Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5018

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
UTR 19/2586-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzet gegrond, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2586-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 op het verzet van

[opposant 1] en [opposant 2] , te [woonplaats] , opposanten.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposanten hebben ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum van 14 mei 2019.

In de uitspraak van 5 september 2019 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposanten zijn tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak schriftelijk af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 5 september 2019 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum (hierna: het college) het bezwaar van opposanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het bezwaar te laat is ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposanten gelijk hebben met het beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2019 niet juist was.

3. Volgens opposanten is de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2019 niet juist omdat zij, door de conclusie in de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2019, een kortere bezwaartermijn zouden hebben dan de zes weken die gebruikelijk zijn in het bestuursrecht. Dat de bezwaartermijn van zes weken voor iedere betrokkene geldt, volgt volgens opposanten uit artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. De vergunning is niet tot hen als belanghebbenden gericht, zodat als datum van bekendmaking moet worden beschouwd de datum van de publicatie van de vergunning in het gemeenteblad. Het bezwaar is volgens opposanten dan ook op tijd ingediend.

4. De rechtbank volgt opposanten niet in dit standpunt. Het besluit is op 19 oktober 2018 gepubliceerd in het Gemeenteblad. De rechtbank komt in haar uitspraak van 5 september 2019 terecht tot de conclusie dat dit niet de datum van bekendmaking is, omdat de bekendmaking heeft plaatsgevonden door toezending van het besluit aan de aanvrager van de vergunning. De bekendmaking en niet de mededeling van het besluit door publicatie is bepalend voor de ingang van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft daarbij in de genoemde uitspraak het juiste wettelijk kader toegepast en de rechtbank ziet nu geen grond voor een andere conclusie. Het beroep van opposanten op artikel 3:42, tweede lid, van de Awb geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Artikel 3:42 van de Awb gaat over besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht. Daarvan is hier geen sprake omdat het besluit zich richt tot en bekendgemaakt is aan de aanvrager (artikel 3:41 van de Awb). Bekendmaking aan anderen dan aanvrager is niet vereist. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het standpunt van opposanten de bedoeling van artikel 3:42, tweede lid, van de Awb is dat iedere betrokkene een bezwaartermijn van zes weken toekomt. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 5 oktober 2018 en het college terecht heeft geconcludeerd dat het bezwaar te laat is gemaakt.

5. Opposanten voeren verder aan dat het verzet betrekking heeft op de redelijkheidstoets van artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank stelt in haar uitspraak van 5 september 2019 dat deze toets in het beroepschrift wel aan de orde is gesteld, maar wijd er verder geen woord aan. Dit is niet juist aangezien aan de toets wel aandacht is besteed in het advies van 11 februari 2019 van de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Blaricum (hierna: de Commissie). Opposanten menen dat dit tot een andere uitkomst had moeten leiden, omdat zij goede redenen meenden te hebben dat voor hen ook de bezwaartermijn zes weken is.

6. De verzetrechter is het eens met opposanten dat uit de uitspraak van 5 september 2019 niet blijkt dat de rechtbank heeft beoordeeld of met wat door hen in beroep was aangevoerd, verweerder mocht concluderen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2019 vervalt. Dit betekent dat de rechtbank het onderzoek in de beroepsprocedure hervat in de stand waarin het zich bevond, voordat die uitspraak werd gedaan (artikel 8:55 lid 9 Awb). De rechtbank zal hieronder daarom de overige gronden van opposanten bespreken.

7. Zoals onder 4 is geoordeeld, is de bezwaartermijn aangevangen op 5 oktober 2018 en heeft het college terecht geconcludeerd dat het bezwaar te laat is gemaakt. Opposanten voeren aan dat, indien er sprake zou zijn van een termijnoverschrijding, het bezwaarschrift op grond van de Awb ontvankelijk was omdat een gemeente over de redelijkheidstoets op grond van artikel 6:11 van de Awb niet hoort te oordelen zoals in het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften. In verzet hebben opposanten toegelicht dat navraag over de bezwaartermijn of een pro forma bezwaarschrift, zoals door de bezwaarcommissie is opgemerkt, niet in je opkomt als je vertrouwen hebt in de rechtsstaat en ervan overtuigd bent dat je op goede gronden meent dat de bezwaartermijn ook in jouw geval zes weken is.

8. De rechtbank is van oordeel dat wat opposanten hebben aangevoerd geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Van verschoonbare termijnoverschrijding is slechts sprake in uitzonderlijke gevallen. Het niet begrijpen van de bezwaartermijn valt hier niet onder. Het had op de weg van opposanten gelegen hun overtuiging over de bezwaartermijn, gelet op de bewoording van de publicatie, te verifiëren of (juridisch) advies in te winnen. Dat opposanten te laat bezwaar hebben gemaakt komt dan ook voor eigen risico.

9. In de derde plaats geven opposanten aan dat zij, toen zij de stukken ontvingen, een aantal voor hen nieuwe stukken toegestuurd kregen waaronder de “Reactie op bezwaarschrift van onze buren, de familie [opposanten] , aanvulling en compleet maken van uw dossier”. Dat zij deze brief niet in de bezwaarfase hebben ontvangen is volgens opposanten in strijd met het beginsel van fair play.

10. De rechtbank begrijpt dat de bewuste brief voor ongenoegen zorgt, maar dit betekent niet dat het college tot een andere conclusie had moeten komen over de termijnoverschrijding. Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, hoefde verweerder niet naar inhoudelijke bezwaargronden gericht tegen de verleende vergunning te kijken.

11. De rechtbank concludeert dat gelet op wat onder 6 is overwogen het verzet gegrond is en daarom de uitspraak van 5 september 2019 vervalt. De rechtbank verklaart gelet op wat verder in deze uitspraak is overwogen het beroep van opposanten tegen het besluit van 14 mei 2019 ongegrond, omdat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het bezwaar te laat is gemaakt en geen sprake is van een verschoonbare reden.

12. Het is niet gebleken dat opposant in verzet proceskosten hebben gemaakt die gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van

P.W. Hogenbirk, griffier, op 2 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.