Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4854

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
16/178613-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging van voormalige partner en dwang het contact met verdachte te dulden. OVAR. Verzoekschrift rechterlijke machtiging ogv de Wzd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/178613-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1972] te distrikt [distrikt] ( [distrikt] ),

verblijvende te FPA Kompas te Wolfheze,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2019, 17 februari 2020, 3 juni 2020 en 27 oktober 2020 (inhoudelijke behandeling). De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. S. Önemli, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

op 22 juli 2019 te Vinkeveen [aangeefster] heeft bedreigd;

2.

in de periode van 28 maart 2019 tot en met 22 juli 2019 te Vinkeveen [aangeefster] heeft gedwongen iets te doen, iets niet te doen of te dulden, te weten het tolereren van contact met verdachte en het niet aangaan van een nieuwe relatie.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde is primair aangevoerd dat aangeefster onbetrouwbaar is en dat de aangifte niet door ander bewijs wordt ondersteund. Subsidiair is aangevoerd dat, indien de bedreiging met enig misdrijf er wel was, de bedreiging niet van zodanige aard was dat er bij aangeefster redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou verliezen.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde is primair aangevoerd dat geen sprake is geweest van dwang, laat staan van strafrechtelijke dwang en dat niet wordt voldaan aan de causaliteitseis. Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is geweest van een voltooid delict. Ten slotte is aangevoerd dat de dagvaarding onvoldoende feitelijk is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Met betrekking tot hetgeen onder 1 is tenlastegelegd:

In de aangifte wordt onder meer het volgende vermeld:

“Vanavond, 22 juli 2019, liep ik in de hal bij de voordeur van mijn woning op [adres] te [woonplaats] . Ik zag opeens dat het gezicht van [verdachte] tegen het raam naast de deur gedrukt zat. Ik schrok hier heel erg van. Ik heb hierop de politie gebeld. Ongeveer een minuut later zag ik hem in de achtertuin staan. Ik hoorde hem schreeuwen en ik zag dat hij op het raam bonkte.”2

Bij het beluisteren en uitkijken van de opname die aangeefster heeft gemaakt terwijl zij belde met 1-1-2, blijkt onder meer het volgende:

“A = aangeefster;

P = centralist politiemeldkamer;

O = opmerking verbalisant;

O: Verdachte hurkt weer voor deur en schreeuwt weer iets onverstaanbaars waarbij hij enkele malen tegen het raam slaat.

P: Ik hoor dat er op het raam wordt geklopt he?

A: Ja, hij is heel agressief

P: En wat zegt ie allemaal?

A: Hij knalt me neer.”3

In een aanvullende verklaring heeft aangeefster onder meer het volgende verklaard:

“Hij heeft letterlijk gezegd "ik knal je neer."4

Met betrekking tot hetgeen onder 2 is tenlastegelegd:

In een proces-verbaal van bevindingen van de wijkagent van aangeefster wordt onder meer het volgende vermeld:

“Op 28 maart 2019 omstreeks 15:30 kreeg de politie een melding dat [verdachte] agressief was in de woning [adres] . Er zou tussen [aangeefster] en [verdachte] een woordenwisseling hebben plaatsgevonden. De politie heeft [verdachte] verzocht weg te gaan, hetgeen hij uiteindelijk ook heeft gedaan.

Op donderdag 28 maart 2019 omstreeks 17.14 uur werd de politie wederom gestuurd naar het adres [adres] omdat [verdachte] heel agressief was naar [aangeefster] . Ter plaatse werd [verdachte] aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat er sprake was van verbaal geweld.”5

In de aangifte wordt onder meer het volgende vermeld:

“Op 29 maart 2019 heb ik [verdachte] uit laten schrijven. Hier is een conflict aan vooraf gegaan waar ik ook melding van gemaakt heb. Ik was helemaal klaar met onze relatie. [verdachte] kon en kan zich niet neerleggen bij de beëindiging van onze relatie. Hij blijft mij op allerlei manieren lastig vallen. Ik heb hier meerdere keren melding van gemaakt. De Politie is gekomen omdat [verdachte] niet weg wilde gaan. Ik heb [verdachte] geblokkeerd op Whats-App en Social Media. Hij valt mij echter ook lastig via andere personen. Ik was zangeres in een band. [verdachte] is op 10 juni 2019 naar een optreden gekomen. Op zaterdag 6 juli 2019 deblokkeerde ik [verdachte] . [verdachte] greep de gelegenheid direct weer om mij 11 keer te bellen.6 Ik ben doodsbang dat [verdachte] zijn bedreiging uit gaat voeren. Hij accepteert geen nee.“7

“Vanavond, 22 juli 2019, liep ik in de hal bij de voordeur van mijn woning op [adres] te [woonplaats] . Ik zag opeens dat het gezicht van [verdachte] tegen het raam naast de deur gedrukt zat. Ik schrok hier heel erg van. Ik heb hierop de politie gebeld. Ongeveer een minuut later zag ik hem in de achtertuin staan. Ik hoorde hem schreeuwen en ik zag dat hij op het raam bonkte.”8

Bij de aangifte is onder meer een bijlage gevoegd. Het betreft een scherm print waaruit blijkt dat aangeefster op 6 juli 2019 meerdere spraakoproepen heeft gemist.

Het betreft oproepen op de volgende tijdstippen: 6:38, 6:43, 6:44, 6:45, 6:55, 7:29 en 8:18 en 8:23 uur9.

Verdachte heeft ter zitting onder meer het volgende verklaard:

“Het was heel duidelijk dat zij (aangeefster, toevoeging door de rechtbank) geen contact wilde, maar ik had moeite. Ik zocht in die tijd veel contact.”10

Verdachte heeft tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

“V: Op welke manieren kom je met [aangeefster] in contact?

A: Whatsappen en bellen. Als ik haar bel dan neemt ze niet op en als ik haar whatsapp dan reageert ze wel. Ze heeft mij wel geblokkeerd en dan bel ik met mijn broertje telefoon of mijn neefje.”11

Hoe vaak heb je haar gebeld met de telefoon van je broertje en/of neefje?

A: Iedere week.

V: Hoe vaak is dat in totaal geweest?

A: Dat is soms tien (10), soms twintig (20) of zelfs dertig (30) keer in de week en

doe dit met de telefoon van mijn broertje.

V: Bedoel je dan dagelijks dat je zoveel belt?

A: Nee dit verschilt per week.

V: Heb je [aangeefster] gebeld nadat ze heeft gezegd niet meer te bellen?

A: Toen heb ik haar niet meer gebeld, maar wel geappt.

V: Je hebt eerder verklaard aan dat je wel hebt gebeld, hoe vaak is dit geweest nadat

[aangeefster] heeft gezegd dat je niet moet bellen?

A: Ja dat heb ik met de telefoon van mijn broertje gedaan en ongeveer vijf (5) keer.

Laatste weken niet veel ik heb haar wel geappt en heb haar ongeveer vier (4) a vijf

(5) keer gebeld voor de hele week.

A: Ik heb haar (dochter, toevoeging door de rechtbank) gezien bij

een optreden van [aangeefster] , mijn dochter was er ook. Daar heb ik ze gezien.12

C: [aangeefster] verklaarde dat zij op zondag 21 juli 2019 werd gebeld door een Surinaams

nummer, [telefoonnummer] en dat zij jou toen aan de telefoon kreeg.

V: Wat wil je hierover verklaren?

A: Ja dat is van mijn neefje geweest, want hij was met mij.13

V: Als ik het goed begrijp bel jij met drie (3) nummer buiten je eigen nummer, klopt

dit?

A: Ja klopt, die van mijn broertje, broer en mijn neefje.14

Bewijsoverwegingen

Bedreiging - voldoende bewijs

Namens verdachte is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is en/of dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft bedreigd met de woorden ‘ik knal je neer’. Deze woorden zijn niet te horen op de camerabeelden omdat aangeefster pas daarna is gaan opnemen. Aangeefster heeft wel direct aangegeven dat verdachte (daarvoor) deze bedreigende woorden had geuit. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster voldoende ondersteuning vinden in de context waarin de bedreigende woorden zijn geuit. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte duidelijk kwaad was en meermalen tegen aangeefster heeft gezegd dat hij haar uitdaagt. Ook is te horen dat de dochter van verdachte en aangeefster - die in de woning aanwezig was - erg bang was. Tenslotte blijkt uit het dossier dat verdachte zo hard stond te schreeuwen dat buurtbewoners erop af kwamen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zeker weet dat hij niet tegen aangeefster heeft gezegd dat hij haar neer zal knallen, maar de rechtbank vindt deze verklaring niet aannemelijk. De verklaring ter zitting staat in schril contrast tot zijn eerdere verklaring tegenover de politie die hij kort na het incident heeft afgelegd. Verdachte verklaarde, naar aanleiding van het beluisteren en bekijken van de camerabeelden en de verklaring van aangeefster dat verdachte heeft gezegd ‘ik knal je neer’, dat hij kwaad was en uit kwaadheid niet weet wat hij allemaal heeft gezegd, maar dat hij het niet meende.

De rechtbank is van oordeel dat de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat in het algemeen een dergelijke vrees om het leven te verliezen opgewekt kon worden. Bij aangeefster kon de redelijke vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.

Dwang door een feitelijkheid

De rechtbank overweegt dat artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht ertoe strekt te voorkomen dat iemand op een wederrechtelijke manier in zijn vrijheid van handelen wordt beperkt doordat dwang ten aanzien van hem wordt uitgeoefend.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, terwijl hij wist dat aangeefster geen contact meer met hem wilde, gedurende een viertal maanden naar haar woning is blijven komen terwijl hij onder invloed van alcohol en (verbaal) agressief was en haar is blijven bellen en haar berichten is blijven sturen. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster, die samen met verdachte een dochter heeft, zich door deze handelingen van verdachte gedwongen voelde het contact met hem te dulden.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 22 juli 2019 te Vinkeveen

[aangeefster] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht,

door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "ik knal je neer";

2.

in de periode van 28 maart 2019 tot en met 22 juli 2019

te Vinkeveen,

een ander, te weten [aangeefster] ,

door enige feitelijkheid heeft gedwongen iets te

dulden, te weten het tolereren van contact met verdachte

door veelvuldig contact op te nemen met die [aangeefster] en zich op 22

juli 2019 naar de woning van die [aangeefster] te begeven en aldaar op

het raam te bonken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2.

een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:

- een psychiatrisch rapport Pro Justitia van 23 maart 2020, opgemaakt door C.A.J. Veldman, psychiater;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia van 1 november 2019, opgemaakt door dr. D.J. Burck, GZ-psycholoog.

Het rapport, opgemaakt door de psychiater, houdt onder meer het volgende in:

Verdachte lijdt aan een neurocognitieve stoornis met geheugendefecten, oriëntatie

stoornissen, cognitief verval met als gevolg een functioneren op niveau van een lichte tot

een matige verstandelijke beperking. Daarnaast heeft verdachte een stoornis in het gebruik van alcohol, ernstig, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving.

Deze stoornissen waren bij verdachte aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden zijn gedrag(-skeuzes).

Gezien de ernst van de beperkingen van verdachte adviseert de psychiater hem het

tenlastegelegde, indien bewezen, niet toe te rekenen.

Het rapport, opgemaakt door de psycholoog, houdt onder meer het volgende in:

Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis. Als gevolg van deze stoornis functioneert hij op verstandelijk beperkt niveau. Als gevolg van deze stoornis zijn het geheugen, de oriëntatie en de executieve functies ernstig beperkt en kan het vermogen tot abstract denken en het overzien van complexe situaties en te beoordelen slechts in zeer geringe mate aanwezig worden geacht, wat weer aanleiding geeft voor gevoelens van wantrouwen en achterdocht. Ook lijdt hij aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol waarvan een ontremmende werking uitgaat op zijn gedrag.

Deze stoornissen waren bij verdachte aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden zijn gedrag(-skeuzes).

De psycholoog adviseert verdachte het tenlastegelegde, indien bewezen, niet toe te rekenen.

De rechtbank is op basis van de conclusies van de genoemde deskundigen die zij overneemt van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend en zij zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging. Verdachte is niet strafbaar.

Rechterlijke machtiging

De deskundigen adviseren voor verdachte een klinische behandeling in een gedwongen kader. Deze behandeling kan plaats vinden in het kader van een (civiele) rechterlijke machtiging op basis van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) en de Wet Zorg en Dwang. De officier van justitie heeft daartoe een verzoekschrift ingediend.

Het verzoekschrift tot het verlenen van een rechterlijke machtiging ten aanzien van verdachte is tegelijk met de onderhavige strafzaak behandeld. De rechtbank zal gebruik maken van de in artikel 2.3, eerste lid aanhef en onder 5 van de Wfz gegeven bevoegdheid.

De toewijzende beslissing op het verzoekschrift wordt bij afzonderlijke beschikking afgegeven.

8 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 57, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart het in rubriek 5 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte voor het in rubriek 5 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van deze feiten.

Voorlopige hechtenis

- heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en S.R. van Breukelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen-van der Hoek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 november 2020.

Mr. O.P. van Tricht en mr. S.R. van Breukelen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 22 juli 2019 te Vinkeveen, gemeente De Ronde

Venen

[aangeefster] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "ik knal je neer"

en/of "ik ga je doodschieten", althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij in of omstreeks de periode van 28 maart 2019 tot en met 22 juli 2019

te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen,

een ander, te weten [aangeefster] ,

door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met

geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander,

wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te

dulden, te weten het tolereren van contact met verdachte en het niet

aangaan van een nieuwe relatie,

door veelvuldig contact op te nemen met die [aangeefster] en/of zich op 22

juli 2019 naar de woning van die [aangeefster] te begeven en/of aldaar op de

deur en/of het raam te bonken en/of te roepen/zeggen dat als zij een

nieuwe vriend zou krijgen hij die neer zou knallen (wat hij eerder ook al

per WhatsApp naar een vriendin van die [aangeefster] had gestuurd);

( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich bevinden in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier. Het procesdossier bestaat uit 3 delen: - PV voorgeleiding van 25 juli 2019, pagina 1-60 (hierna: PV van 25 juli 2019); - Procesdossier van 19 augustus 2019, pagina 1-14 (hierna: PV van 19 augustus 2019); - VGL + Eind PV van 22 september 2019, pagina 1-22 (hierna: PV van 22 september 2019). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] van 22 juli 2019, p. 17 uit het PV van 25 juli 2019.

3 Een proces-verbaal van 25 juli 2019, p. 42 uit het PV van 25 juli 2019.

4 Een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] van 24 juli 2019, p. 19 uit het PV van 25 juli 2019.

5 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2019, p. 37 uit het PV van 25 juli 2019.

6 Een proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] van 24 juli 2019, p. 22 uit het PV van 25 juli 2019.

7 Een proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] van 24 juli 2019, p. 23 uit het PV van 25 juli 2019.

8 Een proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] van 22 juli 2019, p. 17 uit het PV van 25 juli 2019.

9 Een geschrift, te weten een scherm print van een bericht, p. 28 uit het PV van 25 juli 2019.

10 De verklaring van verdachte ter zitting van 27 oktober 2020.

11 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte op 24 juli 2019, p. 53 uit het PV van 25 juli 2019.

12 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte op 24 juli 2019, p. 54 uit het PV van 25 juli 2019.

13 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte op 24 juli 2019, p. 55 uit het PV van 25 juli 2019.

14 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte op 24 juli 2019, p. 56 uit het PV van 25 juli 2019.