Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4792

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 667
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag overname betalingsverplichting werkgever, beroep gegrond, niet gebleken dat aanvraag te laat is ingediend, kale vernietiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/667

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.M. Bijl),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Inleiding

1. Eiser is op 25 april 2016 in dienst getreden bij [werkgever] (hierna: [werkgever] ). Op 7 juni 2016 is [werkgever] opgehouden te bestaan als gevolg van een faillissement. Eiser werkte desondanks gewoon door. Hij kreeg daarbij zijn salarisspecificaties op naam van [werkgever] , maar hij werd betaald vanuit [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Later werd eiser ook nog betaald vanuit [bedrijf 3] . [bestuurder] was de bestuurder van alle genoemde ondernemingen. Op 18 februari 2018 heeft eiser zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 2 maart 2018. Eiser heeft de werkgever daarbij om de uitbetaling van de resterende twee weken loon, vakantiegeld en pensioenafdracht verzocht. Ondanks een rappel per mail aan [bestuurder] heeft volgens eiser deze eindafrekening en uitbetaling niet plaatsgevonden.

2. Op 18 januari 2019 heeft de gemachtigde van eiser schriftelijk aan verweerder verzocht haar te informeren van welke vennootschappen van [bestuurder] de betalingsverplichting is overgenomen door verweerder. Gemachtigde van eiser ontvangt in antwoord daarop op 12 februari 2019 de brief van 8 februari 2019 van verweerder waarin is vermeld dat aan medewerkers die een arbeidsovereenkomst hadden met [werkgever] en waarvan het loon werd uitbetaald door [bedrijf 1] , een uitkering betalingsonmacht op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet is verstrekt.

3. Op 1 augustus 2019 heeft eiser een aanvraag voor een uitkering betalingsonmacht bij verweerder ingediend voor de overname van de betalingsverplichtingen.

4. Met het besluit van 15 augustus 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen omdat deze te laat is ingediend. Met het besluit van 30 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 augustus 2019 ongegrond verklaard. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het standpunt dat het in ieder geval op 18 januari 2019 voor eiser kenbaar moest zijn dat zijn werkgever was opgehouden te betalen. Omdat eiser zijn aanvraag pas op 1 augustus 2019 heeft ingediend is de aanvraag meer dan 26 weken nadat de betalingsonmacht is ingetreden ingediend en bestaat voor eiser geen recht op uitkering. Voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder aan de late indiening van de aanvraag voorbij had moeten gaan, heeft verweerder geen aanknopingspunten gezien.

5. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

6. Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype for Business verbinding plaatsgevonden op 3 augustus 2020. Eiser heeft niet deelgenomen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft na schriftelijk bericht van 30 juli 2019 niet deelgenomen.

Het geschil

7. Eiser is van mening dat verweerder onterecht heeft geoordeeld dat zijn aanvraag te laat is ingediend.

7.1.

Eiser voert aan dat hij pas op 12 februari 2019 bekend was en kon zijn met de betalingsonmacht van zijn werkgever. Pas met de ontvangst van de brief van 8 februari 2019 op 12 februari 2019 is het eiser bekend geworden dat [bedrijf 1] in april 2018 was uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Toen werd voor hem pas duidelijk dat verweerder aan ex-werknemers van [werkgever] waarvan het loon werd betaald door [bedrijf 1] een uitkering betalingsonmacht verstrekt.

7.2.

Subsidiair voert eiser aan dat hij zijn aanvraag al op 26 juni 2019 per brief heeft ingediend. Dat hij de nadien van verweerder ontvangen formulieren pas later invult, ondertekent en op 1 augustus 2019 indient bij verweerder, maakt dat volgens eiser niet anders. Ook wanneer uitgegaan zou worden van 18 januari 2019 heeft hij dus zijn aanvraag tijdig ingediend.

8. Het standpunt van verweerder is niet bekend omdat verweerder geen verweerschrift heeft ingediend en hij ook niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt zijn standpunt ter zitting toe te lichten.

De beoordeling

9. Een werknemer heeft recht op uitkering overname betalingsverplichting indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft. De werknemer heeft geen recht op deze uitkering indien de aanvraag voor deze uitkering is ingediend nadat 26 weken zijn verstreken na de dag waarop de werkgever is komen te verkeren in een toestand als hiervoor besproken. Verweerder is bevoegd in bijzondere gevallen hiervan af te wijken.

10. De vraag die beantwoord moet worden is of eiser tijdig een aanvraag overname betalingsverplichting heeft ingediend. Niet is in geschil dat eiser op 1 augustus 2019 de getekende en ingevulde aanvraagformulieren voor overname betalingsverplichting aan verweerder heeft overhandigd.

11. Om te bepalen of eiser zijn aanvraag tijdig heeft ingediend moet eerst beoordeeld worden vanaf welke datum de werkgever blijvend is opgehouden te betalen. Daarbij geldt dat, omdat de betalingsonmacht niet is ontstaan vanwege een faillissement, schuldsaneringsregeling of surséance van betaling, het moment van betalingsonmacht moet worden vastgesteld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het geval (ECLI:NL:CRVB:2016:3161).

12. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, niet kan worden geoordeeld dat het eiser op 18 januari 2019 kenbaar moest zijn dat de werkgever verkeerde in een blijvende toestand van betalingsonmacht.

12.1.

Op basis van de in het dossier aanwezige stukken en de daarbij gegeven toelichting over de opvolging van de verschillende ondernemingen van [bestuurder] in de arbeidsrelatie met eiser, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser onvoldoende duidelijkheid had over wie zijn werkgever was en of die verkeerde in een blijvende staat van betalingsonmacht. Vanaf datum indiensttreding bij [werkgever] heeft [bestuurder] wisselend gebruik gemaakt van de verschillende namen van de vennootschappen. Daarbij komt ook dat eiser ondanks het faillissement van [werkgever] gewoon bleef werken en betaald werd vanuit andere vennootschappen van [bestuurder] . De betalingsonmacht die nu door eiser wordt geclaimd komt dus niet voort uit het faillissement van [werkgever] . Pas toen eiser uit dienst ging ontstond er een conflict over betalingen. Voor eiser was er ook om die reden geen aanleiding was om aan te nemen dat er sprake was van betalingsonmacht bij zijn werkgever.

12.2.

Uit de brief van de gemachtigde van eiser van 18 januari 2019 aan verweerder blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat de gemachtigde van eiser verweerder om informatie verzoekt. Zij wil graag vernemen van verweerder voor welke vennootschap van [bestuurder] verweerder de betalingsverplichting heeft overgenomen zodat zij voor die (ex)-medewerkers een aanvraag kan doen voor overname van de betalingsverplichting. Het betreft een meer algemene vraag. Duidelijk is ook dat zij niet weet om welke BV het gaat. Nergens blijkt uit dat het zou gaan om de zaak van eiser.

12.3.

Pas nadat de gemachtigde van eiser op 12 februari 2019 de brief van verweerder heeft ontvangen wordt duidelijk dat [bedrijf 1] in april 2018 is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat verweerder aan mensen met een arbeidscontract met [werkgever] en die werden betaald door [bedrijf 1] een uitkering heeft verstrekt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat op 12 februari 2019 voor het eerst sprake was van een voor eiser duidelijk kenbare toestand van blijvende betalingsonmacht van zijn ex-werkgever.

13. Uitgaande van de datum van 12 februari 2019 overweegt de rechtbank dat eiser zijn aanvraag voor 12 augustus 2019 ingediend moest hebben. Niet in geschil is dat eiser, daargelaten of eiser ook al op een eerdere datum een aanvraag bij verweerder heeft gedaan, de aanvraagformulieren in ieder geval op 1 augustus 2019 bij verweerder heeft ingediend. Daaruit volgt dat eiser zijn aanvraag om een overname betalingsverplichting binnen de gestelde termijn van 26 weken heeft ingediend.

Verzoek om schadevergoeding

14. Eiser heeft tijdens de zitting het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade ingetrokken. De rechtbank zal dit daarom niet verder bespreken.

Conclusie

15. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte heeft afgewezen omdat deze te laat zou zijn ingediend. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, aangezien voor de verdere besluitvorming nog een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door verweerder vereist is. De rechtbank draagt verweerder daarom op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag nadat deze uitspraak is verzonden.

Proceskosten

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, draagt de rechtbank verweerder op aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.A. Willems, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.