Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5144

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
8149973 \ UT VERZ 19-16140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking inzake klacht van rechthebbende over bewindvoerder over taken bij einde bewind; gegrond verklaard in al haar onderdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bewindsbureau

locatie Utrecht

zaaknummer: 8149973 \ UT VERZ 19-16140

BM nummer : [BM nummer]

Beschikking op een klacht d.d. 13 november 2020

Ingediend door :

[rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats] , [adres ] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

hierna te noemen: rechthebbende,

met betrekking tot:

Bureau voor Budget en Inkomensbeheer Midden Nederland B.V.,

correspondentieadres: [adres ] ,

[vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: bewindvoerder.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    de klacht, ter griffie ingekomen op 16 oktober 2019;

  • -

    de schriftelijke reactie van de voormalig bewindvoerder.

Overwegingen

Met ingang van 1 februari 2016 is Bureau voor Budget en Inkomensbeheer Midden Nederland B.V. bewindvoerder geworden over het vermogen van [rechthebbende] , hierna te noemen rechthebbende.

Bij beschikking van 16 september 2019 is het bewind per 1 oktober 2019 opgeheven, omdat rechthebbende in staat was zijn eigen vermogen te beheren.

Op 16 oktober 2019 heeft rechthebbende een klacht ingediend over zijn voormalig bewindvoerder. Rechthebbende stelt dat kortaf en onaangenaam gereageerd wordt als hij een vraag stelt. Hij moest elke dag controleren of er niet weer iets dubbel was overgeschreven. Verder is op dat moment nog niemand aangeschreven door de bewindvoerder over het einde van het bewind, kan hij niet zijn gegevens en nieuwe bankrekening doorgeven aan de belastingdienst en andere partijen. Navraag bij de voormalig bewindvoerder leverde een kopie van de beschikking over het einde van het bewind op met de mededeling: “regel het verder maar zelf.”

De kantonrechter heeft bij brief van 5 november 2019 reactie gevraagd aan de bewindvoerder. De reactie, welke op 10 december 2019 werd ontvangen luidde: “Met deze brief reageren wij op uw brief van 5 november 2019 inzake [rechthebbende] . Het bewind van [rechthebbende] is op 16 september beëindigd.”

Dit antwoord moest even bezinken bij de kantonrechter, maar op 3 juni 2020 is een brief naar de bewindvoerder gestuurd met de mededeling dat de kantonrechter een inhoudelijke reactie verwacht op de klacht. Dat het bewind is opgeheven doet niet ter zake.

Op 4 september 2020 heeft de kantonrechter nogmaals om een reactie gevraagd, aangezien nog niets was ontvangen. Op 24 september 2020 is de reactie door de kantonrechter ontvangen.

De kantonrechter ziet aanleiding om de reactie van de bewindvoerder integraal op te nemen.

De reactie van de bewindvoerder luidt als volgt:

“(…) Ten eerste. De heer [rechthebbende] begint door te stellen dan zijn belangen vanaf 02-2016 zeer slecht werden behartigd. Naar mijn mening is dit een subjectieve stelling waarop ik niet kan reageren omdat niet op de hoogte ben van wat er allemaal is gebeurd. Daarnaast zijn de collega’s waar de heer naar refereert niet meer werkzaam bij BBIB .

Ten tweede. De heer [rechthebbende] vindt dat ondergetekende geschift is en kortaf reageer. Ondergetekende kan aan het subjectief gevoel van de heer [rechthebbende] niets doen als ondergetekende geen langdradige antwoorden geeft maar kort en krachtig.

Ten derde. De heer [rechthebbende] stelt dat hij elke dag zijn bankrekening moet controleren om te zien of een betaling al dan niet dubbel is gedaan. Ik vind prijzenswaardig dat de heer [rechthebbende] elke dag zijn rekening controleert. Het is nou eenmaal de bedoeling dat alles transparant moet zijn voor cliënten. Ondergetekende zal niet ontkennen dat er eens iets dubbel is betaald. Maar dagelijks is naar mijn mening een subjectief gevoel dat niets te maken heeft met de realiteit. Ik ben het daarom oneens hiermee.

Voorts vroeg de heer [rechthebbende] op 23 september per mail aan ondergetekenden hoe verder na 1 oktober. Ik heb hem ook per mail antwoord gegeven (Bijlage 3). Verder. Ondergetekende heeft inderdaad niet voor of op 1 oktober derde partijen aangeschreven. De brieven zijn op 16 oktober de deur uitgegaan. Ik heb meneer [rechthebbende] daarvan op de hoogte gesteld

(bijlage 4).

Ten slotte. De heer [rechthebbende] stelt dat hij zijn rekening niet kon wijzigen bij de belastingdienst. Op 14 oktober heb ik de belastingdienst op de hoogte gebracht van het einde van het bewind (bijlage 2). Op 4 december heb ik dat nog een keer gedaan. Op 28 oktober hebben wij een brief van de belastingdienst ontvangen waarin staat dat zijn rekeningnummer is verwerkt. Deze brief heb ik doorgestuurd naar de heer [rechthebbende] (bijlage 1).

Ik zie niet in waarom de heer [rechthebbende] vindt dat BBIB dan wel ondergetekende een stevige tik op de vingers moet krijgen.”

Het antwoord op de vraag van rechthebbende wat precies de procedure is na 1 oktober als zijn bewindvoering eindigt, staat in bijlage 3: “Op 1 oktober kunt u met de beschikking naar de bank om de rekeningen over te nemen. Vanaf 1 oktober ben u zelf verantwoordelijk om je vaste lasten te betalen. Wij schrijven instanties aan dat wij niet langer jou bewindvoerder zijn. De eindrekening en verantwoording wordt opgemaakt. Deze moet door u en ons worden ondertekend.”

Bijlage 4 is een mail van 16 oktober 2019 waarin de bewindvoerder aan rechthebbende schrijft dat hij een aantal instanties heeft aangeschreven over het einde van het bewind, met een opsomming van instanties. Tot slot schrijft de bewindvoerder: “Mocht je denken dat ik eentje ben vergeten hoor ik dat van jou.”

Uit bijlage 2 blijkt dat op 14 oktober 2019 het formulier aanmelden of wijzigen beschermingsbewindvoering naar de belastingdienst is gestuurd.

En tot slot, bijlage 1, de email van 5 november 2019 waarmee de bewindvoerder de brief van 24 oktober 2019 van de belastingdienst (zonder enige toelichting) naar rechthebbende heeft gestuurd. In deze brief schrijft de belastingdienst dat zij niet kunnen vaststellen dat het doorgegeven bankrekeningnummer op naam van rechthebbende staat en dat dus de toeslagen e.d. nog niet kunnen worden uitbetaald.

De beoordeling van de klacht

Allereerst biedt de kantonrechter haar excuses aan voor het feit dat de behandeling van deze klacht meer dan een jaar heeft geduurd.

Dat de bewindvoerder kort reageert als rechthebbende hem een vraag stelt, staat vast op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven. Dat, ondanks de beschikking van 16 september 2019, op 1 oktober nog geen enkele contractspartij van rechthebbende was aangeschreven, staat ook vast.

Dat in ieder geval tot 5 november 2019 de gegevens over de nieuwe bankrekening van rechthebbende bij de belastingdienst nog niet vaststonden, onder andere doordat de bewindvoerder pas op 14 oktober melding heeft gemaakt van het einde van het bewind en doordat de bewindvoerder de brief van de belastingdienst van 24 oktober pas na anderhalve week heeft doorgestuurd, staat ook vast.

Verder staat vast dat de bewindvoerder meerdere keren dubbele betalingen heeft gedaan, dit wordt immers door hem erkend. Dit betekent dat deze onderdelen van de klacht van rechthebbende gegrond zijn.

De kantonrechter merkt verder nog het volgende op.

De toonzetting van beide brieven van de bewindvoerder aan de kantonrechter is zodanig dat de kantonrechter zich afvraagt of de bewindvoerder zich wel realiseert dat de kantonrechter toezicht houdt op zowel de algemene professionaliteit van de bewindvoerder als op de dossierbehandeling door de bewindvoerder. Daarbij geldt dat als de toon in brieven aan de kantonrechter al zo onaangenaam is, de kantonrechter zich ernstig afvraagt hoe de toon in berichten aan rechthebbenden is.

De kantonrechter ziet deze wijze van communiceren ook terug in bijlage 1, vergelijkbaar met de eerste brief aan de kantonrechter, waarbij geen enkele informatie wordt gegeven en in bijlage 3, waarin het enige antwoord op de terechte vraag van rechthebbende hoe het verder gaat, is dat hij met de beschikking naar de bank moet. Dat rechthebbende de eind rekening en verantwoording moet ondertekenen is onjuiste informatie, deze moet hij immers alleen tekenen als hij het ermee eens is, terwijl deze informatie bovendien volstrekt irrelevant is in het kader van de gestelde vraag.

Meer inhoudelijk geldt het volgende.

De kantonrechter verwacht van een professionele bewindvoerder dat hij bij het einde van een bewind op een deugdelijke en correcte wijze het dossier tijdig overdraagt aan rechthebbende. Dat betekent in ieder geval het volgende:

  • -

    De bewindvoerder informeert iedereen die daarvan kennis moet hebben onmiddellijk na ontvangst van de beschikking over het einde van het bewind en in ieder geval vóór dat einde;

  • -

    Het is de bewindvoerder die weet wie al deze partijen zijn, de vraag wie allemaal geïnformeerd moet worden mag niet bij rechthebbende worden neergelegd;

  • -

    De bewindvoerder stuurt post die hij nog ontvangt onmiddellijk door naar rechthebbende en in de periode vóór en kort na het einde van het bewind voegt hij daaraan toe een toelichting over de inhoud;

  • -

    Als rechthebbende vragen heeft over het einde van het bewind worden deze netjes en uitvoerig beantwoord;

  • -

    Aan rechthebbende wordt deugdelijke en uitvoerige informatie verstrekt over zijn financiële huishouding, dit betreft in ieder geval maar niet uitsluitend een opsomming van de vaste lasten en wanneer deze moeten worden betaald, informatie over eventuele toeslagen, uitkeringen en andere inkomstenbronnen vergezeld van informatie wanneer en op welke wijze die moeten worden aangevraagd en informatie over de actuele vermogenspositie waaronder reserveringen voor te verwachten rekeningen;

  • -

    De bewindvoerder verstrekt zijn dossier aan rechthebbende op de wijze die tussen rechthebbende en bewindvoerder wordt overeengekomen (digitaal, op papier ofwel gedeelte het een en gedeeltelijk het ander).

De kantonrechter wijst erop dat op verzoek van bewindvoerders ervoor is gekozen om tussen de beschikking en de datum van beëindiging indien mogelijk ongeveer 14 dagen tijd te laten, zodat het dossier op een nette wijze kan worden overgedragen en afgerond. De bewindvoerder dient deze 14 dagen daarvoor dan ook te gebruiken en niet pas na de datum van beëindiging van het bewind te beginnen met het overdragen van het dossier.

In het onderhavige geval heeft de bewindvoerder derden (veel) te laat geïnformeerd, hij heeft geen deugdelijke dossieroverdracht gedaan en ook niet inhoudelijk gereageerd op vragen van rechthebbende. Hij heeft post te laat en zonder enige toelichting doorgestuurd en hij heeft aan rechthebbende gevraagd om te controleren of hij wel iedereen heeft geïnformeerd. Daarmee heeft hij niet gehandeld zoals van een professioneel bewindvoerder mag worden verwacht.

De kantonrechter verklaart de klacht van de heer [rechthebbende] dan ook in al haar onderdelen gegrond.

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart de klacht in al haar onderdelen gegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A.M. Penders, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.