Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:478

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
8176688
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

geen rechtsgeldig ontslag op staande voet AOW-gerechtigde. Hoogte billijke vergoeding gerelateerd aan pensioenschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0210
PR-Updates.nl PR-2020-0040
JAR 2020/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8176688 AE VERZ 19-63 MvdH/40201

Beschikking van 12 februari 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.P.A. Bos,

tegen:

de besloten vennootschap

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. S.A. Coster.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 19 november 2019;

- het zelfstandig tegenverzoek tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van [verweerster] van 21 november 2019;

- het verweerschrift van [verzoeker] tegen het zelfstandig tegenverzoek van 3 januari 2020;

- de aanvulling op het verzoekschrift van [verzoeker] van 3 januari 2020;

- het verweerschrift van [verweerster] met een tweede zelfstandig tegenverzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding van 6 januari 2020;

- het verweerschrift van [verweerster] van 8 januari 2020 tegen de aanvullende verzoeken;

- de productie 17 van 10 januari 2020 van [verzoeker] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van partijen hebben hun standpunt naar voren gebracht aan de hand van een pleitnota.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is gespecialiseerd in het transport en de logistiek van goederen.

2.2.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1953, is sinds 1 februari 2012 voor onbepaalde tijd in dienst van [verweerster] , als Nationaal/Internationaal Chauffeur tegen een salaris van € 2.670,89 bruto per maand exclusief emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Beroepsgoederenvervoer van toepassing.

2.3.

Op 26 mei 2019 bereikte [verzoeker] de AOW-gerechtigde leeftijd. In overleg met [verweerster] is [verzoeker] nadien werkzaam gebleven.

2.4.

[verzoeker] is door [verweerster] op 20 september 2019 op staande voet ontslagen. Bij brief van 23 september 2019 heeft mevrouw [A] , directeur bij [verweerster] , het ontslag schriftelijk bevestigd. In deze brief staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

“(…)

Aan u is reeds kenbaar gemaakt dat de reden voor uw ontslag op staande voet, is gelegen in het feit dat u uw werk heeft geweigerd. Op donderdag 29 augustus 2019 heeft u zich gemeld bij onze balie om de informatie over uw werkzaamheden van vrijdag 30 augustus 2019 op te vragen. Nadat de informatie aan u werd verstrekt, gaf u aan geen andere oplegger aan te willen koppelen waarmee u de volgende dag diende te rijden. U heeft het volgende gezegd: ‘Ik doe dat niet; dan stop ik ermee. Ik kan zo elders aan de bak of ik ga met pensioen’. Van uw uitspraken zijn de heer [B] en de heer [C] , beiden werkzaam in de functie van ‘Planner’, getuigen. U bent vervolgens weggelopen. Om de bedrijfsvoering niet in gevaar te brengen, hebben wij onze planning op het laatste moment moeten wijzigen. Hierdoor worden extra kosten gemaakt. Ook de afdeling planning wordt hiermee extra belast.

Nadat ik in kennis ben gesteld van uw gedragingen op 29 augustus 2019, heb ik diezelfde dag met u een gesprek gevoerd, Ik heb u uitgelegd dat als u zich op deze manier opstelt, u uw werk weigert en dat dit onacceptabel is voor ons. U heeft hierop nog eens aangegeven dat u dan wel om zich heen zou gaan kijken, omdat u alleen met ‘uw oplegger’ wilde rijden. Nogmaals is kenbaar gemaakt dat u zelf niet kunt bepalen met welke oplegger u rijdt en dat u gehouden bent de redelijke opdrachten van ons uit te voeren. Kortom, u was gewaarschuwd. Immers als alle chauffeurs zich op deze manier zouden opstellen en eisen zouden stellen aan de opleggers waarmee zij wel of niet willen rijden, wordt onze bedrijfsvoering onmogelijk.

Op donderdag 19 september2019, meldde u zich aan het einde van de middag opnieuw bij de balie om informatie over uw werkzaamheden op vrijdag 20 september 2019 in te winnen. Op dat moment zat ik zelf tijdelijk op de afdeling planning, aangezien één van de planners afwezig was wegens ziekte. Ik heb aangegeven wat u op 20 september 2019 diende te doen en op welke adressen u diende te lossen. Hierop vroeg u: ‘Kan ik dat met mijn eigen oplegger gaan?’. Hierop gaf ik aan: Nee, het wordt trailer nummer X.’ Uw reactie hierop was: ‘Dan geloof ik dat ik hoofdpijn heb. Ik ga morgenochtend naar de huisarts’. Van dit gesprek is de heer [B] getuige.

Onze planner heeft op vrijdag 20 september 2019 contact met u opgenomen, nadat u niet bent

verschenen. Om 11:21 uur zond hij u een bericht via WhatsApp. Aan u is gevraagd of u maandag aanwezig bent. Hierop heeft u om 12:53 uur als volgt gereageerd: ‘Ben ik er niet’. Om 15:36 uur heeft uw partner gebeld om u ziek te melden.

U was gewaarschuwd voor het feit dat het voor ons onacceptabel is dat een chauffeur het

aankoppelen van een andere oplegger weigert. Bovendien is het aankoppelen van een andere

oplegger een redelijke opdracht gelet op uw werkzaamheden als chauffeur. Op 19 september 2019 was u voornemens uw werkzaamheden op 20 september 2019 uit te gaan voeren, tot het moment dat u vernam dat u een andere opleggen toegewezen kreeg. Uw werkweigering heeft onze bedrijfsvoering ernstig belemmerd en benadeeld. De maat is daarmee vol. Gelet op uw eerdere gedragingen op 29 augustus 2019 en de gedraging op donderdag 19 september 2019, welke de druppel was die de emmer deed overlopen, waren wij genoodzaakt u op staande voet te ontslaan.

(…)”

2.5.

[verzoeker] heeft na het ontslag op staande voet het Pensioenfonds Vervoer benaderd om de datum voor het uitkeren van zijn ouderdomspensioen te vervroegen. Eerder (eind 2017) had hij richting het Pensioenfonds aangegeven dat hij zijn pensioen wilde laten ingaan per 1 mei 2020. Het Pensioenfonds betaalt naar aanleiding van het verzoek van [verzoeker] sinds 1 november 2019 ouderdomspensioen aan [verzoeker] . Zijn pensioenuitkering bedraagt € 1.012,89 bruto per maand.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] heeft – na wijziging en aanvulling van zijn verzoek - verzocht om:

- te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met artikel 7:671 en 7:670 BW en dat is opgezegd tegen een datum die ten minste 5 maanden en 11 dagen eerder lag dan tussen partijen gold;

en aan hem toe te kennen:

  • -

    een vergoeding van € 22.995,63 bruto vanwege de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst;

  • -

    een billijke vergoeding van in totaal € 48.770,69, te verminderen met de vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

  • -

    een vergoeding van € 4.671,87 netto wegens de gemaakte kosten van rechtsbijstand;

  • -

    de wettelijke rente over deze vergoedingen vanaf 20 september 2019;

  • -

    de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] het navolgende ten grondslag. [verzoeker] heeft op 20 september 2019 niet geweigerd om met een andere oplegger te rijden. Hij heeft op 19 september 2019 aangekondigd de volgende dag naar de huisarts te gaan omdat hij zich niet lekker voelde. Na zijn bezoek aan de huisarts op 20 september 2019 heeft de echtgenote van [verzoeker] aan [verweerster] laten weten dat hij ziek was en die dag niet kon werken. Dit vormt geen dringende reden voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en is in strijd met het opzegverbod wegens ziekte. Verder heeft [verzoeker] geen waarschuwing gehad voorafgaand aan het ontslag op staande voet en heeft geen voorafgaand hoor en wederhoor plaatsgevonden.

3.3.

[verweerster] voert verweer en heeft zelf tevens een verzoekschrift ingediend. [verweerster] betoogt, kort samengevat, dat voldaan is aan de eisen die gelden voor een ontslag op staande voet. De dringende reden voor het ontslag van [verzoeker] is het hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van [verweerster] . [verzoeker] is eerder (op 29 augustus 2019) gewaarschuwd dat hij niet zelf kan bepalen met welke oplegger hij wenst te rijden. Door geen gevolg te geven aan de redelijke opdracht van [verweerster] maakt [verzoeker] de bedrijfsvoering voor [verweerster] onmogelijk. Het ontslag houdt geen verband met de ziekmelding en is niet in strijd met het opzegverbod. [verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [verzoeker] . De hoogte van de gevorderde vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging valt volgens haar niet te volgen, er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen waardoor toekenning van een billijke vergoeding niet aan de orde is en voor toekenning van de volledige (werkelijke) proceskosten is geen aanleiding omdat er geen sprake is van misbruik van procesrecht.

3.4.

[verweerster] heeft verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de gefixeerde schadevergoeding van € 3.708,72 omdat [verzoeker] aan haar door zijn opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Voorts heeft [verweerster] verzocht om – voor zover vereist – de arbeidsovereenkomst te ontbinden primair op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] of subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [verweerster] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst – indien en voor zover zou komen vast te staan dat deze niet op 20 september 2019 is geëindigd – met [verzoeker] te laten voortduren. Eén en ander met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure en de nakosten.

3.5.

[verzoeker] heeft op zijn beurt verweer gevoerd tegen het verzoek van [verweerster] . Hierop, en op hetgeen partijen ter zitting verder hebben verklaard ter onderbouwing van hun standpunten, zal in het volgende, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet van 20 september 2019 voldoet aan de eisen van artikel 7:677 BW lid 1 BW en dus of [verweerster] de arbeidsovereenkomst mocht opzeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan [verzoeker] .

Dringende reden
4.2. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beoordeling te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

4.3.

[verweerster] heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] haar redelijke opdracht om een andere oplegger achter zijn truck te koppelen, (twee maal) heeft geweigerd.

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat een werknemer geen redelijke opdrachten van zijn werkgever mag weigeren. In de onderhavige situatie staat naar het oordeel van de kantonrechter niet vast dat [verzoeker] op 20 september 2019 heeft geweigerd om een andere oplegger achter zijn truck te koppelen omdat partijen op dit punt een afwijkende lezing van de feiten hebben. Een bewijsopdracht aan [verweerster] ligt dan ook in beginsel voor de hand. De kantonrechter zal hier in de onderhavige situatie echter niet toe overgaan omdat, ook indien [verweerster] erin zou slagen te bewijzen dat [verzoeker] (twee maal) heeft geweigerd een andere dan zijn eigen oplegger achter zijn vrachtwagen te koppelen en/of hij om die reden op 20 september 2019 niet op het werk is verschenen, dit in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat een ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden, ook als de lezing van [verweerster] zou komen vast te staan, een te ingrijpend middel is geweest. [verweerster] had [verzoeker] , gelet op de aard van het verweten gedrag, eerst moeten waarschuwen dat ontslag (op staande voet) zou volgen indien hij geen gehoor zou geven aan de opdracht van zijn werkgever. Dat is na het incident op 29 augustus 2019 niet gebeurd. Uit de door [verweerster] overgelegde stukken blijkt weliswaar dat mevrouw [A] via WhatsApp aan haar zus heeft bericht dat zij [verzoeker] er mondeling op heeft gewezen dat zijn gedrag niet acceptabel is, maar van een officiële schriftelijke waarschuwing, zoals [verweerster] die wel eerder in 2015, 2016 en 2017 heeft verzonden in verband met het niet dragen van een veiligheidsgordel, is geen sprake geweest. Ook direct voorafgaand aan het ontslag op staande voet heeft [verweerster] [verzoeker] niet gewaarschuwd. Op de zitting heeft mevrouw [A] verklaard dat zij op 19 september 2019 voornamelijk overrompeld was door het gedrag van [verzoeker] en niet heeft gereageerd op de mededeling van [verzoeker] dat hij de volgende dag naar de huisarts zou gaan. Ook op 20 september 2019 is door [verweerster] geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om [verzoeker] te waarschuwen voor de consequenties als hij niet op het werk zou komen of niet aan de gegeven opdracht zou voldoen. Er is op die ochtend enkel per WhatsApp aan [verzoeker] gevraagd of hij die dag nog zou komen waarop hij nee geantwoord heeft.

4.6.

Gelet op het voorgaande is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Dit geldt te meer nu de kantonrechter is gebleken dat er geen sprake is geweest van een structureel weigeren van [verzoeker] om met een andere oplegger te rijden. Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] meerdere keren wel met andere opleggers heeft gereden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verweerster] in de gegeven omstandigheden, waaronder ook de duur en het verloop van het dienstverband, niet had mogen overgaan tot het geven van het als ultimum remedium geldende ontslag op staande voet. [verweerster] had in dit stadium kunnen volstaan met een minder verstrekkende maatregel zoals een schriftelijke waarschuwing.

4.7.

De kantonrechter weegt ook mee dat [verweerster] na de ziekmelding van [verzoeker] niet door haar bedrijfsarts heeft laten onderzoeken of zijn gedrag mogelijk samenhing met ziekte.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, zodat [verweerster] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW.

Onregelmatige opzegging/gefixeerde schadevergoeding

4.9.

Partijen hebben over en weer om toekenning van een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst verzocht, waarbij [verzoeker] tevens verzocht heeft om voor recht te verklaren dat [verweerster] heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen gold en in strijd met artikel 7:671 BW.

4.10.

Nu vast staat dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ten onrechte onverwijld heeft opgezegd, is [verweerster] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd aan [verzoeker] . De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In de onderhavige situatie bedraagt de door [verweerster] in acht te nemen opzegtermijn op grond van de cao twee maanden, waarbij ingevolge lid 1 van artikel 7:672 BW de opzegging geschiedt tegen het einde van de maand.

4.11.

De termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren dient in de onderhavige situatie als volgt te worden bepaald. Het ontslag op staande voet is op 20 september 2019 gegeven. Dit betekent dat [verweerster] , als zij regelmatig zou hebben opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, had moeten opzeggen tegen het einde van de tweede maand, te weten 30 november 2019. Uit punt 41 en 42 van het verzoek van [verzoeker] volgt dat hij niet van de juiste termijn is uitgegaan bij zijn berekening van de vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging. Hij heeft die termijn immers bepaald op 5 maanden en 11 dagen rekening houdende met een ziekteperiode van 13 weken. Dit is niet juist omdat de vergoeding van artikel 7:672 lid 11 BW enkel een vergoeding inhoudt voor het niet in acht nemen van de geldende opzegtermijn onafhankelijk van de vraag of al dan niet kon worden opgezegd en de werkelijk geleden schade. Uitgaande van een maandloon van € 4.290,23, dat door [verweerster] niet is weersproken, berekent de kantonrechter de gefixeerde schadevergoeding over de termijn van 20 september 2019 tot 30 november 2019 op een bedrag van € 10.153,54 bruto (2,36 maal € 4.290,23). De wettelijke rente over dit bedrag wordt, conform artikel 7:686a lid 1 BW, toegewezen vanaf 20 september 2019 tot aan de dag van algehele voldoening.

4.12.

Gelet op het voorgaande zal de door [verzoeker] gevraagde verklaring voor recht worden afgewezen.

Het verzoek van [verweerster] tot toekenning aan haar van de gefixeerde schadevergoeding zal, gelet op het voorgaande, ook worden afgewezen.

De ontbinding voor zover vereist

[verweerster] heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, voor zover vereist. Aangezien [verzoeker] niet heeft verzocht om het ontslag op staande voet in te trekken, is de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerster] met ingang van 20 september 2019 een gegeven. Aan de voorwaarde waaronder [verweerster] dit verzoek heeft gedaan is dan ook niet voldaan waardoor hierop niet hoeft te worden beslist.

Billijke vergoeding

4.13.

[verzoeker] heeft verzocht hem een billijke vergoeding toe te kennen ten bedrage van € 31,604,69 aan gemist inkomen, te verminderen met de toe te wijzen vergoeding wegens onregelmatige opzegging, € 9.666,00 aan gemist ouderdomspensioen en € 7.500,00 aan immateriële schade. [verweerster] heeft daartegen ingebracht dat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, zodat dit verzoek niet kan worden toegewezen. Dit verweer wordt verworpen, omdat de rechtsgrond voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW in beginsel reeds is gegeven met het oordeel dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag lag (zie Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 113). Een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht is, behoudens bijzondere omstandigheden, als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. [verweerster] heeft geen omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat dit anders is.

Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen.

4.14.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de hoogte van de billijke vergoeding vooral bepaald wordt door de mate van het ernstig verwijtbare handelen en nalaten van de werkgever. Daarbij heeft de kantonrechter de mogelijkheid om de hoogte van de vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de omstandigheden van het geval. In dit geval wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat [verzoeker] zijn pensioen eerder moeten laten ingaan dan gepland omdat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ten onrechte heeft beëindigd. Hij lijdt hierdoor inkomensverlies. Zijn pensioenuitkering bedraagt nu € 1.012,89 bruto per maand. Zijn loon bedroeg, zoals hiervoor al aan de orde was, gemiddeld € 4.290,23 per maand. Dit betekent een maandelijks verschil van € 3.277,34. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit verschil tot 1 mei 2020 volledig voor rekening van [verweerster] te laten komen aangezien [verzoeker] op de zitting heeft aangegeven nu nog ziek te zijn. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [verzoeker] vanaf 20 september 2019 arbeidsongeschikt is geweest en gebleven. De loondoorbetalingsverplichting van [verweerster] zou hierdoor eind december 2019 (na 13 weken) zijn geëindigd. De kantonrechter acht compensatie van het verschil in inkomsten tot 1 januari 2020 daarom billijk. Uitgangspunt daarbij is dat het in deze omstandigheden voor de hand ligt dat [verzoeker] met ingang van 1 januari 2020 zijn pensioen zou hebben laten ingaan. Het inkomensverlies tot 30 november 2019 wordt reeds gecompenseerd door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De kantonrechter zal de te betalen vergoeding daarom vaststellen op het verschil in inkomen gedurende één maand, ter hoogte van € 3.277,34.

4.15.

Als gevolg van het eerder in moeten laten gaan van zijn pensioen vanwege het onterechte ontslag heeft [verzoeker] ook een lager pensioen. Zoals hiervoor aangegeven gaat de kantonrechter ervan uit dat [verzoeker] zonder het ontslag op staande voet per 1 januari 2020 zijn pensioen zou hebben laten uitkeren. De berekening van [verzoeker] gaat uit van 1 mei 2020 als pensioendatum en kan om deze reden niet worden gevolgd. De kantonrechter acht een bedrag van € 4.000,00 redelijk voor het gemis aan pensioenopbouw van [verzoeker] . De kantonrechter ziet geen aanleiding om de nabestaandenpensioenschade in de billijke vergoeding te verdisconteren omdat dit geen schade is die [verzoeker] zelf lijdt. Evenmin ziet de kantonrechter aanleiding voor een immateriële schadevergoeding als component van de billijke vergoeding nu de kantonrechter niet is gebleken van een ernstige inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van [verzoeker] . Op grond van het hiervoor overwogene wordt aan [verzoeker] een billijke vergoeding toegekend van € 7.277,34 (€ 3.277,34 + € 4.000,00). De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf vanaf veertien dagen na deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening.

Kosten rechtsbijstand en proceskosten

4.16.

[verzoeker] heeft een bedrag van € 4.671,89 netto gevorderd als kosten van rechtsbijstand. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (New Hairstyle) en stelt dat daaruit volgt dat deze kosten op grond van artikel 7:611 BW voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter wijst dit deel van het verzoek af. Deze kosten worden geacht te vallen onder de proceskosten zoals bedoeld in artikel 237 Rv. Uit de door [verzoeker] aangehaalde uitspraak volgt dat dit anders is indien de betreffende kosten niet ten behoeve van de lopende procedure zijn gemaakt. Dat dat hier het geval is, is niet door [verzoeker] gesteld en blijkt ook niet uit de overgelegde stukken. In dat geval komen gemaakte kosten, anders dan het forfaitaire tarief, alleen voor vergoeding in aanmerking indien sprake is van misbruik van procesrecht van in dit geval [verweerster] . Aan dat (strenge) criterium is niet voldaan.

[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter zal [verweerster] in de proceskosten ter hoogte van het liquidatietarief veroordelen. De proceskosten worden aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op: € 720,00 aan salaris gemachtigde en € 486,00 aan griffierecht.

4.17.

De gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld.

4.18.

De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waartegen geen verweer is gevoerd, zal eveneens worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 7.277,34 ter zake van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] vanwege de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 10.153,54 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf 20 september 2019 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 1.206,00,

5.4.

veroordeelt [verweerster] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [verzoeker] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.