Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5108

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
8689112 UE VERZ 20-246
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek wegens verstoorde verhouding afgewezen. Sprake van opzegverbod tijdens ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0929
AR-Updates.nl 2020-1497
TAR 2021/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8689112 UE VERZ 20-246 AS/31467

Beschikking van 20 november 2020

inzake

de overheidsinstelling

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen de gemeente,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. P.R.M. Berends-Schellens,

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. E.M.T. Korff, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de gemeente,

  • -

    het verweerschrift van [verweerster] , tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek,

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020. De gemeente heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Van hetgeen verder zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1971, is sinds 20 maart 2014 in dienst van de gemeente, laatstelijk als Medewerker Klantcontactcentrum (KCC). Per 20 maart 2015 is [verweerster] aangesteld in vaste dienst voor 24 uur per week. De aanstelling van [verweerster] is op grond van de Wet normalisering rechtspositie Ambtenaren (Wnra) per 1 januari 2020 van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst.

2.2.

[verweerster] is sinds 13 maart 2017 arbeidsongeschikt.

2.3.

[verweerster] heeft zich ziek gemeld wegens werkgerelateerde klachten. De bedrijfsarts heeft op 30 oktober 2017 vastgesteld dat er sprake is van een conflict dat partijen moeten oplossen en adviseerde eventuele beëindiging van de arbeidsrelatie. Partijen hebben vervolgens een poging gedaan om de arbeidsrelatie te beëindigen. [verweerster] heeft daarmee uiteindelijk niet ingestemd. In februari 2018 heeft de bedrijfsarts verklaard dat re-integratie niet conform de verwachtingen verloopt vanwege het conflict dat niet wordt opgelost. Daarom treedt er volgens de bedrijfsarts geen herstel op in de gezondheidssituatie van [verweerster] . Ook dit rapport leidde tot een uitnodiging van de gemeente om afscheid van elkaar te nemen. Dat is toch niet gelukt. In juli 2019 heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat de klachten van [verweerster] zijn toegenomen en dat zij een adequate psychologische behandeling moet krijgen en adviseerde tot hervatting van de psychologische behandeling. Die behandeling heeft [verweerster] gehad. Het laatste advies van de bedrijfsarts is van 11 september 2020. Daarin verklaart de bedrijfsarts dat [verweerster] ongeschikt is om een proces van selectie en werving te doorstaan en sollicitatiegesprekken te voeren. De behandeling is opgestart; daardoor zijn volgens de bedrijfsarts de hoop en verwachting er dat de geschiktheid voor werkzaamheden gaat toenemen. Volgens de bedrijfsarts heeft [verweerster] functionele beperkingen ten aanzien van concentratie, herinneren, omgaan met deadlines, productiepieken, onvoorspelbare situaties, hanteren van conflicten, en hanteren

van eigen en andermans emoties. Hij adviseert: onderhoud contact met elkaar. Hij kan geen prognose naar volledig herstel duiden.

2.4.

[verweerster] heeft naast de behandelingen bij de psychologen een traject bij stichting [naam stichting] gevolgd. Daarnaast heeft zij meegewerkt aan diverse onderzoeken in het kader van re-integratie in het tweede spoor. [verweerster] heeft in de periode oktober 2019 tot april 2020 re-integratiewerkzaamheden verricht bij de gemeente [gemeente 2] .

2.5.

De gemeente verzoekt nu om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden wegens duurzame verstoring van de arbeidsverhouding.

2.6.

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek. Haar meest verstrekkende verweer is dat sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte. Subsidiair, voor het geval de door de gemeente verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen, verzoekt [verweerster] om aan haar – naast de transitievergoeding die [verweerster] in ieder geval toekomt – een billijke vergoeding toe te kennen. Tevens verbindt zij hieraan enkele nevenvorderingen als achterstallig loon en schadevergoeding.

2.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

3 Wat vindt de kantonrechter ervan?

3.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van de gemeente is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. De gemeente heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW juncto artikel 669 lid 3, aanhef en onder g BW. Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

3.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Vast staat dat [verweerster] op dit moment arbeidsongeschikt is. Het opzegverbod tijdens ziekte is naar het oordeel van de kantonrechter dus van toepassing, hetgeen de gemeente ook heeft erkend. In afwijking hierop kan een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toch ingewilligd worden indien a) het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben, of b) er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen (artikel 7:671b lid 6 BW).

3.3.

De gemeente stelt dat sprake is van bedoelde uitzonderingen op het opzegverbod. Zij heeft alle correspondentie tussen partijen vanaf 2016 overgelegd en stelt dat het verzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid, maar met het langslepende en diepgaande conflict met [verweerster] dat in het najaar van 2016 is ontstaan. Volgens de gemeente verschillen partijen van mening over hoe zij zich ten opzichte van elkaar opstellen en hebben opgesteld. In de visie van de gemeente stelt [verweerster] zich ten onrechte op het standpunt dat zij onterechte kritiek heeft ontvangen op haar houding en gedrag, dat zij is gepest en onheus bejegend. [verweerster] heeft hierover tot de hoogste instantie (de Centrale Raad van Beroep) geprocedeerd en ongelijk gekregen. Hierdoor is de arbeidsrelatie onherstelbaar verstoord geraakt. De gemeente heeft zich ingespannen om de situatie te normaliseren en [verweerster] maximaal te ondersteunen in haar re-integratie, maar de onwrikbare houding van [verweerster] over wat zij meent dat redelijk is, houdt een oplossing tegen. Volgens de gemeente heeft ook de bedrijfsarts verklaard dat partijen bij voorkeur afscheid nemen van elkaar.

3.4.

[verweerster] betwist dat de hiervoor beschreven uitzonderingssituaties zich voordoen en doet een beroep op het opzegverbod tijdens ziekte.

3.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt het standpunt van de gemeente dat het verzoek tot ontbinding geen enkel verband houdt met de arbeidsongeschiktheid niet, althans onvoldoende, uit de overgelegde stukken. Tussen partijen staat niet ter discussie dat hun arbeidsverhouding voorafgaand aan de ziekmelding van [verweerster] , in maart 2017, niet rimpelloos was en dat sprake was van een conflict. Dat daarmee sprake is van een ernstige en duurzame verstoring die geen verband houdt met de ziekte, is niet aannemelijk geworden. De ziekmelding van [verweerster] is immers begonnen als een werkgerelateerd conflict en vervolgens zijn haar klachten verslechterd. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat het zwaartepunt van de verstoring in de periode ná de ziekmelding ligt. [verweerster] heeft diverse psychologische onderzoeken moeten ondergaan en blijft nog steeds arbeidsongeschikt. Het staat niet ter discussie dat het conflict heeft bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] . In dat licht kan dus niet worden gesteld dat de verstoring geen verband houdt met de ziekte van [verweerster] .

3.6.

Volgens de gemeente is onderdeel van de verstoring het wantrouwen dat [verweerster] jegens haar heeft en dat het haar, zo begrijp de kantonrechter, niet lukt dat wantrouwen weg te nemen. Welke concrete stappen zij daartoe heeft genomen is echter onvoldoende onderbouwd. De twee mediation gesprekken en de gesprekken met de gemeentesecretarissen acht de kantonrechter onvoldoende. Mediation in het beginstadium (2017) heeft de lucht tussen partijen kennelijk niet opgeklaard. Vervolgens is daar geen aandacht meer aangegeven, terwijl bij een arbeidsconflict mediation juist een goede bijdrage kan leveren. Dit ondanks het herhaalde advies van de bedrijfsarts om het conflict op te lossen. De gesprekken die de gemeentesecretaris met [verweerster] heeft gevoerd zijn niet aan te merken als serieuze poging om tot beëindiging van het conflict te komen. Zoals [verweerster] heeft gesteld en de gemeente niet of onvoldoende heeft weersproken, wilde de gemeentesecretaris niet inhoudelijk praten over het geschil. Iets waar [verweerster] juist behoefte aan had.

3.7.

Het is juist dat de bedrijfsarts in oktober 2017 heeft geadviseerd om de relatie te beëindigen, maar dit advies is nadien niet herhaald, althans het blijkt niet uit de overgelegde adviesrapporten van de bedrijfsarts. Wél heeft de bedrijfsarts steeds geadviseerd om het conflict op te lossen. Voor de gemeente kon het conflict kennelijk alleen worden opgelost door afscheid van elkaar te nemen. Immers, de gemeente heeft na ieder advies om het conflict op te lossen een voorstel tot beëindiging van het dienstverband gedaan. Dat [verweerster] die voorstellen, na onderhandelingen, heeft afgewezen, houdt (ook) verband met haar ziekte. [verweerster] leefde en leeft nog steeds in onzekerheid wat de prognose van haar medische klachten betreft. Dit volgt ook uit het meest recente advies van de bedrijfsarts van 11 september 2020. Dat [verweerster] onder deze omstandigheden niet zonder meer instemt met het beëindigen van haar dienstverband kan haar niet worden verweten. Dit levert geen redelijke grond voor ontbinding op en is in strijd met het opzegverbod. Het doel van het opzegverbod is immers om de werknemer te beschermen tegen het ontslag en de psychische druk die opzegging tijdens ziekte kan leveren.

3.8.

Verder heeft de gemeente onvoldoende onderbouwd waarom de stellingname van [verweerster] dat haar ziekte als beroepsziekte moet worden aangemerkt de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig heeft verstoord. De kantonrechter merkt overigens op dat gelet op hetgeen in deze procedure in het geding is gebracht niet gezegd kan worden dat er sprake was van abnormale of excessieve werkomstandigheden welke, objectief bezien, tot arbeidsongeschiktheid moesten leiden. Dit betekent echter niet dat [verweerster] , subjectief gezien, de omstandigheden op het werk niet als abnormaal of excessief heeft ervaren.

3.9.

De gemeente voert ook de omstandigheden rondom de re-integratie, zoals voorstellen van [verweerster] om een ander arbeidskundig en/of re-integratiebureau in te schakelen of doorverwijzing naar een psycholoog, aan als grond voor de verstoorde verhouding. Dat [verweerster] mondig genoeg is om voor zichzelf op te komen wanneer het gaat om haar arbeidsrechtelijke en medische belangen, leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding. Voor zover de gemeente meent dat [verweerster] daarmee haar re-integratieverplichtingen niet nakwam, heeft zij die stelling niet onderbouwd. Vast staat dat het juist de gemeente is die haar re-integratieverplichtingen onvoldoende is nagekomen. Dat is een reden geweest voor het UWV om haar een loonsanctie van 52 weken op te leggen.

3.10.

Ten slotte ligt er op dit moment, anders dan de gemeente doet voorkomen, géén advies van de bedrijfsarts waaruit kan worden afgeleid dat het einde van het dienstverband in het belang van [verweerster] zal zijn, althans het is niet overgelegd. Uit de voorgaande reeds besproken informatie uit het dossier kan ook niet de conclusie worden verbonden dat dat op dit moment het geval is.

3.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Verder zijn er geen omstandigheden vastgesteld die maken dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer hier en nu moet eindigen. De slotsom is dat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

3.12.

De gemeente wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden, tot deze beschikking, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 720,00.

3.13.

Aangezien het primaire verweer van [verweerster] slaagt, kunnen de subsidiaire verzoeken van [verweerster] buiten de behandeling blijven.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst het verzoek af;

4.2.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot deze beschikking begroot op € 720,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Reitsma, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken door mr. J.W. Wagenaar, kantonrechter, op 20 november 2020.