Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4982

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
C/16/499684 / HA ZA 20-205
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 7:17 BW; verwerping non-conformiteitsverweer; koper moet overeengekomen prijs voor chemicaliën betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/499684 / HA ZA 20-205

Vonnis van 11 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.J.M. Smelt te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.A.M. Heijdra te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Deze zaak is door de rechtbank Oost-Brabant verwezen naar deze rechtbank in een incidenteel vonnis van 19 februari 2020. Bij de rechtbank Oost-Brabant was de zaak bekend onder het zaak/rolnummer: C/01/351355 / HA ZA 19-671.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2020

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties 19 tot en met 22

  • -

    de mondelinge behandeling van 16 september 2020 waarvan aantekeningen zijn gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Waar gaat het over?

2.1.

[eiser] drijft een groothandel in chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassingen.

2.2.

[gedaagde] houdt zich bezig met bodeminjectie, een proces om grond steviger en minder waterdoorlatend te maken. Bij de vorm van bodeminjectie waar het in deze zaak om gaat, worden op vaste afstand van elkaar slangen de bodem in getrild. Door die slangen wordt vervolgens een mengsel van vloeistoffen de bodem ingepompt, dat na verloop van tijd uithardt tot een gel of een vaste stof, waardoor de zandkorrels als het ware aan elkaar worden vastgelijmd. Het mengsel dat wordt geïnjecteerd bestaat uit twee componenten: natronwaterglas en een zogenoemde B-component. Beide componenten zijn vloeistoffen en worden vóór de injectie aangelengd met gewoon leidingwater. Dat gebeurt in twee aparte intermediate bulk containers met een inhoud van circa 1.000 liter (hierna: ibc’s). Vanuit die ibc’s gaan de vloeistoffen naar de machine die de vloeistoffen injecteert. De twee componenten komen net voordat ze de bodem ingaan bij elkaar.

2.3.

[gedaagde] gebruikt als B-component de stof glyceroltriacetaat, ook wel aangeduid als triacetine (hierna: triacetine). Triacetine is verkrijgbaar in technical grade en cosmetic grade. Beide grades hebben hetzelfde CAS-nummer (Chemical Abstracts Service registry), namelijk 102-76-1 en ook hetzelfde EINECS‑nummer (European INventory of Existing Commercial Substances), namelijk 203‑051-9. Bij beide grades gaat het dus om stoffen met dezelfde chemische samenstelling. Bij cosmetic grade wordt een zogenoemd estergehalte gegarandeerd van 99%, waarbij het estergehalte een maatstaf is voor de zuiverheid. [eiser] garandeert voor de door haar te leveren technical grade een estergehalte van 98%. Daarnaast gelden voor cosmetic grade strengere eisen voor fabricage, opslag en vervoer. Het Duitse bedrijf Lanxess produceert een technical grade triacetine onder de naam Acetine 51035 (hierna: Acetine 51035).

2.4.

In de periode van mei 2016 tot en met juni 2017 heeft [eiser] zes keer triacetine aan [gedaagde] verkocht en geleverd. De eerste levering bestond uit Acetine 51035. Dat was ook vermeld op een bij die levering behorend testcertificaat dat [eiser] op 20 mei 2016 per e‑mail naar [gedaagde] heeft gestuurd. Tijdens de zitting heeft [eiser] verklaard dat ook de vierde levering (in januari 2017) bestond uit Acetine 51035. [gedaagde] heeft de juistheid daarvan niet weersproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat ook de vierde levering bestond uit Acetine 51035. De overige vier leveringen bestonden uit cosmetic grade triacetine.

2.5.

In juli 2016 is een partij Acetine 51035, die [gedaagde] had gekocht bij een andere leverancier dan [eiser] , gaan schiften toen deze werd gemengd met leidingwater.

2.6.

Medio 2017 hebben [gedaagde] en [eiser] onderhandeld over een door [eiser] aan [gedaagde] te leveren partij triacetine. De onderhandelingen zijn voornamelijk verlopen via e-mails tussen [A] van [eiser] en [B] van [gedaagde] , steeds met het onderwerp “Bestelling Triacetine”. De inhoud van die e-mails is – voor zover relevant – samengevat als volgt. Op 7 juni 2017 deelde [gedaagde] aan [eiser] mee dat zij weer 20 ibc’s triacetine wilde bestellen en vroeg zij wat het prijsniveau was. Op 18 juli 2017 deelde [eiser] mee dat de technical grade momenteel niet leverbaar was, maar dat er wel een alternatieve, hogere kwaliteit kon worden aangeboden tegen een prijs van € 1.233/mton (wat staat voor metrische ton), wat volgens [gedaagde] de bodemprijs was. Op 19 juli 2017 deelde [eiser] mee dat er krapte was vanwege een tekort aan glycerine, de grondstof voor de productie van triacetine, en dat daarom op dat moment alleen de grade wordt geproduceerd die zij op 18 juli heeft aangeboden. Ook deelde [eiser] mee dat zij nog een korting had kunnen krijgen, en het kon aanbieden voor € 1.213/mton. Dezelfde dag (19 juli 2017) deelde [gedaagde] mee dat de prijsstijgingen onaanvaardbaar waren en vroeg zij of het mogelijk was om in week 34 triacetine te leveren tegen de gebruikelijke kwaliteit en prijs. Dezelfde dag reageerde [eiser] dat zij een alternatief had gevonden voor € 1.190/mton en dat zij dit product al eerder aan [gedaagde] heeft geleverd. De volgende dag deelde [gedaagde] mee dat zij geen gebruikmaakte van de aanbieding van [eiser] . Op 25 juli 2017 mailde [eiser] dat zij een alternatief tarief had gekregen van € 992/mton. Op 26 juli 2017 mailde [gedaagde] dat zij graag wilde dat [eiser] een vrachtwagen ging ‘vastleggen’ voor levering vanaf eind augustus voor € 992/mton ex btw. Op 4 september 2017 vroeg [eiser] of [gedaagde] akkoord ging met levering op 15 september. Ook op 4 september 2017 antwoordde [gedaagde] dat zij akkoord was met levering van 23 mton op 15 september.

2.7.

Op 15 september 2017 heeft een door [eiser] ingeschakelde vervoerder 23.720 mton Acetine 51035 afgeleverd bij [gedaagde] . Voor deze levering heeft [eiser] aan [gedaagde] een op 22 september 2017 gedateerde factuur verzonden voor een bedrag € 28.471,59 inclusief btw.

2.8.

Op vrijdag 22 september 2017 om 9.10 uur heeft [gedaagde] aan [eiser] bericht:

“ [voornaam van A] ,

Wat heb jij geleverd? Zie foto’s in de bijlage van het schiften van het product. Wij ondervinden momenteel problemen bij meerdere projecten.

Graag z.s.m. bericht.”

Bij het bericht zijn foto’s meegezonden van ibc’s met een witte substantie. De Acetine 51035 is bij het aanlengen met leidingwater (zie 2.2) gaan schiften, dus nog voordat het in contact werd gebracht met het aangelengde natronwaterglas.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de overeengekomen koopprijs van € 28.471,59 inclusief btw, vermeerderd met rente en kosten en met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis.

3.2.

[gedaagde] betwist dat zij deze koopprijs verschuldigd is. Zij betoogt dat [eiser] niet de soort triacetine heeft geleverd die zij had besteld, namelijk cosmetic grade, en dat de schifting op 22 september 2017 is veroorzaakt door de Acetine 51035. [gedaagde] heeft namelijk slechts één keer eerder schifting gehad (zie 2.5), en ook toen ging het om Acetine 51035. Daarom is sprake van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 BW en van een tekortkoming als bedoeld in artikel 6:74 BW. In verband met de tekortkoming heeft [gedaagde] haar betalingsverplichting opgeschort. Ook heeft [gedaagde] de overeenkomst ontbonden (conclusie van antwoord in conventie, pagina 10). [gedaagde] stelt dat haar schade door de tekortkoming € 27.872,50 bedraagt. De daaruit voortvloeiende vordering tot schadevergoeding verrekent [gedaagde] met de vordering van [eiser] . Door die verrekening is de vordering van [eiser] vrijwel geheel tenietgegaan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

In reconventie vordert [gedaagde] – samengevat – veroordeling van [eiser] tot vergoeding van de onder 3.3 genoemde schade van € 27.872,50, vermeerderd met rente en kosten en met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis. De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat het beroep op verrekening in conventie wordt afgewezen.

3.5.

[eiser] voert verweer. Zij betoogt primair dat geen sprake is van non-conformiteit. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] gekregen wat zij heeft besteld, namelijk triacetine. Het stond haar vrij om technical grade triacetine van het type Acetine 51035 te leveren. Zij had geen enkele reden om ervan uit te gaan dat Acetine 51035 bij bodeminjectie zou kunnen gaan schiften. Haar enige afnemer van triacetine is [gedaagde] en zij had twee keer eerder Acetine 51035 aan [gedaagde] geleverd, zonder dat die is gaan schiften. [gedaagde] had haar ook nooit verteld dat Acetine 51035, afkomstig van een andere leverancier, wel een keer was gaan schiften. Verder betwist [eiser] dat de schifting is veroorzaakt door de Acetine 51035. Voor zover wel sprake is van non-conformiteit neemt [eiser] het standpunt in dat sprake is van overmacht of van eigen schuld van [gedaagde] .

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de door [eiser] op 15 september 2017 aan [gedaagde] geleverde triacetine niet beantwoordt aan de overeenkomst. Doorslaggevend voor het antwoord op die vraag is in dit geval wát [eiser] en [gedaagde] op 4 september 2017 zijn overeengekomen. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de tussen hen gevoerde e-mails mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Toepassing van deze maatstaf leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat geen sprake is van non-conformiteit. De rechtbank licht dit hieronder toe.

4.2.

Gelet op het debat tussen partijen kan niet worden vastgesteld of de schifting die zich op 22 september 2017 heeft voorgedaan, is veroorzaakt door de Acetine 51035 die [eiser] op 15 september 2017 heeft geleverd. Nu dit voor de uitkomst niet uitmaakt, gaat de rechtbank er hierna veronderstellenderwijs vanuit dat de schifting wel is veroorzaakt door die triacetine, zoals [gedaagde] stelt.

[eiser] mocht technical grade triacetine leveren

4.3.

De onderhandelingen over de levering die op 15 september 2017 heeft plaatsgevonden zijn begonnen met de mededeling van [gedaagde] aan [eiser] op 7 juni 2017 dat zij weer 20 ibc’s triacetine wilde bestellen (zie 2.6). [gedaagde] heeft daarbij toen niet vermeld welke grade zij wilde (cosmetic of technical), en dat heeft zij in de periode tot en met de levering ook niet gedaan. Op 19 juli 2017 vroeg [gedaagde] aan [eiser] of het mogelijk was om triacetine te leveren tegen de gebruikelijke kwaliteit en prijs. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de prijzen voor zowel cosmetic grade als technical grade vergelijkbaar zijn en schommelen tussen € 900/mton en € 1.300/mton. Ook is toen gebleken dat [gedaagde] voor de aan haar door [eiser] en andere bedrijven geleverde cosmetic grade en technical grade triacetine nooit meer dan € 1.000/mton heeft betaald. Uit de door [eiser] op 25 juli 2017 aangeboden prijs van € 992/mton heeft [gedaagde] dus niet kunnen afleiden dat het om cosmetic of technical grade triacetine ging. Daarnaast is het volgende van belang. Tijdens de zitting heeft [eiser] benadrukt dat de kwaliteit van technical grade triacetine vergelijkbaar is met die van cosmetic grade triacetine. [gedaagde] deelt die mening. Zij had namelijk twee keer eerder technical grade triacetine van [eiser] geleverd gekregen (de eerste en de vierde levering), en heeft die probleemloos gebruikt bij bodeminjectie (zie ook hierna). Bovendien heeft [B] van [gedaagde] tijdens de zitting verklaard a) dat de triacetine die aan [gedaagde] – ook door andere leveranciers dan [eiser] – wordt geleverd meestal technical grade is, b) dat hij dacht dat hij triacetine zou krijgen en c) dat hij er niet over heeft nagedacht of het cosmetic of technical grade triacetine zou zijn. Hieruit blijkt dat hij niet op grond van de tekst van de mailcorrespondentie dacht dat op 15 september 2017 cosmetic grade triacetine zou worden geleverd, maar dat hij er juist rekening mee hield dat [gedaagde] die dag technical grade triacetine geleverd zou kunnen krijgen. Hieruit blijkt ook dat het [B] niet uitmaakte of [gedaagde] technical grade of cosmetic grade kreeg. Met andere woorden, technical grade triacetine voor een prijs van € 992/mton is voor [gedaagde] én [eiser] triacetine van de gebruikelijke prijs en kwaliteit. Gelet op deze omstandigheden mocht [eiser] er vanuit gaan dat zij op 15 september 2017 technical grade triacetine mocht leveren en moest [gedaagde] er rekening mee houden dat toen technical grade triacetine aan haar zou worden geleverd.

[eiser] mocht Acetine 51035 leveren

4.4.

Bij de twee eerdere technical grade-leveranties van [eiser] aan [gedaagde] , in mei 2016 en januari 2017, ging het om Acetine 51035, dezelfde triacetine die op 15 september 2017 is geleverd. Die twee eerdere leveranties zijn probleemloos door [gedaagde] gebruikt bij bodeminjecties. Eén andere leverantie van Acetine 51035 – afkomstig van een andere leverancier – had in juli 2016 tot schifting bij [gedaagde] geleid. [gedaagde] had [eiser] echter niet gewaarschuwd dat zij op 15 september 2017 geen Acetine 51035 geleverd wilde krijgen, en had [eiser] ook nooit verteld dat de levering van Acetine 51035, afkomstig van een andere leverancier, in juli 2016 bij [gedaagde] was gaan schiften. Op grond van deze omstandigheden mocht [eiser] er vanuit gaan dat zij op 15 september 2017 Acetine 51035 aan [gedaagde] mocht leveren. Aan de andere kant geldt dat [gedaagde] er rekening mee moest houden dat [eiser] op 15 september 2017 Acetine 51035 zou leveren. Bij de eerste levering had [eiser] namelijk duidelijk vermeld dat die levering bestond uit Acetine 51035 (zie het in 2.4 genoemde testcertificaat). En vanwege de slechte ervaring in juli 2016 met Acetine 51035 moest [gedaagde] er, anders dan [eiser] , ook rekening mee houden dat het met de leverantie van 15 september 2017 op een vergelijkbare manier mis zou gaan.

Conclusie

4.5.

De conclusie is dat geen sprake is geweest van non-conformiteit. Daarom moet de schade die [gedaagde] heeft geleden doordat de Acetine 51035 op 22 september 2017 is gaan schiften voor haar eigen rekening blijven. Dat betekent dat [gedaagde] ten onrechte haar betaling heeft opgeschort, dat zij geen recht heeft op verrekening, en dat de ontbinding van de overeenkomst niet rechtsgeldig is. De door [eiser] gevorderde hoofdsom van € 28.471,59 zal worden toegewezen, evenals de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW die op zichzelf niet wordt betwist.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskostenveroordeling

4.6.

[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.059,72. De rechtbank is, anders dan [gedaagde] , van oordeel dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen, evenals de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW die op zichzelf niet wordt betwist.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 70,57

- vast recht € 1.992,00

- salaris advocaat € 1.390,00 (2 punten × factor 1,0 × tarief III € 695,00)

Totaal € 3.452,57

4.8.

De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals hierna (onder De beslissing) is vermeld.

in reconventie

4.9.

De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat van non‑conformiteit geen sprake is. Daarmee staat vast dat de reconventionele vordering geen grondslag heeft. Die zal de rechtbank dan ook afwijzen.

4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 695,00 voor salaris advocaat (2 punten × factor 0,5 × tarief III € 695,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 28.471,59 (achtentwintigduizend vierhonderdéénenzeventig euro en negenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.059,71 (duizend negenenvijftig euro en éénenzeventig eurocent) aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure in conventie, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.452,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart de veroordelingen in 5.1 tot en met 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af,

5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 695,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2020.1

1 type: JO/4792