Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5121

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
C/16/455597 / FA RK 18-1111
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

IPR. Litispendentie. Peildatum omvang gemeenschap bij indiening echtscheidingsverzoek in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/455597 / FA RK 18-1111 (echtscheiding)

C/16/487680 / FA RK 19-5319 (verdeling)

Beschikking van 10 december 2020

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. N. Türkkol,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. U. Ögüt.

1 Inleiding

1.1.

Bij tussenbeschikking van [2019] , verbeterd bij herstelbeschikking van [2019] , heeft deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen, gehuwd op [trouwdatum] 2002 in [plaatsnaam] (Turkije). Partijen hebben samen drie minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2013;

1.2.

Partijen hebben samen het gezag over de kinderen. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.

1.3.

De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van [voornaam van minderjarige 1] bij de man bepaald en de hoofdverblijfplaats van [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] bij de vrouw. Verder heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld in afwachting van een onderzoek door de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) naar de zorgregeling. Ook de beslissing op het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is uitgesteld, in afwachting van extra informatie van partijen.

1.4.

Partijen hebben in hoger beroep geprocedeerd over de echtscheiding en de voorlopige zorgregeling. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 oktober 2020 de beschikking van de rechtbank op die punten bekrachtigd. De rechtbank moet nu dus nog een beslissing nemen over de (definitieve) zorgregeling, de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

1.5.

De rechtbank heeft na de tussenbeschikking van [2019] nog ontvangen:

  • -

    het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de vrouw, binnengekomen op 27 november 2019;

  • -

    de reactie op het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man, van 26 december 2019;

  • -

    de brief van 31 december 2019 van de man met bijlage;

  • -

    het rapport van de Raad van 31 juli 2020;

  • -

    de fax van 30 oktober 2020 van de man, met bijlagen;

  • -

    het F9-formulier van 30 oktober 2020 van de vrouw, met bijlagen.

1.6.

Op 12 november 2020 heeft opnieuw een mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Partijen waren aanwezig met hun advocaten. Verder was de heer [A] aanwezig namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en mevrouw [B] en mevrouw [C] namens de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI).

1.7.

[voornaam van minderjarige 1] is uitgenodigd voor een gesprek met de rechter, maar zij heeft laten weten niet te willen komen.

2 De beoordeling

De zorgregeling

2.1.

De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen tussen [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] en de man, die inhoudt dat zij om de twee weken (in de week dat de man ochtenddienst heeft) van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zijn. De vrouw brengt de kinderen op vrijdag naar het winkelcentrum aan [straatnaam 1] in [woonplaats 1] en de man brengt de kinderen op zondag terug naar het winkelcentrum aan het [straatnaam 2] in [woonplaats 2] . Daarnaast zullen [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] een gedeelte van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven, afgestemd op het werkrooster en de gezondheid van de man. Voor de zomervakantie geldt dat [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] in 2021 de eerste twee weken bij de man verblijven en de volgende jaren de twee weken die de man vrij krijgt van zijn werk. Hij moet vóór 1 januari van elk jaar aan de vrouw laten weten om welke twee weken het gaat. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

2.2.

Partijen zijn het eens over de weekendregeling, die ook zo is geadviseerd door de Raad. Het heikele punt is het halen en brengen. Op dit moment gebeurt dat op twee neutrale plekken, namelijk een benzinestation en een speeltuin. De vrouw wil dat niet meer. Zij wil dat de man [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] bij haar ophaalt en weer terugbrengt, omdat zij geen auto rijdt. De man is het daar niet mee eens. De rechtbank vindt dat het halen en brengen niet volledig bij de man neer kan worden gelegd, dus dat zullen partijen moeten verdelen. De Raad en de GI zeggen bovendien dat het halen en het brengen op een neutrale plaats moet gebeuren, en dat zeggen ze niet voor niks. De verstandhouding tussen partijen is nog steeds niet goed. Voorkomen moet worden dat het escaleert tussen partijen in het bijzijn van [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] . De rechtbank vindt een benzinestation en een speeltuin, zeker in de winter, geen goede plek voor de overdracht. Zij heeft daarom gekozen voor twee winkelcentra, eentje in de buurt van de man een eentje in de buurt van de vrouw. Zo hoeft de vrouw maar één keer vervoer te regelen.

2.3.

Partijen verschillen verder van mening over de verdeling van de vakanties, met name de zomervakantie. De vrouw wil dat [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] de helft van de zomervakantie (de eerste drie weken) bij de man zijn. De man wil de jongens twee weken in de zomervakantie en dat bij het bepalen van die weken rekening wordt gehouden met zijn werkrooster. Hoewel een gelijke verdeling van de vakanties de voorkeur heeft, is de rechtbank van oordeel dat dit hier niet haalbaar is. Partijen hebben allebei gezondheidsproblemen, maar voor de man geldt dat hij daarnaast werkt en de volledige zorg voor [voornaam van minderjarige 1] draagt. De vrouw zorgt het grootste deel van de tijd voor [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] , maar zij heeft geen baan. Van haar kan dus worden gevraagd dat zij een groter aandeel in de vakantie van de jongens voor haar rekening neemt en dat zij zich flexibel opstelt qua verdeling van de weken, omdat de man gebonden is aan het rooster van zijn werkgever.

De kinderalimentatie

2.4.

De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van heden met € 309,- per kind per maand aan de vrouw bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] . Dat is de in de tussenbeschikking vastgestelde bijdrage, geïndexeerd naar 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding te rekenen met een lagere zorgkorting voor de jongens, omdat de man alle kosten voor [voornaam van minderjarige 1] betaalt.

De verdeling

Litispendentie

2.5.

De rechtbank zal de beslissing op de verzoeken van partijen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap uitstellen voor de duur van 12 maanden. De vrouw heeft op namelijk op 21 februari 2018 in Nederland een verzoek tot echtscheiding gedaan, maar de man heeft al eerder (op 6 september 2016) een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt in Turkije. In die procedure zijn ook verzoeken over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gedaan. In eerste aanleg in Turkije is het verzoek tot echtscheiding van de man afgewezen. De man is vervolgens in hoger beroep gegaan. De hoger beroepsprocedure met verdelingsaspecten is nu nog aanhangig bij de Turkse rechter. Kortom, er is sprake van litispendentie. Dat betekent dat nu eerst de uitspraak van de Turkse rechter moet worden afgewacht.1Voor het geval dat de rechtbank zich na de uitspraak van de Turkse rechter alsnog bevoegd zal verklaren, wil zij alvast het volgende opmerken.

Het toepasselijk recht

2.6.

In de tussenbeschikking is al uitgelegd dat op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HVV) het Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen tot het moment dat de man de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Dat is op 3 maart 2006. Daarna is het Nederlands recht van toepassing. Dat wil zeggen dat in beginsel alle goederen die vanaf 3 maart 2006 zijn verkregen in een algehele gemeenschap van goederen (naar het tot 1 januari 2018 geldend recht) vallen. Oftewel, in beginsel alle goederen die na 3 maart 2006 zijn verkregen zijn van partijen samen. En voor in beginsel alle schulden die na 3 maart 2006 zijn aangegaan zijn partijen samen draagplichtig.

De peildatum

2.7.

De volgende vraag is per welke datum de omvang van de gemeenschap van partijen moet worden vastgesteld. De man stelt zich namelijk op het standpunt dat de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap de datum van feitelijk uiteengaan is (25 augustus 2016) of de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding in Turkije (6 september 2016). De vrouw laat in het midden van welke peildatum zij uitgaat.

2.8.

De rechtbank overweegt dat de gemeenschap is ontbonden op het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek.2 Dat is ook het moment (de peildatum) waarop de omvang van de gemeenschap van goederen moet worden vastgesteld. Daar kan niet van worden afgeweken. Bovendien vindt de rechtbank vooralsnog dat uitgegaan moet worden van de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek in Nederland, oftewel van 22 februari 2018. Uit de geraadpleegde kamerstukken3 blijkt namelijk niet of de wetgever bij de totstandkoming van artikel 1:99 lid 1 BW (oud) ook heeft gedacht aan de mogelijkheid dat een verzoekschrift tot echtscheiding bij een buitenlandse rechter wordt ingediend. Daartegen pleit in ieder geval de kenbaarheid van het feit dat er een verzoek tot echtscheiding is ingediend voor de niet-verzoekende echtgenoot. Bovendien heeft in dit geval het in Turkije ingediende verzoek (vooralsnog) niet tot een echtscheiding geleid, omdat het verzoek in eerste aanleg is afgewezen.

Te verdelen zaken

2.9.

Daarnaast verschillen partijen over nog een hoop punten van mening. De rechtbank zal enkele van die punten die tijdens de zitting aan de orde zijn geweest hieronder kort aanstippen. De vrouw heeft in 2011 een ‘gouden handdruk’ (een stamrecht) gekregen ter hoogte van € 40.000,- van haar voormalige werkgever. De man meent dat hij aanspraak maakt op de helft van de waarde van het stamrecht op de peildatum. De vrouw daarentegen meent dat het stamrecht aan haar verknocht is en om die reden niet in de gemeenschap valt. Voor zover het stamrecht een inkomensvoorziening betreft voor na ontbinding van het huwelijk, is dat inderdaad het geval. De vraag is dan nu hoe dat deel moet worden begroot. Gezien de leeftijd van de vrouw, kan er bijvoorbeeld aan worden gedacht dat 1/3 deel van het stamrecht aan haar is verknocht en 2/3 niet.

2.10.

Beide partijen betichten verder de ander ervan grote bedragen (€ 22.000,- en € 15.000,-) contant geld in bezit te hebben gehad op de peildatum, dat bij helfte zou moeten worden verdeeld. Op dit moment is er echter nog geen begin van bewijs dat er op de peildatum daadwerkelijk sprake was van contact geld. Als dat er niet komt, kan de rechtbank ook geen contant geld verdelen.

2.11.

Verder twisten partijen over gouden sieraden. Een deel zou de vrouw hebben gekregen bij het huwelijk van partijen. Daarop is dus Turks recht van toepassing. Een ander deel zou de vrouw later hebben gekregen van de man. De man denkt in 2007. Helder zal moeten worden 1) om welke sieraden het precies gaat en 2) wanneer deze zijn verkregen. Vervolgens 3) is het de vraag waar de sieraden nu zijn. De man zegt namelijk dat de vrouw de sieraden heeft (al dan niet in een kluis), maar volgens de vrouw hebben de ouders van de man de sieraden. Dat blijkt echter (nog) nergens uit. Ook zou een deel van de sieraden van [voornaam van minderjarige 1] zijn.

2.12.

Voor het winkelpand en het perceel in [plaatsnaam] (Turkije) geldt dat voor het toepasselijk recht relevant is wanneer deze zijn verkregen. Oftewel, zijn het winkelpand en het perceel vóór of na 3 maart 2006 verkregen. Volgens de man zijn ze na die datum verkregen. De vrouw heeft zich daar nog niet over uitgelaten. Als het winkelpand en het perceel vóór 3 maart 2006 zijn verkregen, dan is het Turks recht van toepassing. Partijen zullen zich er dan over moeten uitlaten wat dat hier precies betekent. Als het winkelpand en het perceel na 3 maart 2016 zijn verkregen, dan vallen deze naar Nederlands recht in de gemeenschap van goederen.

2.13.

Tot slot zou er volgens de vrouw een schuld zijn van € 17.000,- aan mevrouw [D] en een schuld van € 15.000,- aan mevrouw [E]. De man heeft het bestaan van deze schulden gemotiveerd betwist. De door de vrouw overgelegde schuldbekentenissen vindt de rechtbank op voorhand niet voldoende om het bestaan van die schulden op de peildatum te kunnen vaststellen. Als dat zo blijft, kan dus niet worden vastgesteld dat de man mede draagplichtig is voor deze schulden.

2.14.

Kortom, partijen hebben – in het geval de procedure uiteindelijk in Nederland zal worden voortgezet – nog werk aan de winkel wat betreft de onderbouwing van hun verzoeken. Het zou voor de drie kinderen van partijen echter het mooist zijn als de juridische strijd tussen partijen stopt en zij zich gaan concentreren op hun ouderschap. De rechtbank roept partijen dan ook uitdrukkelijk op om met hun Nederlandse en Turkse advocaten om de tafel te gaan en tot een regeling te komen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt een zorgregeling vast tussen [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] en de man, die inhoudt dat [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] bij de man zijn:

  • -

    om de twee weken (in de week dat de man ochtenddienst heeft) van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur. De vrouw brengt de kinderen op vrijdag naar het winkelcentrum aan [straatnaam 1] in [woonplaats 1] en de man brengt de kinderen op zondag terug naar het winkelcentrum aan het [straatnaam 2] in [woonplaats 2] ;

  • -

    een gedeelte van de vakanties en feestdagen, afgestemd op het werkrooster en de gezondheid van de man. Voor de zomervakantie geldt dat [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] in 2021 de eerste twee weken bij de man verblijven en de volgende jaren de twee weken die de man vrij krijgt van zijn werk. De man moet vóór 1 januari van elk jaar aan de vrouw laten weten om welke twee weken het gaat;

3.2.

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging van [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] met ingang van heden vast op een bedrag van € 309,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

houdt iedere beslissing over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap pro forma aan tot 10 december 2021 in afwachting van de beslissing van de Turkse rechter.

Deze beschikking is gegeven door M.A.A.T. Engbers, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. de Kleijn op

10 december 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..

1 Artikel 12 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Artikel 1:99 lid 1 (oud) van het Burgerlijk Wetboek

3 Kamerstukken II 28 867 nr. 3 en 13.