen, levert naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid op waarvan gezegd kan worden dat verdachte er toen redelijkerwijs vanuit kon gaan dat hij vervolgd zou worden. Daarbij merkt de rechtbank op dat een eerste verhoor van een verdachte door de politie, voor zover daarvan in deze zaak destijds al sprake zou zijn, niet steeds heeft te gelden als een handeling van vervolging als hiervoor bedoeld (HR R 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu, rov. 3.12).

Op 20 september 2019 heeft aangeefster daadwerkelijk aangifte gedaan tegen verdachte. Vervolgens is verdachte op 1 juli 2020 naar aanleiding van deze verdenking door de politie als verdachte verhoord. De redelijke termijn is op die datum, 1 juli 2020, gaan lopen. Van enige overschrijving van de redelijke termijn van berechting is dan ook geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

3.2.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde. Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster heeft betast en dat dit volstrekt fout is geweest. Verdachte ontkent echter het binnendringen. Hierdoor is er sprake van een bewijsleemte, nu de verklaringen van aangeefster het enige bewijs zijn. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde varianten stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de handelingen zoals ten laste zijn gelegd onder het derde en vierde gedachtestreepje.

Ten aanzien van de ten laste gelegde pleegperiode heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit diverse verklaringen is gebleken dat het misbruik is begonnen na de scheiding van verdachte en de moeder van aangeefster in 1998. Als startdatum van de pleegperiode dient dan ook eerder eind 1999 te worden aangenomen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de hierna opgenomen wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 20 september 2019 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van seksueel misbruik door [verdachte] . Zij heeft toen het volgende verklaard:

V: In welke periode heeft het misbruik plaatsgevonden?

A: Vanaf mijn achtste levensjaar tot mijn veertiende levensjaar. Ik was veertien toen

ik het mijn moeder heb verteld en toen is het ook gestopt.

V: In wat voor relatie staan of stonden jullie tot elkaar?

A: Mijn moeder is met hem getrouwd geweest. Het misbruik is na de scheiding begonnen, nadat mijn moeder bij hem uit huis is gegaan. 2

Ze zijn gescheiden toen ik acht jaar was. We mochten hem blijven zien, we sliepen daar

geregeld, ik was daar wekelijks.

V: Hoe weet je dat je acht was toen het gebeurde?

A: Omdat het begon na de scheiding.3

V: Wat weet je over de seksuele handelingen in de begin periode?

A: Dat hij dan vaak tegen me aan kwam liggen of hij draaide me zo dat mijn arm over

hem heen viel zodat mijn hand bij zijn geslachtsdeel kwam of hij draaide mij op mijn

rug en dan oraal. Hij raakte mij aan bij mijn borsten en raakte me aan bij mijn

schaamlippen.

V: Hoe vaak gebeurde het?

A: Ik denk wel elk week een keer.

V: Wat deed hij oraal?

A: Met zijn tong tussen mijn schaamlippen en met zijn vingers naar binnen, in of

tussen mijn schaamlippen maar ook erin. Hij ging ook met zijn hand over mijn billen

en dan via de achterkant met zijn vingers mijn vagina in.

Hij raakte gewoon mijn hele lichaam aan overal. Maar ook met zijn piemel tussen mijn schaamlippen.4

V: Je vertelde dat hij ook met zijn geslachtsdeel bij je vagina kwam?

A: Dan legde hij hem er tussen, dan wreef hij er over heen, hij pakte ook wel eens

zelf zijn piemel en dan pakte hij de kop en die wreef hij dan tussen mijn

schaamlippen door.

V: Wat heb jij als de ergste keer ervaren?

A: Ik denk dat toen ik ziek was. Ik had koorts en was grieperig, ik lag op het matras naast het bed. Hij ging over mijn billen aaien en toen wist ik wel dat het niet uit liefde was maar voor zichzelf. Hij is toen van achteren ook naar binnen gegaan met zijn vingers. Hij deed dan een,

twee of drie vingers naar binnen. Dat was verschillend. Dat voelde krap. 5

V: Hoe oud was je toen hij voor het eerst met zijn vingers in je vagina ging?

A: Dat weet ik niet. In mijn beleving is er geen opbouw in de handelingen geweest dus

dan is het begonnen toen ik acht was.6

De moeder van aangeefster, [getuige] , is als getuige gehoord en heeft het volgende verklaard:

V: In welke relatie sta of stond jij tot [verdachte] ? (de rechtbank begrijpt: verdachte)

A: Ik ben met [verdachte] getrouwd geweest.

V: In welke relatie stond [verdachte] ten opzichte van [slachtoffer] ? (de rechtbank begrijpt: aangeefster)

A: [verdachte] heeft, voordat ik met hem ging trouwen, de kinderen erkend. Hij was niet alleen hun

stiefvader, maar ook hun wettelijke vader.7

V: Wanneer werd de relatie tussen [verdachte] en jou beëindigd?

A: Dat is in 1998 geweest.

V: Hoe oud was [slachtoffer] toen [verdachte] en jij uit elkaar gingen?

A: 8 jaar want het was in 1998 en zij is aan het einde van het jaar jarig. In dat jaar werd ze 9.8

Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie het volgende verklaard:

We hebben in bed gelegen samen. Ik heb haar borsten en vagina betast.

V: Waarmee deed u dat?

A: Met mijn hand. Ik heb haar vagina gestreeld.

V: Wat heeft u met uw tong gedaan?

A: Ik heb wel eens aan haar tepel gelikt.9

V: Hoe vaak gebeurde het dat u seksuele handelingen pleegde met [slachtoffer] ?

A: Over het algemeen als ze bij mij waren.

V: En als ze zegt: het stopte op haar 14e?

A: Dat klopt wel.10

Als ik over haar vagina streelde, dan kon het zijn dat mijn vinger tussen haar schaamlippen terecht kwam.11

Overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring terzake “seksueel binnendringen”

Op grond van de wet en de rechtspraak kan een feit niet worden bewezen op basis van de verklaring(en) van één persoon. Er moet meer bewijs zijn. Dat geldt voor de tenlastelegging in het geheel. Het is niet nodig dat voor elk onderdeel van de tenlastelegging minimaal twee bewijsmiddelen zijn.

Voor zedenzaken geldt dat het niet nodig is dat het misbruik zelf bevestigd wordt in ander bewijs. Het is voldoende als de verklaring van aangeefster op onderdelen ondersteund wordt door ander bewijs, uit een andere bron.

De rechtbank vindt dat de verklaringen van aangeefster voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, te weten in de verklaringen van de verdachte, zodat aan het bewijsminimum is voldaan. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster tijdens het informatief gesprek op 8 mei 2019 en later, ten tijde van de aangifte op 20 september 2019, uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard. De rechtbank stelt vast dat aangeefster consistent is geweest in hetgeen zij over het misbruik heeft verklaard. Zowel ten aanzien van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als de frequentie van het misbruik en de omstandigheden waaronder dat misbruik heeft plaatsgevonden zijn de verklaringen van aangeefster consistent. De verklaringen van aangeefster bevatten voorts geen innerlijke tegenstrijdigheden. Dat vergroot de betrouwbaarheid van de verklaringen.

De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen zoals deze door de aangeefster zijn afgelegd, waaronder ook haar verklaringen met betrekking tot de door verdachte verrichte handelingen die als ‘seksueel binnendringen’ kunnen worden gekwalificeerd.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen van aangeefster steun vinden in de verklaringen van de verdachte zelf. Verdachte heeft bij de politie een bekennende verklaring afgelegd met betrekking tot de door hem verrichte ontuchtige handelingen en zijn verklaring hierover komt vrijwel één op één overeen met hetgeen aangeefster hierover heeft verklaard. Met betrekking tot het seksueel binnendringen heeft verdachte verklaard dat “als ik over haar vagina streelde, dan kon het zijn dat mijn vinger tussen haar schaamlippen terecht kwam.” Dat verdachte ter terechtzitting met betrekking tot deze handeling heeft verklaard dat, als hij dat bij de politie heeft verklaard, het kan kloppen, maar dat hij daar nu geen herinnering meer aan heeft en dat hij ook geen herinnering meer heeft aan andere vormen van binnendringen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Overweging met betrekking tot de te laste gelegde periode

De rechtbank stelt vast dat aangeefster heeft verklaard dat zij acht jaar oud was toen het misbruik begon. Aangeefster weet dit vrij nauwkeurig te duiden, omdat haar ouders zijn gescheiden toen zij acht jaar oud was en zij na de scheiding regelmatig bij verdachte verbleef en het misbruik toen is begonnen. De moeder van aangeefster heeft eveneens verklaard dat scheiding heeft plaatsgevonden in 1998 en dat aangeefster toen acht jaar oud was.

De rechtbank zal gelet op deze verklaringen de begindatum ten aanzien van feit 1 dan ook stellen op 1 januari 1998.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Onder 1 primair

op tijdstippen in de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 december 2001 te Woerden met [slachtoffer] , geboren op [1989] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten meermalen:

- met zijn handen betasten van de borsten en billen en schaamlippen en vagina van die [slachtoffer] en

- met zijn mond en tong betasten en likken aan de tepels en borsten en schaamlippen en vagina van die [slachtoffer] en

- brengen van zijn vingers in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en

- brengen en houden van zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] .

Onder 2 primair

op tijdstippen in de periode van 2 december 2001 tot en met 30 november 2004 te Woerden met [slachtoffer] , geboren op [1989] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten meermalen:

- met zijn handen betasten van de borsten en billen en schaamlippen en vagina van die [slachtoffer] en

- met zijn mond en tong betasten en likken aan de tepels en borsten en schaamlippen en vagina van die [slachtoffer] en

- brengen van zijn vingers in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en

- brengen en houden van zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] .

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Onder 1 primair

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind.

Onder 2 primair

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie onder 1 primair en onder 2 primair bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 5 jaren. Tevens vordert de officier van justitie bij vonnis de gevangenneming van verdachte;

- oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaar, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze contact mag hebben met aangeefster en zich niet mag bevinden in het dorp [dorp] , en voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan 1 maand vervangende hechtenis per overtreding van de maatregel met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel in het geval dat de rechtbank de vordering tot gevangenneming van verdachte afwijst.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de op te leggen straf verzocht het tijdsverloop mee te wegen bij de bepaling van de strafmaat en te volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht).

Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank om bij een strafoplegging rekening te houden met het gegeven dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen en de gevolgen van zijn daden ook al heeft gevoeld. Verder heeft verdachte veel medische klachten en zal hij, bij een langere detentie, niet in staat zijn om zijn woning te behouden. De raadsman verzoekt de rechtbank in dat geval aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, met eventueel een contact- dan wel locatieverbod zoals geïndiceerd door de reclassering.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zijn minderjarige dochter gedurende een periode van bijna zeven jaar seksueel misbruikt. Dit misbruik is begonnen toen aangeefster pas acht jaar oud was. De verdachte had als vader een van de belangrijkste bronnen van veiligheid en geborgenheid voor zijn dochter moeten zijn. In plaats daarvan misbruikte hij haar. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene en als vader op haar had en heeft alleen maar oog gehad voor bevrediging van zijn eigen lustgevoelens, zonder zich te bekommeren om de schade die hij daarmee bij zijn dochter aanrichtte. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Ook in dit geval hebben de feiten diepe impact gehad op het leven van [slachtoffer] . Uit de ter terechtzitting door haar voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat zij nog steeds lijdt onder hetgeen verdachte haar al die jaren heeft aangedaan en heeft zij tot op heden professionele hulp nodig bij de verwerking daarvan.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 19 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het voordeel noch in het nadeel van verdachte mee.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 22 oktober 2020, opgemaakt door F. van der Groep, reclasseringswerker. Kort samengevat komt hieruit naar voren dat verdachte een inmiddels 78-jarige man is, die veel lichamelijke problemen heeft die zijn functioneren ernstig beperken. Er is sprake van hartfalen, COPD en ernstige pijnklachten waardoor het zitten, staan en lopen zeer beperkt en uiterst pijnlijk is.

Het leven van verdachte ziet er compleet anders uit dan ten tijde van de onderhavige feiten. Dat maakt het moeilijk om nog verbanden te leggen tussen de problemen die toen mogelijk speelden en de feiten die hij heeft gepleegd.

De reclassering acht het risico op herhaling, mede door de beperkingen van verdachte, laag. Gezien dit lage recidiverisico zijn interventies niet geïndiceerd.

Omtrent de detentiegeschiktheid van verdachte wordt opgemerkt dat de rapporteur geen arts of psycholoog is, en daarom weinig over de detentiegeschiktheid kan melden. Wel worden veel beperkingen en medische problemen bij verdachte gezien. In hoeverre die al dan niet verenigbaar zijn met detentie kan niet gezegd worden. Wel is geïnformeerd bij de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein, die erop wees dat er binnen Nederland mogelijkheden zijn voor 24-uurs zorg in detentie en dat er cellen zijn voor mindervaliden. Deze mogelijkheden zijn niet in elke Penitentiaire Inrichting beschikbaar. Indien de medische toestand van verdachte zou verslechteren in detentie, is plaatsing in het Penitentiair Ziekenhuis een mogelijkheid.

Bij een veroordeling wordt geadviseerd een gebiedsverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- verdachte mag zich niet bevinden in het dorp [dorp] ,

- zolang de rechtbank dit nodig acht;

- met dadelijke uitvoerbaarheid.

De strafmotivering

Gezien de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf de enige passende reactie vormt.

De rechtbank zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarmee wijkt zij af van de strafeis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere weging komt op basis van het aanzienlijke tijdsverloop sinds de gepleegde feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gekomen in het reclasseringsadvies en ter zitting. Verder heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Contact- en locatieverbod

De rechtbank zal niet de door de officier van justitie geëiste vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, nu dit volgens jurisprudentie van de Hoge Raad niet mogelijk is indien vaststaat dat er al lange tijd geen contact is geweest (Hoge Raad 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680). Verdachte heeft al jaren geen contact meer met aangeefster. De rechtbank zal wel een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod met betrekking tot de woonplaats van aangeefster als bijzondere voorwaarde opleggen.

De vordering tot gevangenneming

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd bij uitspraak de gevangenneming van verdachte te bevelen. De rechtbank wijst dit verzoek af. Mede gelet op het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde alsmede de gezondheidstoestand van verdachte kan het recidivegevaar niet zonder meer worden aangenomen. Daarnaast verhoudt het tijdsverloop zich niet meer met het aannemen van de rechtsgrond ‘geschokte rechtsorde’.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 40.266,13. Dit bedrag bestaat uit € 27.766,13 materiële schade (te weten € 19.425,- studievertraging en € 8.341,13 niet vergoede therapie) en € 12.500,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van aangeefster aangegeven dat de kosten “kosten consulten Praktijk het Pad” bestaan uit 6 facturen van € 80,- en 5 facturen van € 85,- (in plaats van de eerder opgegeven 11 keer € 85,-) en dat derhalve hiervoor wordt gevorderd een bedrag van (€ 905,- min het vergoede bedrag van € 440,- is) € 465,- in plaats van de eerder gevorderde € 495,-.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering, zoals door de raadsvrouw van aangeefster gewijzigd ter terechtzitting, geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het gaat om de hypothetische vraag hoe de loopbaan van aangeefster eruit had gezien wanneer zij niet misbruikt zou zijn. De richtlijn die is opgevoerd geeft maar ten dele een antwoord hierop en er wordt in feite volledig geabstraheerd van de werkelijke schade. Bovendien is de gehanteerde richtlijn niet van toepassing, nu deze is ingegaan op 15 september 2016 en van toepassing is op ongevallen die na deze datum hebben plaatsgevonden. Meer subsidiair verzoekt de verdediging de vordering ten aanzien van de materiële schade te matigen tot een bedrag van circa 5000 euro.

Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de raadsman deze vordering te matigen, nu in de optiek van de verdediging niet volledig kan worden bewezenverklaard wat aan verdachte is ten laste gelegd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 primair en onder 2 primair bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze materiële schade op € 8.280,97 (te weten: kosten niet vergoede therapie, inclusief herberekening kosten 11 consulten en minus € 30,16 reiskosten bezoek advocaat, omdat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

De gevorderde materiële schade die betrekking heeft op de kosten studievertraging zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. De verdediging heeft deze kostenpost gemotiveerd betwist. De rechtbank acht dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd en een nadere onderbouwing levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij aanspraak maakt op een naar billijkheid te bepalen vergoeding van de immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Uit de bijlagen bij de vordering benadeelde partij volgt dat [slachtoffer] lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en daarvoor wordt behandeld middels integratieve psychotherapie. De nadelige gevolgen voor haar dagelijks leven heeft zij uitgebreid beschreven.

De rechtbank waardeert de schade op € 10.000,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 december 2020, te weten de datum van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling. De rechtbank heeft voor de begroting van de schade aansluiting gezocht bij categorie 4 van de letselschadelijst geweldsmisdrijven (zeden).

De totaal toegewezen schade (materieel en immaterieel) bedraagt € 18.280,97.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 18.280,97 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 2020 tot de dag van volledige betaling, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 126 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 244, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

  • -

    bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken, opnemen of hebben met [slachtoffer] , geboren op [1989] , waarbij de politie opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van dit contactverbod;

* zich niet zal bevinden in de gemeente [dorp] , waarbij de politie opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van dit locatieverbod.

Vordering gevangenneming

- wijst af de vordering tot gevangenneming van verdachte;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 18.280,97.

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat €18.280,97 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 126 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F. Koenis, voorzitter, mrs. E.J. van Rijssen en I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 december 2020.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 december 2001 te Woerden, met zijn kind en/of een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [1989] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) betasten van de borsten en/of billen en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, mond en/of tong betasten en/of likken aan/tussen de tepel(s) en/of borst(en) en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans éénmaal, brengen van één of meerdere vinger(s) van hem, verdachte, in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans éénmaal, brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis tussen en/of tegen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 december 2001 te Woerden, ontucht heeft gepleegd met zijn kind en/of een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [1989] , door

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, mond en/of tong aan/tussen de tepel(s) en/of borst(en) en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of likken en/of

- meermalen, althans éénmaal, één of meerdere vinger(s) van hem, verdachte, in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te brengen en/of

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, penis tussen en/of tegen de schaamlippen van die [slachtoffer] te brengen en/of houden;

2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 december 2001 tot en met 30 november 2004 te Woerden, met zijn kind en/of een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [1989] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het - meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) betasten van de borsten en/of billen en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer]

en/of

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, mond en/of tong betasten en/of likken aan/tussen de tepel(s) en/of borst(en) en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans éénmaal, brengen van één of meerdere vinger(s) van hem, verdachte, in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans éénmaal, brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis tussen en/of tegen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 december 2001 tot en met 30 november 2004 te Woerden, ontucht heeft gepleegd met zijn kind en/of een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [1989] , door

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, mond en/of tong aan/tussen de tepel(s) en/of borst(en) en/of schaamlippen en/of vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of likken en/of

- meermalen, althans éénmaal, één of meerdere vinger(s) van hem, verdachte, in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te brengen en/of

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, penis tussen en/of tegen de schaamlippen van die [slachtoffer] te brengen en/of houden.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal met nummer PL0900/2019046553 van 12 juli 2020 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pag. 11 (proces-verbaal van aangifte)

3 Pag. 13 (proces-verbaal van aangifte)

4 Pag. 14 (proces-verbaal van aangifte)

5 Pag. 15 (proces-verbaal van aangifte)

6 Pag. 18 (proces-verbaal van aangifte)

7 Pag. 62 (proces-verbaal van verhoor getuige)

8 Pag. 63 (proces-verbaal van verhoor getuige)

9 Pag. 93 (proces-verbaal van verhoor verdachte)

10 Pag.94 (proces-verbaal van verhoor verdachte)

11 Pag. 95 (proces-verbaal van verhoor verdachte)