Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5113

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
UTR 20/335
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn omwonenden die klagen over overlast door de bezoekers van de coffeeshop. De overlast is volgens hen door de jaren heen toegenomen. Zij stellen dat de coffeeshop is overgegaan van eigenaar en dat daarom de Beleidsregels voor het vestigen van een coffeeshop van toepassing zijn die o.a. inhouden dat een coffeeshop, na overname en bij een toename van de omvang, niet gevestigd mag worden in een woonwijk. De rechtbank oordeelt dat het beleid echter niet van toepassing is. De coffeeshop is na de inwerkingtreding van het beleid namelijk niet overgegaan van eigenaar. Het verzoek om handhaving moet dus beoordeeld worden aan de hand van de Handhavingsstrategie 2011, partieel gewijzigd in 2017, en de het Horecabeleid van Utrecht. Verweerder moet handhavend optreden als de overlast die eisers ervaren, geobjectiveerd kan worden. De meldingen in de WhatsApp-groep, opgericht door de coffeeshop en de bewoners, en de processen-verbaal van de toezichthouders, leveren niet het beeld op dat de overlast zodanig is dat verweerder in redelijkheid gehouden is daartegen op te treden. Het overstijgt namelijk niet wat je in redelijkheid kunt verwachten van de aanwezigheid van horeca. Bovendien reageert de coffeeshop adequaat op klachten. Het O-criterium (geen overlast) is daarom niet overtreden. Ook overtreedt de coffeeshop niet het I-criterium (geen verkoop aan ingezetenen). Utrecht is geen grensregio en er is dus geen sprake van drugstoerisme. De stad mag ervoor kiezen pas handhavend op te treden tegen de verkoop aan ingezetenen als die objectief overlast veroorzaken. Daarvan is geen sprake. De coffeeshop overtreedt evenmin het A-criterium (verbod op affichering). Er is geen sprake van verboden affichering: de vlaggen bevatten geen verwijzing naar de coffeeshop. Ook het lichtsnoer is geen vorm van reclame. Tot slot is er –anders dan eisers menen – geen terras aanwezig bij de coffeeshop. De overige gronden leiden ook niet tot de conclusie dat verweerder moet handhaven. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/335

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] ,
[eiser 2] ,
[eiser 3] te [woonplaats] , eisers

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Geleijnse).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [vestigingsplaats] ,

Procesverloop

In het besluit van 29 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhaving gericht tegen de coffeeshop van [derde-partij] ( [naam] ) afgewezen.

In het besluit van 12 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens [naam] is verschenen [A] , voorzitter van de [derde-partij] .

Overwegingen

Inleiding

1. Deze zaak gaat over het verzoek om handhaving dat eisers op 17 mei 2019 namens 37 buurtbewoners bij verweerder hebben ingediend. Eisers wonen in de nabijheid van [naam] , een schip dat in gebruik is als coffeeshop. Eisers ervaren veel overlast van [naam] . Volgens eisers overtreedt [naam] zowel de ‘Beleidsregels over het in behandeling nemen van aanvragen om medewerking aan het vestigen van een coffeeshop gemeente Utrecht 2017’ (de Beleidsregels)1 als de ‘Handhavingsstrategie Horeca Gemeente Utrecht, onderdeel coffeeshops (…) van januari 2017’ (de Handhavingsstrategie 2017).2 [naam] overtreedt de in de Handhavingsstrategie 2017 opgenomen AHOJGI-criteria die speciaal zijn opgesteld voor het gedogen van coffeeshops. Verweerder moet daar volgens de bewoners wat tegen doen.

2. Verweerder heeft in het primaire besluit aan eisers meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om handhavend op te treden. Dit standpunt heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben gesteld dat zij namens een grote groep buurtbewoners optreden. De rechtbank heeft, ondanks een verzoek daartoe, geen namen en handtekeningen ontvangen van die buurtbewoners, dus gaat zij ervan uit dat alleen de drie eisers die het beroepschrift hebben ondertekend deze procedure voeren.

3. De rechtbank geeft in deze uitspraak allereerst de toepasselijke wet- en regelgeving weer. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of [naam] de AHOJGI-criteria overtreedt. Het gaat volgens eisers om het O-criterium (het verbod op overlast), het I-criterium (verbod op verkoop aan niet-ingezetenen) en tot slot het A-criterium (het verbod op affichering) Aan het eind van deze uitspraak bespreekt de rechtbank de resterende beroepsgronden.
Toepasselijke wet- en regelgeving

4. Volgens eisers mag [naam] niet op de locatie waar zij nu ligt, geëxploiteerd worden, omdat dat in strijd is met de voorwaarden die zijn neergelegd in de Beleidsregels, waarin staat dat een coffeeshop niet mag worden gevestigd in een voor bewoning bestemde woonwijk.3 Deze bepaling is volgens eisers weliswaar niet van toepassing bij een overname, maar wel als de betreffende coffeeshop na overname in omvang toeneemt.4 Volgens eisers is de coffeeshop in 2014 overgenomen en in de afgelopen jaren in omvang toegenomen. De coffeeshop mag dus volgens hen niet gevestigd zijn in een woonwijk.

5. Dit betoog volgt de rechtbank niet. De Beleidsregels uit 2017 gaan over het vestigen van een nieuwe coffeeshop, dan wel het overnemen van een bestaande coffeeshop. Daarvan is hier geen sprake. De coffeeshop [naam] is geen nieuw gevestigde coffeeshop en is ook niet ná 2017 in eigendom overgedragen, waardoor sprake zou kunnen zijn van een overname die onder de Beleidsregels valt. Uit de door eisers aangehaalde brief van 19 juni 2014 blijkt slechts dat het schip waarop de coffeeshop wordt geëxploiteerd, is overgedragen aan de exploitanten. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij het handhavingsverzoek moet toetsen aan de gedoogverklaring van 3 februari 1997, de Handhavingsstrategie Horeca uit 20115 en de Handhavingsstrategie 2017, die een partiële wijziging van de Handhavingsstrategie van 2011 inhoudt, en, omdat een coffeeshop ook een vorm van horeca is, de Horecaverordening 2018. In zowel de gedoogverklaring als de Handhavingsstrategie zijn de AHOJG-criteria opgenomen die gelden voor de coffeeshops. Deze houden: geen Affichering, geen Harddrugs, geen Overlast, geen verkoop aan Jongeren en Geringe hoeveelheid. In de Handhavingsstrategie 2017 is daar, vanwege een wijzing van het landelijke drugsbeleid, het I-criterium aan toegevoegd. Dat criterium houdt in dat een coffeeshop alleen toegankelijk is voor ingezetenen. De rechtbank zal de door eisers gestelde overlast, het verbod op verkoop aan niet-ingezetenen, en overtreding van het verbod of affichering hierna bespreken.
Overlast (O-criterium)

6. Eisers betogen dat zij dagelijks veel overlast ervaren van grote groepen bezoekers aan [naam] . De overlast bestaat - onder andere - uit het verkeerd neerzetten van fietsen, het verkeerd parkeren van auto’s, luidruchtig en soms agressief gedrag van bezoekers naar bewoners toe, het roken in portieken en verkeersoverlast. Om overlast tegen te gaan hebben de buurtbewoners samen met de beheerders en beveiligers van [naam] een WhatsApp-groep opgericht waarin meldingen van overlast kunnen worden gedaan, zodat [naam] incidenten met hulp van de beveiligers zelf kan oplossen. Volgens eisers werkt deze WhatsApp-groep echter niet goed genoeg en gaat het de overlast niet tegen. Verweerder zou de meldingen die in deze WhatsApp-groep zijn gedaan en die ook worden bevestigd door de reactie van [naam] zelf in de WhatsApp-berichten, moeten aanmerken als een objectivering van de overlast en daarop moeten handhaven. Bovendien hebben de toezichthouders van verweerder ook de nodige overlast waargenomen en daarvan melding gemaakt in hun processen-verbaal. De overlast die eisers ervaren van [naam] is daarmee volgens eisers voldoende geobjectiveerd en verweerder moet hierop handhaven.

7. Verweerder bevestigt dat onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten. De exploitant van een coffeeshop moet ervoor zorgen dat in en nabij de inrichting geen overlast/verstoring van de openbare orde wordt veroorzaakt. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de overlast, die wordt ervaren door buurtbewoners, wel geobjectiveerd moet worden voordat hij kan ingrijpen. Dit volgt uit de Handhavingsstrategie Horeca uit 2011, waarin de subjectieve beleving van één individu onvoldoende is om van overlast te kunnen spreken. Hierbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen overlast en gevolgen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht van een horecabedrijf, zoals bijvoorbeeld het komen en gaan van bezoekers. Pas als sprake is van geobjectiveerde overlast en verweerder die overlast ontoelaatbaar vindt, zal hij handhavend optreden. Dat is hier volgens verweerder niet het geval.

8. De rechtbank moet beoordelen of wat eisers hebben aangedragen voldoende concreet is om vast te stellen dat [naam] een overtreding heeft begaan waarop verweerder zou moeten handhaven. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Eisers hebben de WhatsApp-groep genoemd waarin zij klachten kunnen melden die vervolgens door [naam] worden opgepakt. Uit de informatie die eisers hebben aangedragen, en ook de verklaringen die door beide partijen op de zitting daarover zijn afgelegd, komt naar voren dat de meeste klachten direct worden opgepakt door [naam] en door de beveiliger worden afgehandeld. Naar aanleiding van de klachten van eiseres hebben toezichthouders observaties gedaan op verschillende tijdstippen. Zij hebben van hun waarnemingen processen-verbaal opgemaakt, die bij de gedingstukken zijn gevoegd. Uit die processen-verbaal van 22, 24 en 26 mei 2018 en 12, 13, 18 en 20 juli 2019 blijkt wel van een aantal incidenten, dat niet direct wordt gecorrigeerd en opgelost door de beveiliger. Over het geheel genomen wordt het beeld echter bevestigd dat de gesignaleerde overlast wordt bestreden door de beveiliger. Tijdens de zitting heeft de voorzitter van [naam] erkend dat de overlast waar eisers over klagen zich soms voordoet, hoewel deze volgens hem niet altijd te wijten is aan de aanwezigheid van de coffeeshop, maar ook aan bijvoorbeeld het nabijgelegen hostel en het Griftpark. [naam] is zich ervan bewust dat een te grote mate van overlast gevolgen kan hebben voor de gedoogconstructie en instrueert daarom de beveiliger om overlast actief op te lossen en te beperken. Uit de processen-verbaal, de berichten in de WhatsApp-groep en ook de verklaringen van partijen op zitting, komt het beeld naar voren dat de overlast serieus wordt aangepakt en doorgaans ongedaan wordt gemaakt. Weliswaar ervaren eiseres overlast, maar het is geen overlast die geobjectiveerd kan worden als bedoeld in de Handhavingsstrategie Horeca van 2011. De overlast die in de praktijk namelijk overblijft is overlast die in redelijkheid te verwachten is in de omgeving van een horecagelegenheid en is niet zo groot dat verweerder daarop zou moeten handhaven. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de overlast daarom niet ontoelaatbaar is en dat hij op grond daarvan niet handhavend hoeft op te treden.
De rechtbank begrijpt dat het voor eisers erg vervelend is dat zich in hun leefomgeving ondanks de extra maatregelen toch verschillende vormen van overlast voordoen, maar zolang [naam] de signalen uit de buurt adequaat oppakt en de overlast binnen de perken blijft, is handhaving in de richting van [naam] niet evenredig. Het betoog van eisers slaagt dus niet.
Verkoop van drugs aan niet-ingezetenen (I-criterium)

9. Per 1 januari 2013 gelden de landelijk geldende gedoogcriteria zoals vastgelegd in een brief van de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie van 19 november 2012,6 waarin de minister het ingezetenencriterium heeft toegelicht. Volgens eisers overtreedt [naam] dat criterium, dat inhoudt dat softdrugs alleen verkocht mogen worden aan ingezetenen. Eisers wijzen erop dat [naam] wordt genoemd in reisfolders voor toeristen, dat er dagelijks bussen met toeristen in de buurt van [naam] stoppen en dat bewoners vaak door toeristen worden aangesproken. Weliswaar is dit ingezetenencriterium vooral ingevoerd vanwege grootschalige drugsoverlast in de Nederlandse grensregio's, maar het geldt volgens eisers ook voor de grote steden die zeer frequent bezocht worden door toeristen. In de brief staat verder dat er sprake moet zijn van handhaving op dit punt en dat afstemming nodig is over lokaal maatwerk in de lokale driehoek. Die afstemming is er in Utrecht niet. Volgens eisers heeft de wetgever verweerder geen keuze gegeven om, zoals hij nu doet, het ingezetenencriterium pas ter hand te nemen als er sprake is van geobjectiveerde overlast.

10. Verweerder heeft verwezen naar de Handhavingsstrategie 2017 waarin over het ingezetenencriterium staat vermeld:
“Alleen meerderjarige ingezetenen van Nederland kunnen toegang krijgen tot een coffeeshop op vertoon van een geldig identiteitsbewijs. Handhaving van het Ingezetenencriterium wordt ter hand genomen als objectief wordt vastgesteld dat het bezoek van niet-ingezetenen aan de Utrechtse coffeeshops leidt tot overlast.”
Verweerder heeft toegelicht dat hij gelet op de wetgeving beleidsruimte heeft om handhaving af te stemmen en om pas over te gaan tot handhaving als er objectief sprake is van overlast van niet-ingezetenen.

10. De rechtbank volgt verweerder hierin. Daarbij is van belang dat het ingezetenencriterium is bedoeld om drugstoerisme, zoals dat zich voordeed in de grensgebieden, tegen te gaan. De tekst van het landelijk drugsbeleid, waar eisers naar verwijzen, laat expliciet ruimte over voor maatwerk in de diverse gemeenten. Drugstoerisme houdt in dat mensen van buiten Nederland alleen naar Nederland komen voor een bezoek aan een coffeeshop. Dit drugstoerisme brengt veel overlast en criminaliteit met zich. Het drugstoerisme verschilt van het zogenaamde aanlooptoerisme, waarbij het gaat om toeristen die een stad verkennen en daarbij ook een bezoek brengen aan een coffeeshop. De ligging van Utrecht in het midden van Nederland doet vermoeden dat daar geen sprake is van drugstoerisme, zoals in de grensgebieden het geval is. Het is aan eisers om aan te tonen dat wel sprake is van drugstoerisme, zoals in het landelijk beleid is bedoeld. Wat eisers hebben aangedragen is daarvoor niet voldoende. De keuze van verweerder om hierop niet te handhaven, behalve als objectief sprake is van overlast van niet-ingezetenen die als drugstoerist naar [naam] komen, vindt de rechtbank daarom niet onredelijk. Zoals hiervoor al is overwogen is in dit geval geen sprake van objectieve overlast van drugstoerisme en moet handhaving op het ingezetenencriterium volgens het beleid dus achtwege blijven.
Het verbod op affichering (A-criterium)

10. Volgens eisers handelt [naam] in strijd met het afficheringsverbod. Eisers voeren in dit kader verschillende punten aan die volgens hen een overtreding opleveren van het A-criterium. Zij wijzen erop dat [naam] een eigen Facebook-account heeft gehad, waarop zij niet alleen een vacature heeft gemeld, maar ook de coffeeshop heeft aangeprezen. Dit is volgens eisers een vorm van reclame die door het verbod op affichering ontoelaatbaar is. Eisers wijzen er verder op dat [naam] een lichtsnoer heeft opgehangen om voorbijgangers te attenderen op de openingstijden. Dit terwijl coffeeshops volgens de Handhavingsstrategie geen enkele vorm van reclame mogen maken, anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Een lichtsnoer is geen summiere aanduiding en is juist bedoeld om aandacht te trekken. De vlaggen op de boot, zijn ook in strijd met het afficheringsverbod. Eisers stellen tot slot dat [naam] een terras heeft, wat ook niet mag. Er zitten volgens eisers mensen op de kade met koffie en gekochte producten. Dit kan volgens hen feitelijk worden aangemerkt als een terras.

10. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangedragen geen overtreding van het verbod op affichering. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam] op het moment van het bestreden besluit geen Facebook-account meer beheerde. Er is wel een Facebook-account van [naam] , maar dat wordt door Facebook zelf gegenereerd en gaat dus buiten [naam] om. [naam] heeft erkend dat zij er niet van op de hoogte was dat een account op sociale media zou kunnen worden gezien als verboden affichering. Zij heeft het in het verleden aangemaakte Facebook-account daarom verwijderd. Daarmee heeft zij een eventuele overtreding dus al ongedaan gemaakt. Als verweerder in dit geval een last onder dwangsom zou opleggen, dan is dat een preventieve last onder dwangsom die ertoe moet leiden dat [naam] niet nogmaals een overtreding begaat. Zo’n preventieve last onder dwangsom kan volgens vaste rechtspraak alleen worden opgelegd als [naam] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid opnieuw een account zal aanmaken en dus opnieuw een overtreding zal begaan.7 Nog afgezien van de vraag of het hebben van een account op sociale media op zichzelf al een vorm van affichering is, zijn er geen aanknopingspunten dat [naam] zo’n account opnieuw zal aanmaken of het oude account zal activeren. Tijdens de zitting heeft [naam] verklaard dat zij geen sociale media accounts meer heeft en ook niet van plan is die aan te maken. Er bestaat dus geen aanleiding voor verweerder om een preventieve last onder dwangsom op te leggen.
Dat, zoals eisers betogen, een account gemakkelijk kan worden aangemaakt en ook gemakkelijk kan worden stilgezet, is voor de beantwoording van de rechtsvraag niet relevant. Het zegt namelijk niets over de intentie van [naam] om een account aan te maken of te activeren.

14. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de naamsvermelding en het logo op de vlaggen op het schip summier genoeg zijn om niet te worden gezien als reclame voor de coffeeshop. Daarbij is van belang dat deze vlaggen geen verwijzing bevatten naar de verkoop van softdrugs, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een wietblad. Ook voor het lichtsnoer geldt dat een verwijzing naar de producten die [naam] verkoopt er niet is, zodat van verboden affichering geen sprake is. Eisers rekken het begrip affichering met hun uitleg teveel op. Dat het lichtsnoer de aandacht trekt, zal op zichzelf juist zijn, maar dat houdt nog niet in dat met het lichtsnoer reclame wordt gemaakt voor de coffeeshop en dat [naam] daarmee het verbod op affichering overtreedt. Als eisers overlast ervaren van het lichtsnoer of de vlaggen, dan zullen zij dat op een andere manier moeten bestrijden dan via de AHOJGI-criteria, omdat van verboden affichering geen sprake is.

14. De rechtbank oordeelt tot slot dat [naam] ook geen terras exploiteert. Een terras is volgens de definities in artikel 1 onder b van de Horecaverordening 2018: het buiten de besloten ruimte van het horecabedrijf liggende deel, waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt.
Daarvan is bij [naam] geen sprake. De omstandigheid dat, zoals eisers betogen, bezoekers op de kade koffie zouden drinken en wiet zouden roken terwijl zij op de fietsenrekken zitten, maakt nog niet dat [naam] een terras exploiteert. Daar komt bij dat [naam] ontkent dat haar klanten op de kade blijven hangen. Zij heeft de beveiliger geïnstrueerd erop toe te zien dat dat niet gebeurt. Het is door de toezichthouders ook niet vastgesteld. Eisers hebben het tegendeel niet aangetoond. Dit betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden

14. Eisers betogen verder dat zij nooit rechtsmiddelen hebben kunnen aanwenden tegen de gedoogverklaring van 3 februari 1997. Ondanks dat zij hierom hebben verzocht, hebben zij de gedoogverklaring niet van verweerder ontvangen. Pas op de zitting hebben zij een kopie van dit stuk ontvangen. De inhoud van de verklaring was hen niet bekend.

14. Voor zover eisers betogen dat zij hierdoor in hun rechtsbeschermingsmogelijkheden zijn aangetast, overweegt de rechtbank dat eisers, als zij de gedoogverklaring eerder hadden ontvangen, daartegen geen rechtsmiddelen hadden kunnen aanwenden. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de ABRvS.8 Een gedoogverklaring is namelijk geen besluit waartegen bezwaar gemaakt kan worden. Dit betekent echter niet dat eisers machteloos staan ten opzichte van een gedogend bestuursorgaan. Zij kunnen namelijk wel een verzoek om handhaving indienen, zoals zij in deze zaak hebben gedaan. De inhoud van de gedoogverklaring, te weten dat [naam] zich moet houden aan de AHOJGI-criteria, komt verder overeen met de Handhavingsstrategie 2017, die wel bekend is bij eisers.

18. Eisers betogen ook dat [naam] helemaal niet op de aangewezen plek aan de [straat] mag liggen. Zij wijzen op een kaart uit de Havenatlas9 uit 2006, waarop volgens hen is weergegeven dat de boot ‘ [naam] ’10 bij verkoop uit de gemeente Utrecht moet verdwijnen. Omdat de boot met daarop de coffeeshop in 2014 in eigendom is overgedragen, had deze verwijderd moeten worden uit de gemeente. Ten onrechte heeft verweerder nagelaten [naam] toen te verwijderen.

19. Voor zover eisers hiermee willen bewerkstelligen dat verweerder het schip alsnog verwijdert uit de gemeente Utrecht, overweegt de rechtbank dat verweerder niet bevoegd is om het havenbeleid uit 2006 uit te voeren. Verweerder gaat over de openbare orde en niet over het havenbeleid. Deze beroepsgrond van eisers kan dus niet leiden tot een vorm van handhaving van de kant van verweerder.

19. Eisers betogen verder dat [naam] staat ingeschreven onder een verkeerde SBI-code in de Kamer van Koophandel (KvK). SBI staat voor Standaard Bedrijfsindeling 2008. In de KvK staat als doel van [naam] vermeld: ‘Het bevorderen van de welzijn van de jeugd.’ Dit is onjuist, want het gaat om een coffeeshop. Eisers vinden dat verweerder deze schijnconstructie teniet moet doen door het gedogen van de coffeeshop te beëindigen. Ten onrechte heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat de onjuiste SBI-code geen rol kan spelen. Verweerder gaat er niet op in dat [naam] in strijd handelt met haar eigen doelstelling. Verweerder zou zich moeten inzetten voor het welzijn van de jeugd en de verkoop van softdrugs past daar niet bij.

19. Dit betoog treft geen doel. Een SBI-code is een hulpmiddel voor de inschrijving in de KvK. Dat [naam] daar onder een SBI-code staat ingeschreven die niet overeenkomt met haar feitelijke werkzaamheden, betekent niet dat verweerder daar iets mee zou moeten doen. [naam] heeft toegelicht hoe de SBI-code in het verleden is gekozen, namelijk door een destijds voorkomend gebrek aan juiste codering voor een coffeeshop. Tussen verweerder en [naam] is geen sprake van verwarring over de werkzaamheden en het doel van [naam] . Het is niet zo dat verweerder door [naam] op het verkeerde been is gezet en onder valse voorwendselen een gedoogverklaring heeft gekregen voor de verkoop van softdrugs. Onder welke SBI-code [naam] staat ingeschreven in de KvK staat dan ook los van het handhavingsverzoek dat aan verweerder is voorgelegd. De verplichting die op [naam] rust om zich juist in te schrijven in de KvK, is tot een slot geen norm die strekt tot bescherming van de belangen van eisers als omwonenden. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht staat dus ook in de weg aan een vernietiging van het bestreden besluit op die grond.

19. In de aanvullende gronden van beroep van 31 maart 2020 hebben eisers er melding van gemaakt dat zij het verslag van de hoorzitting pas van verweerder hebben gekregen via doorzending van de rechtbank van de gedingstukken. Het verslag bevat volgens eisers onjuistheden. Verweerder heeft volgens eisers te laat beslist op hun bezwaar en zij vinden dat de bezwaarcommissie niet onafhankelijk is geweest.

19. Tijdens de zitting hebben eisers na bespreking van deze gronden aangegeven dat deze formele punten niet kunnen leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit en dat zij ermee instemmen dat de rechtbank deze punten niet verder bespreekt.


Conclusie

24. De rechtbank komt gelet op al wat hiervoor is overwogen tot de conclusie dat de beroepsgronden van eisers tegen de weigering van verweerder om handhavend op te treden tegen [naam] geen doel treffen. De AHOGJI-criteria worden niet overtreden door [naam] en ook het overige dat door eisers is aangedragen, leidt niet tot de conclusie dat handhaving aangewezen is. Het beroep is dan ook ongegrond. Omdat eisers geen gelijk krijgen, bestaat er geen aanleiding om hun proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzitter, mr. P.J.M. Mol en mr. J.J. Catsburg, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 In werking getreden op 9 februari 2017.

2 Partiële wijziging onderdeel coffeeshops (verkoop softdrugs) en paragraaf Wet Bibob, in werking getreden op 10 februari 2017.

3 Punt A.5 van de Beleidsregels.

4 Punt A.6 en A.6a van de Beleidsregels.

5 Bekendgemaakt op 30 augustus 2011, Gemeenteblad van Utrecht 2011, nr. 55

6 Kamerstuk 2012/2013, 24077, nr. 293.

7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN9718.

8 Bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356.

9 Blad 7-4, Randvoorwaarden ligplaatsen [ligplaatsen] .

10 Het schip waarop [naam] de coffeeshop exploiteert.