Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4940

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
28-07-2021
Zaaknummer
UTR 19/5211
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2020 in de zaak tussen

Stichting Welzijn Grote Grazers, te Dronten, eiseres,

(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho),

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een verzoek of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar verzoek of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiseres heeft haar verzoek ingediend op 2 augustus 2019. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 6 van de Wob. Verweerder heeft de termijn verlengd met vier weken. Verweerder had dus uiterlijk op 27 september 2019 moeten beslissen. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 15 oktober 2019, ontvangen door verweerder op 16 oktober 2019, in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.

4. Het beroep is kennelijk gegrond.

5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt de rechtbank in beginsel dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Van deze termijn kan in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt van worden afgeweken.

6. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de oorzaak van het niet tijdig beslissen op het verzoek van eiseres is gelegen in de achterstanden van de behandeling van andere, omvangrijke verzoeken, de grote hoeveelheid ingediende Wob-verzoeken bij de NVWA, capaciteitsproblemen binnen de NVWA en de benodigde prioritering ten aanzien van de behandeling van al deze verzoeken. Gelet op genoemde omstandigheden heeft verweerder de rechtbank verzocht hier rekening mee te houden bij het bepalen van de termijn waarbinnen verweerder alsnog moet beslissen.

7. De rechtbank ziet in de toelichting geen aanleiding een langere termijn te bepalen dan twee weken. De door verweerder genoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder de genoemde omstandigheden en de gevolgen daarvan voor het beslisproces niet heeft onderbouwd. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat verweerder capaciteitsproblemen ondervindt en dit van invloed is om de beslistermijnen, is dit niet zonder meer een bijzonder geval. Verder acht de rechtbank van belang dat, waar het de andere omvangrijke Wob-zaken betreft, de Wob de mogelijkheid biedt voor een langere beslistermijn, zodat niet zonder meer valt in te zien dat in gangbare Wob-zaken een langere beslistermijn zou moeten gelden. Tot slot heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt binnen welke termijn in deze zaak een besluit genomen kan worden. Kortom, de rechtbank bepaalt de termijn om alsnog te beslissen op twee weken.

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

9. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Toegekend wordt € 262,50.

10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 345,- aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 345,- aan eiseres moet betalen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2020 door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier de rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.