Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5026

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
511227 / HA RK 20-257
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Wrakingsverzoek ongegrond. De afwijzing van het verzoek tot uitstel is een procesbeslissing. Geen sprake van vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 511227 / HA RK 20-257

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 17 november 2020

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 20 oktober 2020 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek van verzoeker gericht tegen mr. J.R. van Es-de Vries, kinderrechter bij deze rechtbank;

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. J.R. van Es-de Vries van 27 oktober 2020.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 3 november 2020 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling is verschenen mevrouw [A] namens de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: GI). Mr. J.R. van Es-de Vries heeft de zitting bijgewoond via een telefonische verbinding. Verzoeker is, hoewel op juiste wijze opgeroepen, niet verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.R. van Es-de Vries als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer C/16/509560 / JE RK 20-1920. In deze zaak heeft de GI verzocht tot wijziging van de zorgregeling tussen de vader (verzoeker) en de kinderen.

2.2.

Hieronder wordt geciteerd uit het proces-verbaal van de zitting 20 oktober 2020. Hieruit blijkt hetgeen verzoeker ten grondslag heeft gelegd aan zijn wrakingsverzoek:

“Rechter:

(…) De vader heeft een uitstelverzoek gedaan. U wilde graag uitstel omdat er een gesprek gepland stond over het functioneren van de gezinsvoogd. Dat gesprek is verplaatst naar 30 oktober. De rechtbank acht het ook in het belang van de kinderen dat de zitting vandaag plaats zal vinden.

(…)

Vader:

Dit soort dingen is een van de vele dingen die misgaan. De kinderen worden contant

gehersenspoeld. Het klachtgesprek staat al sinds augustus gepland. Ik ga u wraken als u een

uitspraak geeft vandaag.”

Hierop volgt de inhoudelijke behandeling van de zaak. Aan het einde van de zitting volgt het wrakingsverzoek:

“Rechter:

Ik heb verder geen aanvullingen.

Vader:

Gaat u nu uitspraak doen aan de hand van de informatie die u vandaag heeft gehoord?

Rechter:

Ik heb u gehoord.

Vader:

Ik wil eerst het klachtgesprek afwachten. Ik heb nadrukkelijk gevraagd de gezinsvoogd te schorsen. Op 24 september kwam pas het verzoek binnen voor deze zitting. Wat de gezinsvoogd vandaag verteld heeft is niet rechtsgeldig wat mij betreft. Ik ga een verzoek

indienen voor het wijzigen van de gezinsvoogd.

Rechter:

Over ongeveer twee weken komt mijn beslissing.

Vader:

Dan moet ik u toch wraken. Eerst moet eerst een klachtgesprek plaatsvinden.

Rechter:

We nemen op als reden voor de wraking dat u wil dat er eerst een klachtgesprek bij de GI

moet plaatsvinden en dat daarna pas uitspraak kan worden gedaan. Het klachtgesprek staat

gepland op 30 oktober 2020. Ik draag het dossier over aan de Wrakingskamer. (…).”

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat verzoeker voorafgaand aan de zitting op 20 oktober 2020 om uitstel had verzocht omdat hij op diezelfde dag een gesprek zou hebben met een leidinggevende van de GI. Uiteindelijk bleek dat dit gesprek zou worden verplaats naar 30 oktober 2020. De gezinsvoogd van de GI heeft daarom verzocht de zitting door te laten gaan. Op de zitting heeft verzoeker uitgelegd dat hij geen uitspraak wenst te hebben in deze zaak omdat hij geen vertrouwen heeft in de gezinsvoogd. In deze uitleg heeft zij geen aanleiding gezien om (alsnog) de behandeling uit te stellen en te beslissen. Zij verwacht dat de uitkomst van het gesprek op 30 oktober 2020 de beslissing over de zorgregeling niet anders zal maken.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

Persoonlijke vooringenomenheid bij de rechter tegenover verzoeker is niet gesteld of gebleken. Onderzocht moet daarom worden of uit het optreden van de rechter blijkt dat hij vooringenomen is of dat hij die schijn heeft gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat niet het geval.

3.4.

De beslissing van de rechter om na afloop van de zitting van 20 oktober 2020 binnen twee weken uitspraak te doen moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Alleen als de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Daar is bij de beslissing van de rechter om binnen twee weken na de zitting uitspraak te doen geen sprake van. Het uitstelverzoek van verzoeker voorafgaand aan de zitting was al (gemotiveerd) afgewezen en hij heeft op de zitting opnieuw geprobeerd om uitstel te krijgen. Dat de rechter dit herhaalde verzoek opnieuw heeft afgewezen, kan niet worden aangemerkt als zwaarwegende aanwijzing dat de rechter partijdig of niet onafhankelijk zou zijn. Daarbij neemt de wrakingskamer in aanmerking dat zij uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 oktober 2020 niet kan afleiden, dat verzoeker tijdens de mondelinge behandeling één of meer argumenten aangedragen heeft die de rechter het tweede verzoek om uitstel anders dan het eerste hadden kunnen laten beoordelen.

3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is ingediend, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team familierecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/509560 / JE RK 20-1920 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A de Beaufort, voorzitter, en mr. D.J. van Maanen en mr. J.G. Nicholson als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.