Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:508

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
UTR 19/1986
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW, ten onrechte verlaagd naar gehuwdennorm, beroep gegrond en zelf in de zaak voorzien, pkv en verzoek om vergoeding kosten voor verklaring van erfrecht afgewezen.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2020 in de zaak tussen

de erven van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] , eisers,

en

de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. O. Vonk).

Inleiding

Betrokkene, geboren op [1933] , is op [1963] gehuwd met

[echtgenote] (verder: de echtgenote). Zij ontvingen beiden een pensioen van verweerder op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Op 6 oktober 2008 heeft betrokkene bij verweerder doorgegeven dat de woonsituatie is gewijzigd en hij gescheiden leeft van zijn echtgenote. Na tussenkomst van de accountant heeft verweerder geconcludeerd dat betrokkene en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven. Om die reden heeft verweerder de pensioenen van betrokkene en zijn echtgenote verhoogd naar de norm voor een alleenstaande. Dit heeft verweerder in aparte besluiten van 21 november 2008 medegedeeld.

Verweerder heeft in 2018, zonder aanleiding of signaal, een onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van betrokkene en zijn echtgenote. Verweerder heeft betrokkene telefonisch gesproken. Verweerder heeft zijn echtgenote thuis bezocht en met haar gesproken. Op basis van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat betrokkene en zijn echtgenote weliswaar apart wonen, maar niet duurzaam gescheiden leven. Om die reden heeft verweerder in twee aparte besluiten van 26 oktober 2018 de pensioenen van betrokkene en zijn echtgenote per november 2018 verlaagd naar de norm voor een gehuwde.

Betrokkene en zijn echtgenote zijn het hier niet mee eens en zij hebben beiden apart bezwaar gemaakt. In twee aparte besluiten van 4 april 2019 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Dat betekent dat verweerder de verlaging van de pensioenen per november 2018 in stand houdt.

Betrokkene en zijn echtgenote zijn het hier niet mee eens en hebben ieder apart beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De beroepen van betrokkene en zijn echtgenote zijn samen op 30 september 2019 op zitting behandeld. Op de zitting zijn betrokkene en zijn echtgenote vertegenwoordigd door mr. G.J. de Kaste als hun gemachtigde, vergezeld door [A] , dochter van betrokkene en zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in beide beroepszaken gesloten.

In de beroepszaak van de echtgenote heeft de rechtbank op 11 november 2019 uitspraak gedaan, ECLI:NL:RBMNE:2019:5185. Op diezelfde dag heeft de rechtbank het onderzoek in de beroepszaak van betrokkene heropend, omdat op de zitting is gebleken dat betrokkene inmiddels was overleden en de rechtbank op basis van de beschikbare stukken niet heeft kunnen vaststellen of het beroep van betrokkene door een daartoe bevoegd persoon werd voortgezet of ingetrokken.

Desgevraagd heeft de dochter van betrokkene, [A] , op 31 december 2019 namens de erven laten weten de zaak te willen voortzetten. Zij heeft een verklaring van erfrecht en een volmacht overgelegd. Daarbij heeft [A] verzocht om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor het opvragen van de verklaring van erfrecht.

Verweerder heeft op 24 januari 2020 op dit verzoek gereageerd.

De rechtbank heeft partijen op 30 januari 2020 medegedeeld voornemens te zijn om zonder een nadere zitting uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen vier weken aangeeft mondeling op een zitting te willen worden gehoord.

Met instemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek heden gesloten.

De standpunten van partijen

1. Namens betrokkene is gesteld dat uit de feiten en omstandigheden blijkt dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Betrokkene heeft al jaren niet meer met zijn echtgenote samengeleefd. Deze situatie is ontstaan door de medische aandoening van betrokkene. Hij was genoodzaakt alleen te gaan wonen. Ter onderbouwing heeft betrokkene gewezen op de schriftelijke verklaringen van betrokkene zelf, van zijn huisarts en van zijn KNO-arts. Verweerder mag op basis van zijn eigen beleid dan niet terugkomen van het eerdere besluit uit 2008, aldus betrokkene.

2. Volgens verweerder is het eerdere besluit uit 2008, om betrokkene en zijn echtgenote als duurzaam gescheiden levend aan te merken, fout geweest. Uit de stukken en de uitleg van betrokkene blijkt volgens verweerder dat hij vanwege zijn medische aandoening alleen is gaan wonen. Hieruit concludeert verweerder dat deze situatie weliswaar ongewild en onomkeerbaar is, maar dat toch beleidsregel SB1002 niet van toepassing is. Verweerder legt hieraan ten grondslag het feit dat betrokkene niet in een verpleeginstelling verblijft. Ook ziet verweerder geen aanknopingspunten om de situatie daarmee gelijk te stellen. Met name het feit dat betrokkene niet in een aangepaste woning woont en geen permanente (specialistische) zorg ontvangt, zijn daarvoor voor verweerder doorslaggevend. Uitgaande van de feitelijke leefsituatie van betrokkene en zijn echtgenote is volgens verweerder sprake van een echtelijke samenleving.

Het wettelijk kader

3. Op grond van artikel 1, derde lid, van de AOW wordt als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4. Volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is onder meer sprake van duurzaam gescheiden leven in de volgende situatie. De echtelijke samenleving is verbroken door een daadwerkelijk beletsel voor voortzetting van de echtelijke samenleving en het is niet de verwachting dat de situatie binnen korte tijd zo zal wijzigen, dat partijen weer kunnen samenleven; ook moet het niet zo zijn dat een of beide partijen deze toestand hebben gewild. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7884.

5. In aansluiting op de onder 4 genoemde rechtspraak hanteert verweerder de beleidsregel Huwelijk en duurzaam gescheiden leven (SB1002). Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald:

De SVB merkt gehuwden als duurzaam gescheiden levend aan indien:

  • -

    er sprake is van een door (een van) de echtgenoten gewilde en als bestendig bedoelde situatie waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat beiden een afzonderlijk leven leiden alsof er geen huwelijk was, of

  • -

    er sprake is van een door de echtgenoten ongewilde situatie waarbij de samenleving onmogelijk is geworden en feitelijk en (naar gangbare objectieve maatstaven beoordeeld) permanent is verbroken. Als beide echtgenoten in deze situatie echter aangeven dat zij als gehuwd willen worden aangemerkt dan respecteert de SVB deze wens. Daarbij is niet van belang of betrokkenen zich nog als echtgenoten gedragen en presenteren. Op een rechtens onaantastbare beschikking waarin is vastgesteld dat sprake is van duurzaam gescheiden leven komt de SVB uitsluitend terug indien sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht of indien de beschikking onmiskenbaar onjuist moet worden geacht zoals bedoeld in SB1076 over terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende.

Indien een van de echtgenoten voor langere tijd wegens verpleging is opgenomen in een instelling, maar deze situatie niet op voorhand als onomkeerbaar is aan te merken, slaat de SVB bij de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven ook acht op andere factoren, die erop duiden dat niet de wil bestaat tot verbreking van de echtelijke samenleving. Te denken valt aan regelmatig contact en gemeenschappelijke financiën.

De beoordeling van de rechtbank

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene en zijn echtgenote ongewild hun samenleving feitelijk hebben verbroken en dat deze situatie als onomkeerbaar is aan te merken. Betrokkene is in 2008 namelijk apart gaan wonen van zijn echtgenote vanwege zijn medische aandoening en daarin was geen zicht op verandering of verbetering.

7.
Tussen partijen is in geschil of de in de Beleidsregel SB1002, tweede gedachtestreepje, en rechtspraak genoemde uitzonderingssituatie van toepassing is.

8. De rechtbank oordeelt dat verweerder in de besluitvorming niet toereikend heeft onderzocht en gemotiveerd dat in het geval van betrokkene en zijn echtgenote deze uitzonderingssituatie niet van toepassing is. Verweerder heeft de situatie van betrokkene vergeleken met een verpleeghuissituatie. Op zitting heeft verweerder verklaard dat het tweede gedachtestreepje van de beleidsregel SB1002 (zoals hierboven weergegeven), ziet op de situatie dat één van de echtelieden is opgenomen in een verpleeginstelling. Die lezing ziet de rechtbank niet terug in de betreffende beleidsregel en bovengenoemde rechtspraak van de CRvB. Uitgaande daarvan, had verweerder moeten beoordelen of er gezien de medische aandoening van betrokkene sprake is van een daadwerkelijk beletsel of een onmogelijkheid om samen te leven. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend. Verweerder heeft dus niet toereikend gemotiveerd dat er sprake is van een grond om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 21 november 2008. Dat sprake is geweest van een onmiskenbaar onjuiste beslissing, ziet de rechtbank in de gegeven motivering niet. Gelet hierop is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet toereikend gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen. Dat betekent dat de rechtbank de besluiten van verweerder tot verlaging van het AOW-pensioen van betrokkene ongedaan maakt. De rechtbank ziet in de dossierstukken en wat op de zitting is gezegd namelijk voldoende aanknopingspunten om te concluderen dat er gezien de medische aandoening van betrokkene sprake was van een daadwerkelijk beletsel dan wel een onmogelijkheid om samen te leven en dat de situatie van betrokkene en zijn echtgenote aan te merken is als duurzaam gescheiden leven. Uit de schriftelijke verklaringen van betrokkene van 6 oktober 2008 en 10 november 2018 blijkt dat hij vanaf 1999 ernstige gehoorzenuw- en als gevolg daarvan psychische klachten had. Zijn behandelaars uit het LUMC hebben hem geadviseerd apart te gaan wonen, welk advies hij heeft opgevolgd. Hij is in een aangepaste, geluiddichte, flat gaan wonen en alles wat hij nodig had werd besteld en bezorgd. Deze verklaringen kloppen met de brief van de huisarts [huisarts] van 21 november 2018. De huisarts bevestigt dat betrokkene een gehoor- en evenwichtsstoornis heeft, waardoor hij fysiek achteruit gaat en buitengewoon heftig reageert op harde geluiden. Ten slotte bevestigt KNO-arts prof. em. dr. dr. [KNO-arts] in zijn brief van 14 november 2018 de ernst van de gehoor- en evenwichtsklachten en de noodzaak apart te gaan wonen. [A] heeft op de zitting tenslotte verklaard dat haar vader geen geluid meer kon verdragen en genoodzaakt was in isolement te leven. Naar het oordeel van de rechtbank moet hieruit geconcludeerd worden dat de echtelijke samenleving door de medische aandoening van betrokkene feitelijk onmogelijk is geworden en als permanent verbroken dient te worden aangemerkt. Gelet op wat in de beleidsregel is bepaald, wordt aan een beoordeling van de andere factoren, zoals regelmatig onderling contact en gemeenschappelijke financiën, dan niet meer toegekomen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan (de erven van) betrokkene het door hem betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Allereerst omdat de beroepschriften tegen de bestreden besluiten gevoegd ter zitting zijn behandeld. En ook omdat de rechtsbijstand in de beroepszaken door dezelfde gemachtigde is verleend. Verder geldt dat de werkzaamheden in de beide beroepszaken identiek zijn geweest, nu de gemachtigde voor beide beroepszaken nagenoeg gelijkluidende beroepschriften, met identieke gronden, heeft ingediend. Ook voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase geldt dat deze voor beide zaken identiek was. Daarom worden de beroepszaken voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor de door eiser ingeschakelde rechtsbijstand, beschouwd als één zaak. Omdat de rechtbank verweerder in de uitspraak van 11 november 2019 in de beroepzaak van de echtgenote reeds heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep voor de door betrokkene en zijn echtgenote ingeschakelde rechtsbijstandsverlener, zal de rechtbank in de zaak van betrokkene niet ook een proceskostenveroordeling uitspreken.

Verzoek om vergoeding van de kosten voor de verklaring van erfrecht

12. [A] heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor de verklaring van erfrecht, te weten € 735,95. Deze verklaring is op verzoek van de rechtbank overgelegd, zodat de rechtbank kon beoordelen of [A] bevoegd is namens de erven van betrokkene het beroep voort te zetten. Als verweerder meteen een juist besluit had genomen, zo redeneert [A] , hadden deze kosten niet gemaakt hoeven worden.

13. Voor zover hiermee bedoeld is om vergoeding van kosten te vorderen op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb geen grond om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor de verklaring van erfrecht. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet geconcludeerd worden dat de kosten voor de verklaring van erfrecht zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. De kosten voor de verklaring van erfrecht zijn namelijk geen rechtstreeks en voorzienbaar gevolg van de beroepsprocedure bij de rechtbank. Deze kosten vloeien voort uit het overlijden van betrokkene en behoren tot de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk te maken kosten bij een overlijden. Dat deze kosten in het geval van betrokkene enkel en alleen op verzoek van de rechtbank zijn gemaakt, maakt dat niet anders. Ook voorziet het Bpb niet in vergoeding van dergelijke kosten.

14. Voor zover [A] hiermee heeft bedoeld een verzoek om schadevergoeding in te dienen op grond van artikel 8:88 en verder van de Awb, ziet de rechtbank hierin ook geen grond om verweerder te veroordelen tot vergoeding van deze kosten. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446).

15. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. Daarmee is de onrechtmatigheid van het vernietigde besluit van 4 april 2019 op zichzelf beschouwd een gegeven. De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt, is of tussen dat besluit enerzijds en de door [A] geclaimde schade anderzijds een oorzakelijk verband bestaat. De rechtbank ziet dat oorzakelijk verband hier niet. [A] heeft de kosten voor de verklaring van erfrecht op verzoek van de rechtbank gemaakt, om na het overlijden van betrokkene de beroepsprocedure voort te zetten. De kosten zijn niet het rechtstreekse gevolg van het onrechtmatige besluit van verweerder, maar het gevolg van het overlijden van betrokkene gedurende de beroepsprocedure. Dan bestaat er geen oorzakelijk en voorzienbaar verband tot het onrechtmatige besluit van verweerder. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 april 2019;

- herroept het primaire besluit van 26 oktober 2018;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit van

4 april 2019;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan (de erven van) betrokkene te vergoeden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Braaksma, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.