Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5162

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
8799177 / ME VERZ 20-158
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

artikel 27 lid 4 WOR, verzoek tot vervangende toestemming voor het invoeren van een krapteregeling, redelijkheidstoets, belangenafweging, geen vervangende toestemming kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1469
RAR 2021/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 23 november 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 8799177 / ME VERZ 20-158 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WITTE KRUIS HOLDING B.V,
gevestigd te Hilversum,
verzoekster,
gemachtigde mr. P.T. Sick,

tegen

de naamloze vennootschap
ONDERNEMINGSRAAD VAN WITTE KRUIS,
gevestigd te Hilversum,
verweerder,

gemachtigde mr. S.F.H. Jellinghaus.

Partijen zullen hierna Witte Kruis en Ondernemingsraad genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van Witte Kruis van 5 oktober 2020 met 20 producties

- het verweerschrift van Ondernemingsraad van 22 oktober 2020 met 11 producties

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van Witte Kruis heeft spreekaantekeningen overgelegd, die zijn toegevoegd aan het dossier.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Witte Kruis is een 100% dochteronderneming van Connexxion Nederland N.V. en maakt deel uit van het Transdev-concern. Het Transdev-concern biedt diensten aan op het gebied van het openbaar vervoer, taxivervoer en vervoer in de zorgketen, waaronder ambulancevervoer. Het vervoer in de zorgketen is ondergebracht in diverse ondernemingen die onder Witte Kruis vallen.

2.2.

De Ondernemingsraad is ingesteld op het niveau van Witte Kruis en fungeert als medezeggenschapsorgaan voor de ondernemingen die onder Witte Kruis vallen.

2.3.

Het ambulancevervoer wordt door Witte Kruis uitgevoerd door drie rechtspersonen (Witte Kruis Middelen B.V., de Stichting Ambulancezorg Noord- en Oost Gelderland en de Stichting Regionale Ambulance Voorziening Zeeland) in vijf verschillende regio’s in Nederland. In elk van deze regio’s is Witte Kruis ambulancezorguitvoerder in de vorm van een zogenaamde regionale ambulancevoorziening (RAV). Een RAV is sinds 1 januari 2013 een op grond van de Tijdelijke wet ambulancezorg wettelijk aangewezen rechtspersoon die in een regio ambulancezorg mag verlenen en de meldkamer ambulancezorg in stand moet houden. Er zijn in Nederland in totaal 25 RAV-regio’s. De indeling in deze RAV-regio’s is gelijk aan die in de veiligheidsregio’s. Elke RAV is gehouden aan bepaalde vereisten met betrekking tot het ambulancevervoer, zoals aanrijdtijden en paraatheidseisen. Bij de drie ambulancevervoerders die behoren tot de Witte Kruis-groep zijn in totaal ongeveer 830 werknemers in dienst.

2.4.

Op de ambulancewerknemers bij Witte Kruis is de algemeen verbindend verklaarde cao Ambulancezorg van toepassing. Deze kent een standaardkarakter. Uit artikel 4.11 van de cao volgt dat als een werknemer extra uren werkt buiten het dienstrooster, waardoor de voltijds arbeidsduur wordt overschreden, die werknemer recht heeft op een overwerktoeslag.

2.5.

In de ambulancezorg is sprake van een groot tekort aan gekwalificeerde ambulanceverpleegkundigen. Door het jaar heen komen er in alle regio’s, in verschillende mate, periodes voor waarin de bezetting van de ambulancediensten (te) krap is.

2.6.

In de zomer van 2018 is een zomerregeling toegepast door Witte Kruis zonder instemming van de Ondernemingsraad. In 2019 heeft Witte Kruis met instemming van zowel de vakbonden als de Ondernemingsraad een zomerregeling toegepast. Die regeling was erop gericht in de zomerperiode, waarin veel werknemers met vakantie zijn, toch de bezetting rond te krijgen. Op grond van de zomerregeling werden extra diensten die werknemers werkten boven hun vaste arbeidsomvang met een toeslag beloond. De wijze van uitvoering van de zomerregeling heeft tot onrust en verdeeldheid onder het personeel geleid. Ook Witte Kruis was niet tevreden over het instrument van de zomerregeling.

2.7.

Na diverse overleggen tussen Witte Kruis en de Ondernemingsraad over de zomerregeling is besloten een ‘Werkgroep Krapteregeling’ op te richten. In deze werkgroep zou de zomerregeling worden geëvalueerd en zou worden nagedacht over de inrichting van een meer algemene regeling waarmee werknemers zouden kunnen worden gemotiveerd tot het draaien van extra diensten in periodes van personeelskrapte in specifieke regio’s van Witte Kruis.

2.8.

Per 1 januari 2020 is de werkgroep Krapteregeling van start gegaan. De Werkgroep Krapteregeling bestond uit de operationeel directeur, de financieel directeur, twee regiomanagers, twee operationeel hoofden, de manager HR en twee leden uit de Ondernemingsraad, te weten mevrouw [A] en de heer [B] .

2.9.

Op 18 mei 2020 heeft de Werkgroep Krapteregeling een Krapteregeling tot stand gebracht die Witte Kruis wil toepassen. Deze regeling is op 22 mei 2020 ter instemming voorgelegd aan de Ondernemingsraad. In de Krapteregeling is onder meer het volgende bepaald:

“Witte Kruis wil graag een “Krapteregeling” gaan hanteren, die door een specifieke regio — in overleg met de operationeel directeur— kan worden toegepast in situaties van “krapte”. Doel van die Krapteregeling is zorgen dat Witte Kruis goede patiëntenzorg kan leveren door voldoende ambulances beschikbaar te hebben, zodat het basisdienstrooster kan worden uitgevoerd, bij voorkeur met zoveel mogelijk inzet van eigen medewerkers, maar wel op een voor deze medewerkers gezonde manier. (…)

Onder krapte die een beloning bovenop de regelingen uit de cao ambulancezorg rechtvaardigt wordt in het kader van deze Krapteregeling verstaan:

In de betreffende Witte Kruis regio is sprake van een tekort van tenminste 10% fte aan medewerkers in een bepaalde functie waardoor het basisdienstrooster niet zonder inzet van extra diensten door eigen medewerkers en/of inzet van flexkrachten gevuld kan worden. Bij de ingangsdatum van de Krapteregeling duurt dit tekort al tenminste 6 weken en uitzicht op herstel is niet binnen 8 weken te verwachten.

Indien deze situatie aan de orde is kan de manager van de regio — in overleg met de operationeel directeur en de financieel directeur— onderstaande Krapteregeling van toepassing verklaren voor een afgebakende periode. Er wordt specifiek besloten door de manager van de regio, de operationeel directeur en financieel directeur voor welke functie(s) de Krapteregeling van toepassing is en tot welke datum de Krapteregeling van toepassing is. (…)

De Krapteregeling beloont de inzet van de medewerkers voor een extra dienst. Een extra dienst is een dienst die voldoet aan de volgende voorwaarden:

De dienst wordt na vaststelling van het dienstrooster van de betreffende periode ingepland na

instemming van de medewerker;

De dienst wordt ingepland bovenop het aantal contractueel afgesproken aantal te werken uren

van medewerker in de betreffende periode. (…)

Voor elke extra dienst (ongeacht de duur van de dienst en/of het tijdstip van de dienst), die voldoet aan

bovenstaande definitie, ontvangt de medewerker, een bedrag van €90,- bruto als “kraptetoeslag”. De

kraptetoeslag wordt uitbetaald bovenop de vaste looncomponenten en de eventueel van toepassing zijnde

toeslagen voor overwerk en ORT conform de cao ambulancezorg. (…)

De arbeidstijdenwet dient te allen tijde gerespecteerd te worden. (…)

Deze Krapteregeling is van toepassing vanaf DATUM. Begin 2021 zal de regeling geëvalueerd worden in het overleg tussen de ondernemingsraad en de bestuurder.”

2.10.

Per brief van 29 juli 2020 heeft de Ondernemingsraad Witte Kruis bericht dat hij niet instemt met de voorgenomen invoering van de Krapteregeling.

2.11.

Per brief van 17 augustus 2020 heeft de bestuurder van Witte Kruis gereageerd op de bezwaren van de Ondernemersraad. Onder meer is het volgende opgenomen:

“4. Geen differentiatie naar dienst

Of de Ondernemingsraad gelijk heeft met zijn verwachting dat alleen de ‘populairdere’ dagdiensten zullen worden ingevuld, zal moeten worden afgewacht. Onze ervaringen wijzen daar niet op. We zouden echter bereid zijn hier nog eens naar te kijken, en de extra nacht- en weekenddiensten met een hogere toeslag te belonen dan de dagdiensten. Concreet zou ons voorstel op het punt van de hoogte van de toeslag dan het volgende inhouden.

5. Periode waarin de krapteregeling geldt

Hopelijk heb ik hiervoor voldoende duidelijk gemaakt dat het expliciet niet de bedoeling is dat een
‘oneindig gebruik’ van de krapteregeling ontstaat. Daar hebben we eenvoudigweg de financiële middelen niet voor. In de regeling is dat ook duidelijk zo benoemd, zij het dat we wel voldoende ruimte willen houden om in de ene regio (bijvoorbeeld) twee, en in de andere regio drie maanden de regeling te kunnen toepassen, mocht dat nodig zijn.

(…) Graag verneem ik binnen twee weken na ontvangst van deze brief of de Ondernemingsraad instemt met aanpassing van de krapteregeling, zoals verwoord onder punt 4 in deze brief. Blijft instemming nogmaals uit, dan zal de kantonrechter om vervangende toestemming worden verzocht.”

2.12.

Nader overleg tussen Witte Kruis en de Ondernemingsraad heeft niet tot overeenstemming geleid.

3 Het verzoek en verweer

3.1.

Witte Kruis verzoekt de kantonrechter, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen voor de invoering van de Krapteregeling.

Aan haar verzoek, dat is gegrond op artikel 27 lid 4 WOR, legt Witte Kruis ten grondslag dat de beslissing van de Ondernemingsraad om de verzochte instemming niet te verlenen onredelijk is, omdat de belangen van het Witte Kruis bij de invoering van de Krapteregeling zwaarder wegen dan de belangen van de Ondernemingsraad bij het niet invoeren daarvan. Indien wordt geoordeeld dat de argumenten van het Witte Kruis niet zwaarder wegen dan die van de Ondernemingsraad, voert Witte Kruis aan dat zij zwaarwegende bedrijfsbelangen heeft voor het invoeren van de Krapteregeling die vervangende toestemming noodzaken.

3.2.

De Ondernemingsraad voert verweer en verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geen vervangende toestemming te geven. De Ondernemingsraad legt daaraan ten grondslag dat hij in redelijkheid zijn toestemming heeft kunnen onthouden.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het voorgenomen besluit ingevolge artikel

27 lid 1 WOR de instemming van de ondernemingsraad behoefde. Ook menen partijen allebei dat zij zonder tussenkomst van de vakbonden – ondanks het standaardkarakter van de cao en het in artikel 4.11 bepaalde – een Krapteregeling overeen kunnen komen om incidentele krapte in de bezetting op te vangen. In dat verband geldt dat uit de steunbetuigingen van de vakbonden die de Ondernemingsraad in de procedure heeft gebracht evenmin blijkt dat de vakbonden van mening zijn dat zij betrokken moeten worden bij het overeenkomen van de voorliggende Krapteregeling. De kantonrechter neemt het voorgaande dan ook mee bij de beoordeling.

Maatstaf artikel 27 lid 4 WOR

4.2.

Het is partijen niet gelukt om tot overeenstemming te geraken over de inhoud van een krapteregeling. Witte Kruis verzoekt daarom om vervangende toestemming voor de invoering van de Krapteregeling. Ter zitting bevestigde zij dat het daarbij gaat om de Krapteregeling die zij op 18 mei 2020 heeft voorgesteld. Van die Krapteregeling maakt geen onderdeel uit hetgeen Witte Kruis in haar brief van 17 augustus 2020 aan de Ondernemingsraad ter aanpassing heeft voorgesteld; te weten de differentietoeslag.

4.3.

Artikel 27 lid 4 van de WOR bepaalt dat de kantonrechter slechts toestemming kan geven om het voorgenomen besluit te nemen, wanneer de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te verlenen onredelijk is, ofwel wanneer het voorgenomen besluit van de ondernemer wordt gevergd door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.

4.4.

Voornoemde maatstaf houdt in dat in de eerste plaats de over en weer aangevoerde argumenten gewogen dienen te worden (de redelijkheidstoets). Daarbij past niet dat de kantonrechter het besluit in volle omvang toetst en beziet of hij het besluit redelijk vindt. Het gaat om een afweging van de argumenten die de ondernemer en de ondernemingsraad naar voren hebben gebracht. Wanneer de argumenten van de Ondernemingsraad zwaarder wegen, zal het verzoek van Witte Kruis worden afgewezen. Wanneer de argumenten van Witte Kruis zwaarder wegen, betekent dit dat de beslissing van de Ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is. In dat geval zal op die grond vervangende toestemming worden verleend. Indien de argumenten even zwaar wegen, zal het verzoek worden afgewezen, tenzij Witte Kruis aan kan tonen dat voornoemde zwaarwegende bedrijfsbelangen noodzaken tot vervangende toestemming.

Het uitgangspunt van artikel 27 lid 4 WOR is dat een besluit pas definitief kan worden genomen als de ondernemingsraad daarmee heeft ingestemd. Enkel als er sprake is van de hiervoor genoemde gronden kan de kantonrechter correctief optreden.

Redelijkheidstoets

Voldoen aan paraatheidseisen

4.5.

Witte Kruis voert aan dat haar belangrijkste motief voor de invoering van de Krapteregeling is dat zij wil voorkomen dat zij niet kan voldoen aan de paraatheidseisen die aan haar worden gesteld met betrekking tot de ambulancezorg.

De Ondernemingsraad betwist dat het tekort aan gekwalificeerd personeel het risico vergroot dat Witte Kruis niet aan de voor haar geldende paraatheidseisen zou kunnen voldoen. Hij voert aan dat aan de geldende vereisten wel kan worden voldaan, maar alleen in sommige periodes niet uitsluitend met het eigen personeel.

4.6.

Ondanks het verweer van de Ondernemingsraad heeft Witte Kruis niet onderbouwd dat zij zonder Krapteregeling niet aan de paraatheidseisen kan voldoen en/of dat dit eerder al voor onoverkomelijke problemen heeft gezorgd. Ter zitting heeft zij enkel opgemerkt dat er afgelopen zomer wel ambulances zijn uitgevallen, maar dat de oorzaak hiervoor – gezien de corona perikelen – niet te geven is en dat ook niet gezegd is dat een krapteregeling hier een oplossing voor had kunnen bieden. Witte Kruis heeft ook niet (gemotiveerd) weersproken dat zij, met inzet van extern personeel, wel kan voldoen aan de paraatheidseisen. Dat Witte Kruis belang heeft bij invoering van de Krapteregeling om te kunnen voldoen aan de paraatheidseisen is dan ook niet gebleken.

Kostenbesparing

4.7.

Witte Kruis voert aan dat zij door invoering van de Krapteregeling een kostenbesparing kan maken door het stimuleren van een vergrote inzet van eigen personeel en daarmee eveneens dure, externe inhuur kan terugdringen. Op dit punt voert de Ondernemingsraad aan dat kostenbesparing geen doel op zich moet zijn voor invoering van de Krapteregeling, terwijl de regeling zoals die nu voorligt het juist aantrekkelijk kan maken langdurig eigen personeel extra in te zetten, omdat dit voor Witte Kruis goedkoper is dan de inzet van extern personeel. Dat moet worden voorkomen, omdat daarmee het personeel te zwaar belast kan worden en dit werkt ook overschrijding van de Arbeidstijdenwet in de hand.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Witte Kruis gesteld dat zij de kostenbesparing niet als zelfstandig belang aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, maar de kantonrechter kan niet anders dan vaststellen dat Witte Kruis in haar verzoek onder punt 5.6. dit belang wel als zodanig naar voren heeft gebracht.

Witte Kruis heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het voorkomen van overbelasting van haar eigen personeel voor haar belangrijker is, dan het financiële plaatje.

Op dit punt weegt het belang van de Ondernemingsraad dan ook zwaarder en dat erkent Witte Kruis in feite zelf ook.

Binding eigen personeel en ongelijke behandeling fulltime en parttime personeel

4.8.

Witte Kruist voert aan dat zij door invoering van de Krapteregeling de binding van het eigen personeel aan de organisatie kan versterken door een extra financiële prikkel te bieden voor het draaien van extra diensten. De Ondernemingsraad betwist dit en voert aan dat de fulltime medewerkers nauwelijks nog extra diensten kunnen draaien bovenop het reguliere rooster, omdat daarmee vrij snel de Arbeidstijdenwet wordt overschreden. Het zijn daarom vooral de parttime medewerkers die extra diensten zouden kunnen draaien, maar omdat zij enkel recht hebben op de toeslag uit de Krapteregeling en niet op de overwerktoeslag van 175% uit artikel 4.11 van de cao, is deze Krapteregeling geen middel om het personeel aan de eigen organisatie te binden. Op deze manier levert werken via het uitzendbureau voor de parttime medewerkers nog steeds meer op.

De Ondernemingsraad voert aan dat het parttime personeel juist meer aangespoord moet worden om extra diensten te draaien, omdat juist zij het probleem van de incidentele krapte zouden kunnen oplossen. Daar voorziet de regeling niet in en daarmee draagt de regeling in zijn algemeenheid niet bij aan de doelstelling van de Krapteregeling.

Het Witte Kruis stelt dat juist het niet invoeren van de Krapteregeling er voor zorgt dat parttime medewerkers niet worden gemotiveerd tot het aannemen van extra diensten, omdat dan alleen de fulltime medewerkers worden gestimuleerd extra diensten te draaien vanwege de overwerktoeslag uit de cao.

Ten aanzien van de over en weer gestelde belangen op dit punt merkt de kantonrechter op dat niet op voorhand is te voorzien of de toeslag uit de Krapteregeling kan zorgen voor binding van het personeel. Witte Kruis heeft daar ook geen onderzoek naar gedaan onder haar personeel. Dat de Krapteregeling het aantrekkelijker maakt vanwege deze toeslag om extra diensten aan te nemen is weliswaar aannemelijk, maar of dat voorkomt dat parttime medewerkers via het uitzendbureau gaan werken is wel een terechte vraag die de Ondernemingsraad heeft neergelegd.

Het belang van Witte Kruis om in de praktijk te ervaren of zij met de toeslag uit de Krapteregeling haar eigen personeel kan binden aan de organisatie weegt hier zwaarder, omdat de Ondernemingsraad enkel heeft verondersteld dat de regeling niet tot binding van het personeel zal leiden. Dat zal in de praktijk moeten blijken.

4.9.

De Ondernemingsraad stelt verder dat bij invoering van de Krapteregeling sprake is van ongelijke behandeling tussen werknemers met een parttime en een fulltime dienstverband. De kantonrechter is met Witte Kruis van oordeel dat daar geen sprake van is. Alle werknemers krijgen op grond van de Krapteregeling immers een gelijke beloning voor de extra diensten die zij draaien. Ook tussen de regio’s is geen sprake van ongelijke behandeling van werknemers, omdat met deze regeling alle werknemers in alle regio’s in dezelfde gevallen en bij een gelijke krapte immers dezelfde toeslag ontvangen. Die ongelijkheid waar de Ondernemingsraad op doelt komt voort uit de overwerktoeslag zoals die is opgenomen in de cao en die alleen geldt zodra meer dan de voltijd arbeidsduur is gewerkt. Dit staat dus los van de door Witte Kruis voorgestelde Krapteregeling en dat argument kan naar het oordeel van de kantonrechter dus ook niet in dit kader worden aangevoerd als reden om de invoering van de voorziene Krapteregeling tegen te houden.

Kraptedefinitie is te restrictief

4.10.

De definitie van krapte in de regeling is volgens de Ondernemingsraad te restrictief beschreven door het vereiste dat het tekort al minimaal zes weken moet duren en voorzienbaar nog minimaal acht weken dient voort te duren, voordat de regeling kan worden toegepast. De Krapteregeling dient volgens de Ondernemingsraad immers naar zijn aard ingezet te worden in periodes van incidentele krapte. Een periode waarin altijd sprake is van incidentele krapte van relatief korte duur, is de zomerperiode. Door de definitie die wordt gehanteerd voor de krapte is toepassing van de Krapteregeling in de zomerperiode onvoorstelbaar. De zomerperiode is namelijk praktisch voorbij voordat de Krapteregeling kan worden toegepast, omdat er eerst minimaal zes weken sprake moet zijn van een tekort en dat tekort moet nog voorzienbaar voor minimaal acht weken voortduren. De Ondernemingsraad acht het gelet op het doel van de regeling van belang dat de regeling ook op voorhand kan worden ingezet. Dat sluit de regeling nu echter uit.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [C] ( [.] ) namens Witte Kruis naar voren gebracht dat de definitie niet zo strikt hoeft te worden genomen op het moment dat er al van tevoren (door leidinggevenden) op papier kan worden voorzien dat er een periode aan komt waarin minimaal veertien weken krapte zal bestaan. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de zomerperiode in de regio Zeeland.

De kantonrechter is het met de Ondernemingsraad eens dat die uitleg niet overeen komt met de definitie zoals die nu is opgenomen in de Krapteregeling en dat die definitie in de praktijk het onmogelijk lijkt te maken de regeling in (bijvoorbeeld) de zomerperiode toe te passen. Dat terwijl tijdens de mondelinge behandeling door [C] van Witte Kruis naar voren is gebracht dat de zomerperiode één van de grootste obstakels vormt van ervaren krapte (ongeveer de helft van alle voorkomende gevallen) en het juist dan wenselijk is een Krapteregeling in te kunnen zetten.

Het belang dat de Ondernemingsraad op dit punt heeft aangevoerd om hier in de definitie rekening mee te houden is dan ook groot.

Percentage van 10% fte tekort is te ruim

4.11.

Ook het gehanteerde percentage van 10% fte tekort in de definitie van krapte komt de Ondernemingsraad te ruim voor in de zin dat het percentage te hoog is om van een effectieve regeling te kunnen spreken. Witte Kruis stelt zich op het standpunt dat dit een logisch percentage is en daarbij verwijst zij allereerst naar het gemiddelde ziekteverzuim van 5%. De regeling zou daar met voldoende afstand boven moeten liggen. Als dat niet het geval zou zijn dan zou de regeling te duur worden. Daarnaast moet naar de overtuiging van Witte Kruis het toepassingsbereik van de Krapteregeling juist niet al te groot zijn, omdat moet worden voorkomen dat werknemers overbelast raken.

De Ondernemingsraad wijst erop dat de regeling bedoeld is om het basisrooster rond te krijgen bij incidentele krapte en dat met het hanteren van dit percentage er geen recht wordt gedaan aan het oplossen van de door Witte Kruis ervaren problematiek en de uitgangspunten die zij zelf hanteert. Daar komt bij dat het percentage van 10% niet nader wordt gepreciseerd of toegelicht. De algemene opmerking dat de krapte van minder dan 10% goed is op te vangen wordt niet nader onderbouwd. De verwijzing naar het gemiddelde ziekteverzuimpercentage van 5% zegt hierover ook onvoldoende. Het percentage van 10% ligt hier immers ruim boven. Bovendien is het zo dat gedurende de zomerperiode ook het ziekteverzuim nauwelijks op te vangen is vanwege het feit dat veel medewerkers in die periode op vakantie zijn.

Het argument van de Ondernemingsraad dat de Krapteregeling ook in periodes van kleinere krapte van betekenis zou kunnen zijn, is volgens Witte Kruis onvoldoende zwaarwegend om op die grond niet in te stemmen met de invoering ervan voor periodes van grote krapte. Witte Kruis stelt dat wanneer de regeling ontegenzeggelijk in periodes van grote krapte van nut is, de invoering daarvan in redelijkheid niet mag worden geblokkeerd met het argument dat de regeling ook in periodes van kleinere krapte zijn dienst zou kunnen bewijzen.

De kantonrechter stelt ten aanzien van beide belangen hier vast dat deze even zwaar lijken te wegen, omdat het niet op voorhand is vast te stellen of dit percentage in de praktijk goed toepasbaar is en of dit recht doet aan het doel van de regeling.

Onbegrensde periode

4.12.

De Ondernemingsraad voert als verder bezwaar tegen de huidige Krapteregeling aan dat de periode waarin de Krapteregeling van toepassing kan zijn niet is beperkt, zodat niet uitgesloten is dat een langdurige periode gebruik wordt gemaakt van de regeling. Dat is onwenselijk, omdat werknemers zo te veel belast zouden kunnen worden.
Witte Kruis stelt dat de periode waarin de Krapteregeling wordt toegepast wel degelijk begrensd is in duur, omdat bij de aankondiging van de inzet van de Krapteregeling bij voorbaat een einddatum wordt gecommuniceerd.

De kantonrechter stelt vast dat Witte Kruis in haar brief van 17 augustus 2020 heeft benoemd dat zij de Krapteregeling niet oneindig wil gebruiken, maar wel de ruimte wil houden om de regeling in de ene regio (bijvoorbeeld) twee en de andere regio drie maanden toe te passen. Tijdens de mondelinge behandeling bleek echter dat het ook kan gaan om een nog ruimere periode, omdat [C] een voorbeeld gaf dat vorig jaar speelde bij een meldkamer waarin plotseling een tekort aan personeel ontstond. Die situatie heeft zes maanden geduurd.

Ondanks dat Witte Kruis tijdens de mondelinge behandeling ook heeft opgemerkt dat er voor langdurige inzet van de Krapteregeling geen financiële middelen aanwezig zijn, zodat langdurige inzet om die reden niet voor zou komen, is er dus geen zekerheid over de duur van de inzet van de regeling. In dat verband heeft de Ondernemingsraad erop gewezen dat niet kan worden uitgesloten dat de regeling langdurig ingezet kan worden, temeer omdat het alternatief is dat er duurdere uitzendkrachten moeten worden ingezet. De vraag is dan of het financieel voor Witte Kruis niet voordeliger zou zijn om de Krapteregeling voor een langere periode toe te passen. Witte Kruis heeft immers ook aangedragen dat zij om kostenbesparende redenen de gaten in de bezetting zo veel mogelijk door het eigen personeel wil opvangen en heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de regeling ook zou kunnen worden toegepast in een periode van bijvoorbeeld zes maanden.

Dat de Ondernemingsraad haar zorgen uit over deze onbegrensdheid van de duur dat de regeling kan worden ingezet, lijkt dan ook reëel te zijn, omdat dit het risico met zich mee brengt dat een langdurig beroep wordt gedaan op het eigen personeel om structureel extra diensten te draaien. De Ondernemingsraad heeft hiermee dan ook een evident belang naar voren gebracht om de regeling in deze vorm, zonder maximum duur, niet in te voeren.

Geen differentiatie in toeslagen

4.13.

Ook heeft de Ondernemingsraad als bezwaar tegen de Krapteregeling aangedragen dat er geen differentiatie in de toeslag is opgenomen met het oog op de verschillende soorten diensten in het basisdienstrooster. Dit terwijl volgens de Ondernemingsraad in de nacht en het weekend de druk het hoogst is en daar dus ook de meeste noodzaak bestaat om de incidentele krapte op te vangen door de Krapteregeling. Zonder differentiatie in de toeslag wordt de doelstelling van de Krapteregeling volgens de Ondernemingsraad niet gehaald. Tijdens de mondelinge behandeling is door Witte Kruis erkend dat zij bereid was de Ondernemingsraad tegemoet te komen op dit punt, maar alleen indien de Ondernemingsraad vervolgens toestemming zou verlenen voor invoering van de Krapteregeling. Nu dat niet is gebeurd, handhaaft Witte Kruis de vaste toeslag van € 90,00 per dienst, ongeacht op welk moment de extra dienst wordt gedraaid.

Witte Kruis heeft inhoudelijk niet gereageerd op het bezwaar van de Ondernemingsraad ten aanzien van het ontbreken van een differentiatie in de toeslagen. Zij heeft enkel aangevoerd dat het in de praktijk moet worden ervaren en geëvalueerd of één en ander mogelijk moet worden aangepast. Nu daarentegen de Ondernemingsraad zijn argument ook niet nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter uit van een gelijke weging van belangen op dit punt.

Conclusie belangenafweging

4.14.

Het belangrijkste motief van Witte Kruis (het kunnen voldoen aan de paraatheidseisen) voor het invoeren van de Krapteregeling is niet door haar aangetoond en de te realiseren kostenbesparing is uiteindelijk geen (op zichzelf staand) belang bij invoering van de Krapteregeling voor Witte Kruis. Wel heeft Witte Kruis er belang bij personeel in algemene zin aan haar te binden, maar of de krapteregeling daaraan gaat bijdragen is de vraag. Daarnaast heeft de Ondernemingsraad op meerdere punten – waaronder de restrictieve kraptedefinitie en de onbegrensde periode waarbinnen de regeling kan worden toegepast – evidente belangen naar voren gebracht, die onder de vorige overwegingen zijn afgewogen tegen de belangen van het Witte Kruis. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de belangen van de Ondernemingsraad – ondanks dat partijen het er over eens zijn dat in de ambulancezorg door het jaar heen er in alle regio’s, in verschillende mate, periodes voorkomen waarin de bezetting van ambulancediensten (te) krap is – zwaarder wegen dan de belangen van Witte Kruis bij invoering van de Krapteregeling.

4.15.

De slotsom is dat de beslissing van de Ondernemingsraad om niet in te stemmen met de Krapteregeling van Witte Kruis niet onredelijk is. Het verzoek van Witte Kruis zal daarom worden afgewezen.Nu de argumenten van de Ondernemingsraad zwaarder wegen, wordt aan beoordeling van de door Witte Kruis nog benoemde zwaarwegende redenen niet meer toegekomen.

Proceskosten

4.16.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Witte Kruis veroordeeld in de proceskosten van de Ondernemingsraad, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van de Ondernemingsraad.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek om vervangende toestemming op grond van artikel 27 lid 4 WOR af;

5.2.

veroordeelt Witte Kruis tot betaling van de proceskosten, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van de Ondernemingsraad;

5.3.

het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2020.