Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4949

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3114
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last tot verwijderen van zonder vergunning gebouwd chalet. Weliswaar mededeling van verweerder dat geen omgevingsvergunning nodig zou zijn, maar daar is op terug gekomen. Nu eiseres niet op grond van die mededeling het chalet heeft gebouwd (het chalet stond er al langer) is er geen sprake van gewekt vertrouwen dat het chalet mocht blijven. Verweerder heeft, mede gezien de klachten van omwonenden, terecht de last opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3114

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: S.I. Eskens

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder

(gemachtigde: G.E. Topper).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] , te [woonplaats] .

Inleiding

1.1

In de achtertuin van eiseres op het adres [adres] in [woonplaats] (het perceel) is zonder omgevingsvergunning begonnen met de bouw van een houten chalet. Derde-partij heeft verweerder verzocht hier handhavend tegen op te treden, omdat zij aangeeft hinder van het chalet te ondervinden.

1.2

Eiseres heeft daarop een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend ter legalisatie van het chalet. Verweerder heeft eiseres vervolgens per brief laten weten dat voor de bouw en het gebruik hiervan geen omgevingsvergunning nodig zou zijn. Enkele weken later heeft verweerder op basis van bevindingen van toezichthouders eiseres onder de noemer van rectificatie per brief geïnformeerd dat voor de bouw en het gebruik van het chalet toch wel een omgevingsvergunning nodig is. Volgens verweerder is sprake van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, en artikel 2.3, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.3

Omdat het chalet zonder de benodigde omgevingsvergunning is gebouwd en verweerder deze niet wil verlenen, heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd van € 15.000,- om het chalet geheel te verwijderen en verwijderd te houden. Tegen de oplegging van de last onder dwangsom heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.4

Dit bezwaar is ongegrond verklaard, waarbij verweerder de last heeft aangepast. Deze houdt sindsdien in dat eiseres het chalet geheel moet verwijderen en verwijderd moet houden en daarvoor in de plaats niet meer dan de op grond van artikel 2, derde lid, onder f, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) toegestane en vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken mag bouwen of dat eiseres het chalet terugbrengt tot wat maximaal omgevingsvergunningsvrij gebouwd kan worden. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.

1.4

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Grasmeijer, de tijdelijke vervanger van gemachtigde S.I. Eskens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen zonder gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader en de standpunten van partijen

2. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het bouwen van het chalet een omgevingsvergunning nodig is en dat deze niet is verleend. Voorts betwist eiseres niet dat verweerder niet voornemens is een omgevingsvergunning te verlenen, zodat er geen zicht is op legalisering van de situatie. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder desondanks van het opleggen van een last onder dwangsom had behoren af te zien, omdat namens verweerder het vertrouwen is gewekt dat niet zou worden gehandhaafd. In deze zaak gaat het dus om de vraag of verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld en of eiseres een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen. Daarvoor heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een stappenplan uiteen gezet dat moet worden gevolgd bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel.1 Het gaat om de volgende drie vragen:

1. Is er sprake van een toezegging?

2. Kan deze toezegging aan verweerder worden toegerekend?

3. Moet het gerechtvaardigd gewekt vertrouwen worden gehonoreerd?

3. Eiseres voert aan dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, omdat de brief waarin verweerder heeft gemeld dat voor de bouw en het gebruik van het chalet geen omgevingsvergunning nodig zou zijn, kan worden opgevat als een toezegging. Deze toezegging kan aan verweerder worden toegerekend en bovendien moet het gerechtvaardigd gewekt vertrouwen worden gehonoreerd bij het afwegen van alle betrokken belangen. Volgens eiseres weegt haar eigen belang zwaarder dan het algemeen handhavingsbelang. Bovendien is er niet gebleken van een belang van derden dat gediend is met handhaving.

4. Volgens verweerder is er inderdaad sprake geweest van een toezegging door per brief te melden dat voor de bouw en het gebruik van het chalet geen omgevingsvergunning nodig zou zijn. Deze toezegging is echter ingetrokken door de rectificatie die enkele weken later is verstuurd. Door het ontbreken van een toezegging, kan deze ook niet aan verweerder worden toegerekend. Zo er al sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, dan slaat de belangenafweging uit ten gunste van het belang dat verweerder heeft bij handhaving. Daarbij acht verweerder van belang dat er enerzijds klachten van omwonenden zijn en dat anderzijds eiseres geen schade heeft geleden als gevolg van de gedane toezegging. In dat geval wegen het algemeen belang en de belangen van derden bij handhaving zwaarder.

De beoordeling van het geschil

5. De rechtbank moet beoordelen of verweerder het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel had moeten honoreren. De rechtbank ziet in het voorliggende geval aanleiding om eerst te beoordelen of, bij een afweging van de wederzijdse belangen, verweerder het mogelijk gewekte vertrouwen had moeten honoreren.

6. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is immers vereist dat bij afweging van de betrokken belangen geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en de belangen van derden. In het voorliggende geval acht de rechtbank de volgende aspecten van belang.

7. Niet in geschil is dat het chalet gebouwd en gebruikt is zonder de benodigde omgevingsvergunning. Eiseres heeft daarmee in strijd met de wet gehandeld, omdat de rechtbank verweerder volgt dat in dit geval sprake van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, en artikel 2.3, onder a, van de Wabo. Weliswaar kan eiseres het chalet verwijderen of terugbrengen tot dat wat maximaal omgevingsvergunningsvrij kan worden gebouwd op grond van artikel 2, derde lid, onder f, bijlage II van het Bor en daarmee voldoen aan de opgelegde last, maar dat neemt niet weg dat er in de bestaande situatie sprake is van handelen in strijd met de wet. Verweerder heeft aan deze strijd met de wet, benoemd als het algemeen belang dat met handhaving is gediend, niet ten onrechte een zwaar belang gehecht.

8. Daarnaast heeft verweerder terecht belang gehecht aan het feit dat derde-partij een verzoek om handhaving heeft ingediend en dit niet heeft ingetrokken. Zij heeft aangegeven hinder te ondervinden van het gebruik van het chalet. Het chalet van eiseres grenst direct aan de achtertuin van derde-partij en is zichtbaar vanuit haar woning. Weliswaar heeft eiseres aanpassingen gedaan aan het chalet om deze hinder weg te nemen, maar deze zijn voor derde-partij niet genoeg geweest om het verzoek in te trekken.

9. Verweerder heeft tenslotte van doorslaggevend belang geacht dat eiseres geen schade heeft geleden door het mogelijk door verweerder gewekte vertrouwen. Het chalet was al aangeschaft en zonder vergunning geplaatst voordat verweerder de eerder genoemde brief stuurde. Eiseres heeft na ontvangst van de brief geen activiteiten meer uitgevoerd die rechtstreeks het gevolg waren van de gedane mededeling. Met verweerder stelt de rechtbank dan ook vast dat aan het dispositievereiste niet is voldaan.

10. Verweerder heeft, gelet op de hiervoor genoemde belangen, dan ook terecht geen aanleiding gezien het beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren. Nu aan de derde stap uit het stappenplan niet is voldaan, bestaat er geen aanleiding om een oordeel over de eerste twee stappen te geven.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van E. Sloots, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2019:1694