Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4943

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
28-07-2021
Zaaknummer
UTR 20/739
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fictief beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-7-2021
FutD 2021-2448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/739

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. W. Kort),

en

Belastingdienst/Toeslagen, te Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Verweerder heeft het bezwaarschrift, dat is gedateerd op 20 september 2019, ontvangen op 24 september 2019. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder op 18 december 2019 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Op 30 januari 2020 heeft de gemachtigde van eiser nogmaals een ingebrekestelling aan verweerder gestuurd.

4. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).

5. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de reeds verbeurde dwangsom vast te stellen, als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb.

6. Ingevolge artikel 12 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is paragraaf 4.1.3.2 van de Awb echter niet van toepassing op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen, met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat nu eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag en niet tegen een definitieve berekening, paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing is en dat verweerder geen dwangsom heeft verbeurd.

7. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, van de Awb).

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50.

10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 48,- aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 48,- dat eiser heeft betaald moet betalen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2020 door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

- de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen -

de griffier de rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.