Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5029

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
8698127 UE VERZ 20-251 PK/1097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er (nog steeds) sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en verweerder tevens aanspraak kan maken op de zogenaamde klokkenluidersbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8698127 UE VERZ 20-251 PK/1097

Beschikking van 18 november 2020

inzake

de stichting

[verzoeker] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. P.F. van den Brink,

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.C. Janus-Maaskant.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 7 augustus 2020;

  • -

    het verweerschrift van [verweerster] van 28 september 2020;

  • -

    de nagezonden productie van [verzoeker] van 5 en 6 oktober 2020;

  • -

    de nagezonden producties van [verweerster] van 2 en 6 oktober 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden. Namens [verzoeker] zijn verschenen: de beide leden van de Raad van Toezicht, de heren [A] en [B] . [verweerster] is in persoon verschenen, vergezeld van haar partner de heer [C] . De gemachtigden van beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is een nationaal opleidingsinstituut voor de [branche] . Sinds 1950 verzorgt zij technische opleidingen.

[verweerster] , geboren op [1964] , is sinds 1 januari 2018 in dienst van [verzoeker] , laatstelijk als directeur, tevens statutair bestuurder. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Het basissalaris van [verweerster] bedroeg laatstelijk

€ 7.829 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was [verweerster] ("de directie") de enige bestuurder van [verzoeker] . Op grond van de statuten is de directie belast met het bestuur van de stichting, en heeft de Raad van Toezicht (RvT) tot taak toezicht te houden op het beleid en op de algemene gang van zaken in de stichting, geeft hij advies aan de directie en richt hij zich naar het belang van de stichting. Voorts bepalen de statuten dat [verzoeker] een college heeft, bestaande uit tenminste vier natuurlijke personen, die door het college worden benoemd op bindende voordracht van de stakeholders namens wie hij zitting neemt in het college. Het college heeft tot taak toezicht te houden op het functioneren van de RvT.

Ten tijde van het indienen van het verzoekschrift bestond de RvT uit twee personen: de heren [D] en [E] .

2.2.

In 2018 heeft een aantal autoschadeherstelbedrijven in samenwerking met [opleidingsinstituut 1] (een vennootschap van de heer [F] ) een eigen particuliere opleiding voor schadeherstellers opgezet: [opleidingsinstituut 2] (hierna: [opleidingsinstituut 2] ). Op 1 januari 2020 is overeenstemming bereikt over een overname door [verzoeker] van [opleidingsinstituut 2] . De door [verzoeker] overgenomen opleidingen zijn ondergebracht in de op 20 februari 2020 opgerichte dochteronderneming van [verzoeker] , [dochteronderneming] . Omdat [verzoeker] bestuurder was van [dochteronderneming] , was [verweerster] feitelijk bestuurder van [dochteronderneming] .

2.3.

Tussen [verzoeker] / [dochteronderneming] en [opleidingsinstituut 2] is een geschil over de samenwerking ontstaan, alsmede een geschil over betalingen die [dochteronderneming] volgens [opleidingsinstituut 2] ( [F] ) aan [opleidingsinstituut 2] / [F] / [BV] B.V. verschuldigd zou zijn.

2.4.

Op 29 april 2020 heeft [verweerster] een uitgebreide notitie aan het college doen toekomen waarin zij onder meer haar ernstige zorgen uitspreekt over volgens haar met [verzoeker] tegenstrijdige belangen van [D] en [E] .

2.5.

In de vroege ochtend van 28 mei 2020 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. Zij is nog steeds arbeidsongeschikt.

2.6.

Bij e-mailbericht van 28 mei 2020 van 13:07 uur heeft de advocaat van [verzoeker] aan [verweerster] meegedeeld dat [verzoeker] haar ziekmelding volledig respecteert, en voorts dat sprake is van een onhoudbare en onwerkbare situatie, op grond waarvan [verzoeker] genoodzaakt is [verweerster] met onmiddellijke ingang "vrij te stellen van werk", met directe afsluiting van toegang tot alle bedrijfsmiddelen.

2.7.

Per 4 september 2020 bestaat de RvT niet langer uit [D] en [E] maar uit [A] en [B] .

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub g Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen: volgens [verzoeker] is de arbeidsrelatie tussen partijen zodanig verstoord dat van [verzoeker] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2.

[verzoeker] voert daartoe het volgende aan.

[verweerster] is niet in staat gebleken de financiële positie van [verzoeker] te verbeteren, de financiële administratie deugdelijk te organiseren en de RvT steeds tijdig, volledig en adequaat over de financiële situatie van [verzoeker] te informeren. Zij is evenmin in staat gebleken het conflict met [F] met betrekking tot [dochteronderneming] te beheersen en de RvT te melden dat hij had aangekondigd het faillissement van [dochteronderneming] aan te vragen en [verzoeker] als bestuurder van [dochteronderneming] aansprakelijk te stellen. [verweerster] heeft verder nagelaten het opleidingsaanbod van [verzoeker] te innoveren, wat heeft geresulteerd in de opkomst en snelle groei van een concurrerend instituut ( [opleidingsinstituut 2] ). Zij heeft de voor de continuïteit van [verzoeker] cruciale samenwerking met [opleidingsinstituut 2] laten ontsporen, waardoor [opleidingsinstituut 2] heeft aangekondigd geen opleidingen meer bij [verzoeker] te zullen inkopen zolang zij bestuurder is. Door de afspraken die met de RvT waren gemaakt op 16 april 2020 over een mogelijke oplossing voor de vertrouwensbreuk tussen [verzoeker] en [opleidingsinstituut 2] naast zich neer te leggen en haar eigen koers te varen, heeft zij de vertrouwensband met de RvT opgeblazen.

Voorts heeft zij een klacht over de RvT ingediend bij het college en daarmee aangestuurd op het ontslag van de leden van de RvT, welke klacht ongegrond is verklaard. Door haar directe stijl van communiceren laat zij geen ruimte voor creativiteit en initiatief van de medewerkers en heeft zij een angstcultuur bij de medewerkers teweeggebracht. Verder heeft zij de ondernemingsraad buitenspel gezet door het adviesrecht bij het aangaan van de samenwerking met [opleidingsinstituut 2] te negeren. Tenslotte stelt [verzoeker] dat [verweerster] het vertrouwen van de RvT heeft beschaamd door heimelijk een audio-opname te maken van het overleg van 14 april 2020.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert verweer en beroept zich op de volgende gronden:

  1. [verzoeker] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek;

  2. de RvT is inmiddels volledig vervangen, dus er is geen sprake (meer) van een verstoorde arbeidsrelatie;

  3. er is sprake van een opzegverbod wegens ziekte;

  4. zij maakt aanspraak op de klokkenluidersregeling.

4.2.

Indien het ontbindingsverzoek toch zou worden toegewezen verzoekt [verweerster] vaststelling van de transitievergoeding op € 8.225,86 en toekenning van een billijke vergoeding van € 200.000 bruto. Verder verzoekt zij om toekenning van de volledige proceskosten, ten tijde van de indiening van het verzoekschrift begroot op € 12.555 exclusief btw.

5 De beoordeling

Moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek?

5.1.

Volgens [verweerster] moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek. In het verzoekschrift voert [verzoeker] aan dat zij als bestuurder de vertegenwoordiger van [verzoeker] is. Nu het ontbindingsverzoek niet door [verweerster] is ingediend (het richt zich juist tegen haar), wordt [verzoeker] niet rechtsgeldig vertegenwoordigd en dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard. [verzoeker] brengt hiertegen in dat op grond van de statuten de bevoegdheid tot ontslag bij de RvT ligt, en dat deze procedure daarvan een uitvloeisel is. Om discussie te voorkomen is alsnog met spoed een andere bestuurder benoemd, de heer [G] . [verzoeker] heeft een procesvolmacht overgelegd die door hem is ondertekend. In deze volmacht geeft hij de beide leden van de RvT, [A] en [B] , volmacht om in hun hoedanigheid van leden van de RvT [verzoeker] in deze procedure te vertegenwoordigen.

5.2.

Dit verweer van [verweerster] faalt. [verzoeker] heeft op de zitting terecht gewezen op artikel 11 lid 2 van de statuten. Daarin is bepaald dat een directielid niet deelneemt aan de beraadslaging en zich van stemming onthoudt over een directiebesluit indien hij bij het onderwerp daarvan direct of indirect belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting, en dat in het geval daardoor geen directiebesluit kan worden genomen of de directie bestaat uit één persoon, een dergelijk besluit genomen wordt door RvT. Deze situatie doet zich hier voor.

Is het verzoek toewijsbaar?

5.3.

Volgens artikel 7:699 lid 3, aanhef en onder g BW, in verbinding met artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW, bestaat een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wanneer sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter moet het verzoek worden afgewezen omdat de hierboven onder b en d genoemde verweren opgaan: [verzoeker] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat (nog steeds) sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, en voorts kan [verweerster] aanspraak maken op de zogenaamde klokkenluidersbescherming.

Hieronder zal worden uiteengezet waarom dat zo is.

Er is geen sprake van een verstoorde arbeidsrelatie

5.5.

[verzoeker] voert bijzonder veel feiten en omstandigheden aan, maar de kantonrechter kan daarover vrij kort zijn. Veel verwijten zijn inhoudelijk van aard en betreffen de vraag of [verweerster] wel of niet naar behoren functioneert. Disfunctioneren is echter niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd en of deze verwijten terecht zijn voorgedragen kan dus buiten beschouwing blijven. [verzoeker] heeft echter ook gesteld dat door dit slechte functioneren het vertrouwen in [verweerster] is weggevallen en dat daardoor de arbeidsrelatie ernstig duurzaam is verstoord. [verweerster] voert hier echter tegen aan dat de verstoring van de arbeidsrelatie tussen haar en de RvT nooit onderwerp van bespreking is geweest. Zij stelt terecht dat zij dat wel had mogen verwachten. Zij wijst er tevens op dat er geen functionerings- en/of beoordelingsgesprekken hebben plaatsgevonden. Ook dit had wel van [verzoeker] mogen worden verwacht. Het dienstverband heeft tot aan de ziekmelding van [verweerster] op 28 mei 2020 immers meer dan 2 jaar geduurd. Bij een dergelijk tijdsverloop ligt het voor de hand - zeker bij een functie als die van [verweerster] - dat functionerings- en/of beoordelingsgesprekken zouden zijn gevoerd. Hierbij is van belang dat de verwijten van [verzoeker] al teruggegaan tot eind december 2018.

5.6.

De kantonrechter neemt hierbij verder in aanmerking dat het wel duidelijk is dat er sprake was van grote meningsverschillen en wrijving tussen [verweerster] en de toenmalige leden van de RvT [D] en [E] , maar dat die terug te voeren waren op de persoon van beide heren. Volgens [verweerster] handelden zij bij de uitvoering van hun taak als RvT immers mede uit zakelijk eigenbelang liepen zij haar daarbij voor de voeten bij het uitoefenen van haar functie, en waren zij daarin niet transparant. Zij heeft dit uitgebreid toegelicht in haar melding van 29 april 2020 aan het college (productie N verweerschrift).

5.7.

Ten eerste blijkt uit de reactie van het college van 26 mei 2020 (productie 36 verzoekschrift) dat het college - onder verwijzing naar het daags tevoren ontvangen advies van [I] - kennelijk niet van oordeel was dat sprake is van een onwerkbare situatie: "Wij zien op dit moment geen aanleiding om als college per direct in te grijpen in de bestaande governance en bemensing". Weliswaar schrijft het college later, in een e‑mailbericht van 24 juli 2020 (productie 37 verzoekschrift), dat "op basis van de verstrekte informatie aan het College door mw [verweerster] , er sprake was en is van een verstoorde arbeidsrelatie tussen de Raad van Toezicht en mw. [verweerster] ", maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. In diezelfde e-mail schrijft het college immers dat het vanwege privacygevoelige onderdelen het onderzoeksrapport van [I] niet kan toesturen aan de RvT of derden. De kantonrechter kan deze wijziging in het standpunt daarom niet beoordelen. Waarom het college van standpunt is veranderd heeft [verzoeker] niet nader toegelicht.

5.8.

Ten tweede is van belang dat [D] en [E] per 4 september 2020 als leden van de RvT zijn opgevolgd door [A] en [B] (waarbij zij overigens op de zitting desgevraagd niet hebben kunnen toelichten op wiens initiatief dit is gebeurd (is sprake is geweest van opzegging door het college, aftreding of anderszins?). [verweerster] heeft, onbetwist door [verzoeker] , gesteld dat zij met de beide nieuwe leden van de RvT "geen geschiedenis heeft". Indien al een zodanig verstoorde arbeidsrelatie tussen [verweerster] en de oude RvT zou moeten worden aangenomen dat deze ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, dan valt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien waarom de arbeidsrelatie ook met de nieuwe RvT op dezelfde wijze verstoord is. Zoals hiervoor vermeld hadden de problemen in de samenwerking immers in hoofdzaak te maken met de persoon van de beide leden van de toenmalige RvT. Hier komt nog bij dat er slechts één gesprek (van ongeveer een uur, welk gesprek [A] ook nog eens vroegtijdig heeft verlaten) is geweest tussen [verweerster] en de beide leden van de nieuwe RvT. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden had het echter op de weg van de RvT gelegen nader onderzoek te plegen en overleg te voeren met [verweerster] over de mogelijkheid de arbeidsverhouding voort te zetten. Ook de door [verweerster] voorgestelde mediation heeft de RvT bovendien afgewezen.

5.9.

[verzoeker] voert ook nog aan dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie omdat [verweerster] een angstcultuur onder de personeelsleden zou hebben gecreëerd. Zij verwijst daartoe naar een door haar overgelegd "Onderzoeksrapport Stand van Zaken [verzoeker] " (productie 47 verzoekschrift), opgesteld door [H] . Dit rapport bestaat voor een groot gedeelte uit inhoudelijke kritiek op het functioneren van [verweerster] . Dat laat de kantonrechter echter buiten beschouwing omdat disfunctioneren niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag is gelegd. Verder vermeldt het rapport dat sprake zou zijn van een angstcultuur onder het personeel, maar dat verwijt is slechts in algemene termen gesteld en niet voorzien van concrete voorbeelden. Bovendien is [verweerster] niet in de gelegenheid gesteld haar mening te geven.

5.10.

Ook het verwijt dat de relatie met de ondernemingsraad door toedoen van [verweerster] verstoord is geraakt heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt. [verweerster] zou het adviesrecht van de ondernemingsraad hebben genegeerd met betrekking tot de samenwerking met [opleidingsinstituut 2] . [verzoeker] verwijst daartoe naar een e-mailbericht van de secretaris van de ondernemingsraad van 19 juli 2020. In dat e-mailbericht is die onderbouwing echter niet te lezen. Wel schrijft de secretaris dat "vrij recent is geprobeerd de Ondernemingsraad uit te schakelen" en "wij geconfronteerd (zijn) met een poging van de bestuurder ( [verweerster] ( [verweerster] , kantonrechter)), in onze visie op oneigenlijke gronden, om de personeelsvertegenwoordiging aanzienlijk te beperken". Volgens [verweerster] was er wel discussie over de bevoegdheid van de ondernemingsraad, omdat in de ondernemingsraad volgens haar - in strijd met het reglement – leden zitting hebben die geen personeelslid zijn van [verzoeker] .

[verzoeker] vermeldt ook een brief van de ondernemingsraad van 19 juni 2020 aan het college, waarin staat dat de werknemers bij voorkeur onder leiding van de directeur ad interim [H] willen blijven werken, maar dit is bij gebreke van een nadere concrete onderbouwing onvoldoende om veel gewicht in de schaal te leggen.

5.11.

Tenslotte heeft [verzoeker] [verweerster] nog verweten heimelijk een audio-opname van bespreking met de RvT van 20 april 2020 te maken. [verweerster] heeft echter betwist dat zij dit gedaan heeft. Onvoldoende is komen vast te staan dat dit verwijt terecht is.

5.12.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat sprake is van een ernstig en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

[verweerster] kan zich beroepen op de klokkenluidersregeling

5.13.

Volgens [verweerster] kan zij zich beroepen op de klokkenluidersregeling van artikel 7:658 c BW omdat zij een misstand aan de kaak heeft gesteld waardoor het goed functioneren van [verzoeker] in gevaar kon komen: zij heeft op 29 april 2020 een melding gedaan bij het college over het handelen van de toenmalige leden van de RvT [D] en [E] .

5.14.

Volgens [verzoeker] komt aan [verweerster] deze bescherming niet toe omdat [verweerster] geen melding heeft gedaan, en daardoor kan er geen sprake zijn van enige benadeling van haar vanwege een melding.

Dit standpunt is onjuist. De brief van [verweerster] van 29 april 2020 aan het college dient als zo'n melding te worden aangemerkt. Die brief betrof immers het handelen van de leden van de RvT. Het valt niet in te zien bij welk ander orgaan van [verzoeker] [verweerster] die melding had moeten doen. Op grond van de statuten is het immers de taak van de RvT om toezicht te houden op het beleid van de directie, dus van [verweerster] zelf, en is alleen het college het orgaan van [verzoeker] dat toezicht houdt op het functioneren van de RvT, en (zo nodig) de RvT kan ontslaan.

5.15.

[verzoeker] voert verder aan dat sprake moet zijn van een evident en structureel aanwezige misstand waarbij het maatschappelijk belang in het geding is, en dat de bescherming duidelijk niet bedoeld is voor persoonlijke klachten of persoonlijke aangelegenheden.

Ook hieraan gaat de kantonrechter voorbij. In haar (zeer uitgebreide en met voorbeelden onderbouwde) melding stelt [verweerster] immers dat [D] en [E] "dubbele petten op hadden" in die zin dat zij zakelijke eigenbelangen hadden buiten [verzoeker] en dat zij zich bij hun taakvervulling mede door die belangen lieten leiden. Verder stelt zij in haar melding onder meer dat [D] en [E] er steeds maar op aandrongen dat [dochteronderneming] de "oude opleidingen" van vóór 1 januari 2020 van [opleidingsinstituut 1] zou overnemen (wat aan kosten € 295.000 zou betekenen), terwijl contractueel was overeengekomen dat [dochteronderneming] alleen voor opleidingen van ná 1 januari 2020 verantwoordelijk zou zijn. Ter zitting heeft zij dit aldus nader toegelicht dat zij zonder deugdelijke rechtsgrond [verzoeker] geen financiële verplichtingen wil en mag laten aangaan, dat het daarbij gaat om subsidiegelden en gelden verstrekt door de betrokken belangenorganisaties, en dat [dochteronderneming] de opleidingen van vóór 1 januari 2020 niet eens kan overnemen omdat het volgens de voorschriften van het Ministerie [opleidingsinstituut 1] is die moet examineren.

5.16.

[verzoeker] heeft één en ander niet of nauwelijks weersproken. Zij heeft er in feite mee volstaan te verwijzen naar de conclusies van het onderzoek dat [I] in opdracht van het college heeft uitgevoerd. Nu dat onderzoek niet is overgelegd, en de verwijten van [verweerster] ook overigens onvoldoende gemotiveerd zijn weerlegd, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een vermoeden van een misstand gebaseerd op redelijke gronden, en dat tevens sprake is van een maatschappelijk belang (schending van een wettelijk voorschrift door subsidiegelden aan te willen wenden voor andere doeleinden dan waarvoor deze zijn toegekend, en een gevaar voor het goed functioneren van een onderneming door een onbehoorlijke wijze van handelen).

5.17.

[verzoeker] voert ook nog aan dat geen sprake is van benadeling van [verweerster] . Ook dit is echter onjuist: [verzoeker] heeft de melding van [verweerster] aan het college immers uitdrukkelijk aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd.

5.18.

Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. [verzoeker] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden, tot deze beschikking, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 720. [verweerster] heeft verzocht [verzoeker] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten te veroordelen (tot aan de zitting een bedrag van € 12.555 exclusief btw) omdat het ontbindingsverzoek is ingediend om haar onder druk te zetten een vaststellingsovereenkomst te tekenen, onder de aankondiging dat het verzoek vlak voor de zitting nog ingetrokken kon worden. De kantonrechter zal hier niet toe overgaan, reeds omdat het verzoek inhoudelijk is behandeld. Van misbruik van procesrecht of een daarmee gelijk te stellen situatie is dan geen sprake.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

  • -

    veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot deze beschikking begroot op € 720;

  • -

    verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020 door mr. J.O. Zuurmond.