Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4840

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
820815 AC EXPL 19-4384
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging beslissing Geschillencommissie Voertuigen. Geschillencommissie zou geen onderzoek hebben verricht naar gebrek auto. Kantonrechter oordeelt dat beslissing Geschillencommissie in stand blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8208185 AC EXPL 19-4384 RW/1368

Vonnis van 11 november 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. H.E. Rommelaar-Bezemer, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. R.L.M. Cox.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van voorwaardelijke eis in reconventie,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in voorwaardelijke reconventie,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in voorwaardelijke reconventie,

  • -

    de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie.

1.2.

Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over en wat is het eindoordeel van de kantonrechter

2.1.

[eiser] kocht op 23 maart 2018 een nieuwe Dacia Logan MCV bij [gedaagde] voor € 20.476,37 en ondervond kort daarna problemen met de auto. Omdat [eiser] daarover met [gedaagde] niet tot een vergelijk kon komen, heeft [eiser] op 23 december 2018 zijn klachten voorgelegd aan de Geschillencommissie Voertuigen. Een van de klachten van [eiser] was dat de Dacia hort, stoot en inhoudt bij het optrekken (zie het klachtenformulier, productie 5 van [eiser] ). De Geschillencommissie heeft die klacht, na onderzoek door een deskundige (Ing. [A] , zie het rapport, productie 6 van [eiser] ), in haar bindend advies van 25 september 2019 (productie 9 van [eiser] ) afgewezen. [eiser] is het daarmee niet eens. Hij vordert in deze procedure gedeeltelijke vernietiging van het bindend advies en vervanging daarvan door een beslissing van de kantonrechter (namelijk dat de Dacia non-conform is en dat [gedaagde] de auto moet vervangen, althans het gebrek moet herstellen). [gedaagde] voert verweer. Voor zover de kantonrechter mocht beslissen dat de Dacia moet worden vervangen, vordert [gedaagde] in voorwaardelijke reconventie dat [eiser] in dat geval veroordeeld wordt tot betalen van een gebruiksvergoeding van € 0,25 per kilometer die [eiser] met de Dacia heeft gereden. Daarop voert [eiser] verweer.

2.2.

De kantonrechter komt tot het oordeel dat het bindend advies van de Geschillencommissie in stand blijft. Aan een beoordeling van de eis van [gedaagde] in voorwaardelijke reconventie wordt niet toegekomen.

Toetsingskader

2.3.

Partijen hebben zelf besloten om de Geschillencommissie te vragen bindend te adviseren over hun geschil. In die procedure is niet voorzien in de mogelijkheid voor hoger beroep, dus partijen hebben het oordeel van de Geschillencommissie (of zij het er nu mee eens zijn of niet) te respecteren. Dat is alleen anders, wanneer dat oordeel in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 7:904 lid 1 BW). Die lat ligt hoog. Alleen ernstige gebreken in de besluitvorming van de Geschillencommissie kunnen leiden tot een geslaagde vordering tot vernietiging bij de kantonrechter. Daarvan is hier geen sprake, zoals hierna wordt uitgelegd.

Het onderzoek van de deskundige van de Geschillencommissie ( [A] ), op 15 april 2019)

2.4.

De deskundigheid van [A] staat niet ter discussie, en het onderzoek is kennelijk behoorlijk naar de eisen van hoor en wederhoor uitgevoerd. Zowel [eiser] als [gedaagde] waren bij dat onderzoek aanwezig en niet gesteld of gebleken is dat zij geschaad zijn in enig belang om hun standpunten naar behoren naar voren te kunnen brengen. Dat standpunt voor het horten en stoten van de Dacia was dat dit volgens [eiser] een gebrek is en volgens [gedaagde] een producteigenschap. Dat moest [A] onderzoeken.

2.5.

Zoals [gedaagde] terecht heeft opgemerkt, heeft [eiser] niet specifiek op het klachtenformulier vermeld dat het horten en stoten juist alleen met een koude motor plaatsvindt. De kantonrechter ziet daarom niet dat het specifiek op de weg van [A] had gelegen om de Dacia met een koude motor te onderzoeken. Het aspect van de koude motor is wel tijdens het onderzoek ter sprake gekomen. [A] schrijft in zijn rapport: “Het voertuig was warm en volgens de consument komt het horten en stoten voor bij koude motor. Tijdens de proefrit was er geen sprake van horten of stoten en schakelde de versnellingsbak correct.” [A] beschouwt vervolgens welke versnellingsbak is toegepast in de Dacia van [eiser] (een “Easy-R”) en schrijft daarover: “Een dergelijke transmissie is aanzienlijk goedkoper dan een echte automaat, maar is niet zo geraffineerd als de gemiddelde moderne automaat. Vanuit stilstand heeft de transmissie wat bedenktijd nodig om in actie te komen en het schakelen gaat bepaald niet ongemerkt en traag als het gas wat fors bediend wordt.”. [A] concludeert tenslotte: “Tijdens de proefrit heeft de deskundige geen horten en stoten waargenomen. Het is deskundige bekend dat zeker bij een koude motor het voertuig bij het optrekken wil horten en stoten. Dit is inherent aan de constructie van deze versnellingsbak en koppeling.”. Met andere woorden, [A] beaamt het standpunt van [gedaagde] .

Na het deskundigenonderzoek

2.6.

Bij brief van 16 mei 2019 bericht [eiser] de Geschillencommissie dat [A] de Dacia niet heeft onderzocht met een koude motor en verzoekt hij om een nader onderzoek (productie 7 van [eiser] ). De Geschillencommissie heeft dat verzoek blijkbaar niet gehonoreerd. Op 9 juli 2019 heeft de Geschillencommissie het geschil mondeling behandeld, waarbij beide partijen aanwezig zijn geweest. [eiser] stelt dat de voorzitter van de Geschillencommissie zou hebben gezegd dat hij met het horten en stoten, zonder nadere toelichting, ‘niets zou doen’. Maar [gedaagde] spreekt dit tegen en [eiser] legt dit niet verder uit, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Na de mondelinge behandeling overweegt de Geschillencommissie in haar “Tussenadvies” onder “Het horten en stoten”: “De deskundige heeft dit niet waargenomen, maar wel vastgesteld dat de gemonteerde gerobotiseerde versnellingsbak een afwijkende werking heeft vergeleken bij een gewone automatische versnellingsbak of een DSG. Van een gebrek is echter geen sprake. De commissie volgt dit oordeel van de deskundige. Dit leidt ertoe dat dit onderdeel van de klacht van de consument wordt afgewezen.” (productie 8 van [eiser] ). De Geschillencommissie blijft bij haar eindadvies voor dit punt bij haar oordeel in het tussenadvies (zie het “Bindend Advies” van 25 september 2019, productie 9 van [eiser] ).

Ernstig gebrek in de besluitvorming? Nee.

2.7.

[eiser] baseert zijn vordering erop dat de Geschillencommissie de klacht over het horten en stoten heeft afgewezen, uitsluitend op basis van het onderzoek van [A] , terwijl [A] het gestelde gebrek in het geheel niet zou hebben onderzocht. Dat slaagt niet. Gezien het voorgaande, ziet de kantonrechter niet dat [A] bij aanvang van het onderzoek specifiek de Dacia bij een koude motor had moeten onderzoeken. Dat is niet wat [eiser] heeft voorgelegd aan de Geschillencommissie. [A] heeft wel naar behoren gemotiveerd waarom een Dacia van dit specifieke type hort en stoot bij een koude motor. De conclusie van [A] dat dit een producteigenschap is, kan niet anders inhouden dat naar zijn mening het horten en stoten geen gebrek van de Dacia van [eiser] is. Elke Dacia van dat type hort en stoot dus.

2.8.

Daar komt bij dat de Geschillencommissie waarschijnlijk (daar houdt de kantonrechter het voor) de onderbouwing van het standpunt van [gedaagde] in haar overwegingen heeft meegenomen. [gedaagde] baseerde zich namelijk niet alleen op haar eigen ervaringen met die specifieke samenstelling, maar ook op de onderbouwde mening van de importeur, Dacia Nederland. [gedaagde] schrijft namelijk in reactie op de indiening van de klacht van [eiser] aan de Geschillencommissie daarover: “Om uit te sluiten dat ondernemer [ [gedaagde] , kantonrechter] de rijeigenschappen verkeerd heeft beoordeeld, en dus ook uit te sluiten dat het niet om een producteigenschap zou gaan, heeft hij de auto andermaal bij Dacia Nederland aangeboden. Dacia Nederland heeft na een grondig onderzoek vastgesteld dat deze auto geen rijeigenschappen bezit die afwijken van andere Dacia Logan MCV’s. De conclusie was dat een auto van dit merk, type en transmissie zich hoort te gedragen zoals de onderzochte auto. Volgens Dacia Nederland is dit nu eenmaal ‘hoe een Dacia Logan MCV is’.” (zie de brief van [gedaagde] aan de Geschillencommissie van 14 maart 2019, productie 5 van [eiser] ). Dus specifiek de Dacia van [eiser] is door de importeur gezien, en beoordeeld als een producteigenschap (geen gebrek). In redelijkheid heeft dit gegeven kunnen bijdragen aan de conclusie van de Geschillencommissie dat het horten en stoten van de Dacia van [eiser] geen gebrek is.

2.9.

Of de Geschillencommissie heeft overwogen of het horten en stoten van een Dacia van het type zoals die van [eiser] in dit geval non-conformiteit oplevert, blijkt niet uit het bindend advies. De kantonrechter houdt het ervoor dat de Geschillencommissie dit wel heeft beoordeeld, maar tot de conclusie is gekomen dat dit niet het geval is. Kon zij in redelijkheid tot dat oordeel komen? Ja. [gedaagde] heeft expliciet in haar eerdergenoemde brief aan de Geschillencommissie gemeld dat [eiser] bij de aankoop bekend had moeten en kunnen zijn met die specifieke producteigenschap van de Dacia (zie de brief van [gedaagde] aan de Geschillencommissie van 14 maart 2019, productie 5 van [eiser] ). [gedaagde] schrijft: “Bovendien heeft de ondernemer voor aanschaf van de auto uitdrukkelijk geadviseerd om een proefrit te maken, omdat consument voorheen een Volkswagen Caddy had met DSG-automaat, die wezenlijk andere rijeigenschappen heeft. Daarna heeft consument een (vermoedelijk te korte) proefrit gemaakt, en daarna de auto gekocht. Doordat consument heeft proefgereden, had hij met de eigenschappen van de automaat van de auto bekend kunnen en moeten zijn.”. [eiser] maakt niet duidelijk of hij dit bij de procedure naar behoren heeft tegengesproken, dus de kantonrechter gaat ervan uit van niet. De Geschillencommissie heeft dus in redelijkheid (kennelijk impliciet) kunnen beoordelen dat, gezien het feit dat het horten en stoten een producteigenschap is, [eiser] daarmee bekend was of had moeten zijn.

Slotsom

2.10.

In al deze omstandigheden heeft de Geschillencommissie in redelijkheid de klacht van [eiser] kunnen afwijzen. Van een ernstig gebrek in de besluitvorming van de Geschillencommissie is geen sprake en van een schending van de fundamentele beginselen van hoor, wederhoor en motivering is niet gebleken. Dat betekent dat die beslissing in het bindend advies op dit punt niet zal worden vernietigd. Partijen blijven daaraan gebonden. De vordering in conventie wordt gezien het voorgaande afgewezen.

2.11.

Omdat de vordering in conventie wordt afgewezen, is aan de voorwaarde voor de voorwaardelijke reconventie niet voldaan. De kantonrechter komt aan die beoordeling dan ook niet toe.

2.12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde] worden begroot op aan € 480,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 240,00, behorend bij vorderingen van onbepaalde waarde). De nakosten zijn als hierna bepaald toewijsbaar.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan de kostenveroordeling voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 36,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, als het vonnis is betekend, met de explootkosten van betekening;

3.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 november 2020.