Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:477

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
8257185 MV EXPL 20-4
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming van woning na buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst (o.g.v. art. 7:231 lid 2 BW) na besluit van de burgemeester om de woning te sluiten vanwege aangetroffen hoeveelheid (hard)drugs (o.g.v. art. 13b Opiumwet).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2020/88 met annotatie van G.J. Scholten
Huurrecht 2020-0041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 8257185 MV EXPL 20-4

Kort geding vonnis van 12 februari 2020

inzake

de stichting

STICHTING DUDOK WONEN,

gevestigd te Hilversum,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. D.L. van Praag,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp.

Partijen worden hierna Dudok en [gedaagde sub 1] c.s. (in mannelijk enkelvoud) genoemd.

[gedaagde sub 1] c.s. zal afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie;

  • -

    de zitting op 29 januari 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

  • -

    de ter zitting overgelegde aantekeningen van Dudok;

  • -

    de na afloop van de zitting – zoals ter zitting besproken – nog toegestuurde beslissing op bezwaar d.d. 29 januari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

Inleiding

2.1.

[gedaagde sub 1] c.s. huurt van Dudok de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) sinds 1 maart 1994.

2.2.

Op 3 juni 2019 heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek van de politie een doorzoeking plaatsgevonden van de woning (en bijbehorende tuin en twee schuurtjes).

[gedaagde sub 2] was daarbij aanwezig. Van de bevindingen van deze doorzoeking is een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Hieruit volgt dat onder meer het volgende is aangetroffen: 80,1 gram cocaïne, 88 gram hasj, 75,27 gram (vermoedelijk) lidocaïne, 74,26 gram (vermoedelijk) versnijdingsmiddel, een luchtdrukwapen (balletjespistool) met twee doosjes munitie, een digitale weegschaal, een vacumeermachine, een kluis en een aantal mobiele telefoons (drie BlackBerry’s en twee niet-smartphones). Deze drugs en overige zaken zullen hierna worden aangeduid als ‘de drugs’.

2.3.

Vanwege de aangetroffen hoeveelheid (hard)drugs heeft de burgemeester van de gemeente Hilversum P.I. Broertjes (hierna: de burgemeester) bij brief van 8 augustus 2019 zijn voornemen tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden kenbaar gemaakt. Hoewel [gedaagde sub 1] c.s. zich bij brief van 22 augustus 2019 tegen de sluiting heeft verzet, heeft de burgemeester bij brief van 25 september 2019 definitief beslist dat de woning wordt gesloten voor de duur van drie maanden, met ingang van 7 oktober 2019 (hierna: het sluitingsbesluit).

2.4.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft op 25 september 2019 bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbesluit. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] c.s. op 27 september 2019 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de feitelijke sluiting totdat in de bezwaarprocedure is beslist. De burgemeester heeft (daarom) de feitelijke uitvoering van het sluitingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

2.5.

Dudok heeft bij brief van 3 oktober 2019 de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden per 7 oktober 2019 op grond van artikel 7:231 lid 2 BW.

2.6.

Op 7 november 2019 heeft de voorzieningenrechter de door [gedaagde sub 1] c.s. verzochte voorlopige voorziening afgewezen. De burgemeester heeft vervolgens, in aanvulling op het sluitingsbesluit, beslist dat de woning met ingang van 15 november 2019 wordt gesloten voor drie maanden, dus tot 15 februari 2020.

2.7.

De woning is feitelijk gesloten vanaf 15 november 2019.

De vorderingen over en weer

2.8.

Dudok vordert veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot ontruiming van de woning uiterlijk op 28 februari 2020 en tot betaling van eventuele ontruimingskosten, proceskosten en nakosten.

2.9.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer tegen de gevorderde ontruiming. Ingeval de ontruiming wordt toegewezen, vordert [gedaagde sub 1] c.s. in (voorwaardelijke) reconventie dat Dudok uiterlijk per ontruimingsdatum vervangende woonruimte ter beschikking stelt aan [gedaagde sub 1] c.s., met veroordeling van Dudok in de proceskosten.

2.10.

De kantonrechter zal hierna – voor zover voor de beoordeling van belang –
op de stellingen van partijen ingaan.

Spoedeisend belang

2.11.

De kantonrechter is – anders dan [gedaagde sub 1] c.s. meent – van oordeel dat voldoende is gebleken dat Dudok een spoedeisend belang heeft. De vordering tot ontruiming nadat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, met de daaraan verbonden consequentie dat de gewezen huurders zonder recht of titel in de woning (zullen) verblijven, is naar haar aard spoedeisend. Als (door Dudok beoogd) gevolg van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst bestaat geen verbintenis meer om aan [gedaagde sub 1] c.s. het huurgenot te verschaffen. Dudok heeft in dat geval belang bij spoedige ontruiming van de woning.

2.12.

De door [gedaagde sub 1] c.s. aangevoerde argumenten (dat er geen sprake is van woningnood in Hilversum, dat er geen huurachterstand is en dat er geen sprake is van gevaarzetting of overlast) geven geen aanleiding te oordelen dat dit in dit geval anders is.

Dudok zal dan ook in haar vorderingen worden ontvangen.

2.13.

De vraag die in dit kort geding moet worden beantwoord is of de buitengerechtelijke ontbinding door Dudok naar voorlopig oordeel met voldoende mate van zekerheid zal standhouden bij de bodemrechter en zo ja, of de ontruiming als voorlopige voorziening kan worden toegewezen.

Status sluitingsbesluit

2.14.

Vast staat dat de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet de woning heeft gesloten voor de duur van drie maanden. In beginsel dient de kantonrechter uit te gaan van de juistheid van de beslissing van het bestuursorgaan (in deze zaak: de burgemeester), ook al staan daar nog rechtsmiddelen tegen open. De bestuursrechtelijke rechtsgang hoeft niet te worden afgewacht. Slechts indien blijkt van concrete feiten omstandigheden die maken dat in redelijkheid moet worden geoordeeld dat het besluit ondeugdelijk is, kan niet blindelings op het besluit van de burgemeester worden afgegaan.

2.15.

De kantonrechter is van oordeel dat op voorhand voldoende aannemelijk is dat het sluitingsbesluit zal standhouden. Niet alleen heeft de voorzieningenrechter de door
[gedaagde sub 1] c.s. verzochte voorlopige voorzieningen afgewezen, bovendien is gebleken dat in de bezwaarprocedure het bezwaar van [gedaagde sub 1] c.s. inmiddels ongegrond is verklaard.

De kantonrechter gaat daarom ook uit van de juistheid van het sluitingsbesluit.

Buitengerechtelijke ontbinding

2.16.

De verhuurder is op grond van artikel 7:231 lid 2 BW bevoegd om tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan, (onder meer) indien de woning door de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet is gesloten.

2.17.

Na het sluitingsbesluit van 25 september 2019 heeft Dudok de huurovereenkomst bij brief van 3 oktober 2019 buitengerechtelijk ontbonden per 7 oktober 2019 (hierna: de ontbindingsbrief).

2.18.

Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. dat de woning op het moment van ontbinding nog niet feitelijk gesloten was en dat daarom niet is voldaan aan artikel 7:231 lid 2 BW,

kan hem niet baten. Weliswaar is de ontbindingsbrief van 3 oktober 2019 vóór de feitelijke woningsluiting verstuurd, maar daarin staat dat huurovereenkomst pas wordt ontbonden per 7 oktober 2019 (de in eerste instantie bepaalde sluitingsdatum). De burgemeester heeft de feitelijke uitvoering van het sluitingsbesluit echter opgeschort, omdat [gedaagde sub 1] c.s. de voorzieningenrechter heeft verzocht om een voorlopige voorziening. Nadat dat verzoek door de voorzieningenrechter was afgewezen, heeft de burgermeester de sluitingsdatum – al dan niet uit coulance – nader bepaald op 15 november 2019. Aangezien de aanvankelijke sluitingsdatum door toedoen van [gedaagde sub 1] c.s. is verschoven, kan hij zich

(bij de toepassing van art. 7:231 lid 2 BW) in redelijkheid er niet op beroepen dat de woning op de aanvankelijke sluitingsdatum nog niet daadwerkelijk was gesloten (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7167).

2.19.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de ontbinding niet rechtsgeldig is, omdat de ontbindingsbrief niet is ondertekend en afkomstig is van een medewerker woonfraude van Dudok. Dat standpunt kan evenmin worden gevolgd.

De (inhoud van de) ontbindingsbrief betreft een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard en kan daarom worden gekwalificeerd als een rechtshandeling als bedoeld in artikel 3:33 BW. Uit geen enkele verklaring of gedraging van Dudok kan redelijkerwijs worden afgeleid dat die wil bij Dudok ontbrak, laat staan dat

[gedaagde sub 1] c.s. daar in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen. Zo heeft Dudok voorafgaand aan de ontbindingsbrief (bij brief van
11 september 2019) al aangegeven beëindiging van de huurovereenkomst na te streven.

Ter zitting heeft Dudok bevestigd dat de betreffende medewerker bevoegd was om de ontbindingsbrief (namens Dudok) te verzenden. Vast staat dat de ontbindingsbrief [gedaagde sub 1] c.s. heeft bereikt, zodat die haar werking heeft gekregen (art. 3:37 BW). Of de brief al dan niet was ondertekend, doet hier niet aan af.

2.20.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Dudok de bevoegdheid toekwam om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden.

Toetsing

2.21.

Dat Dudok in beginsel terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, neemt niet weg dat de kantonrechter moet toetsen of gebruikmaking van die bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) dan wel misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) oplevert. Daarnaast dient de kantonrechter de proportionaliteit te toetsen, door de vraag te beantwoorden of, gegeven de belangen van Dudok bij de buitengerechtelijke ontbinding en de gevorderde ontruiming, de belangen van [gedaagde sub 1] c.s. bij voorgezette bewoning niet onevenredig worden aangetast (art. 8 EVRM). Bij deze toets moet de rechter terughoudend zijn. Bijzondere omstandigheden zijn vereist om ontruiming na buitengerechtelijke ontbinding te voorkomen. Gelet op het bepaalde in artikel 150 Rv rusten de stelplicht en de bewijslast dat van die bijzondere omstandigheden sprake is,
anders dan [gedaagde sub 1] c.s. meent, op hem.

2.22.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat hem geen enkel verwijt van de aanwezigheid van de drugs in zijn woning kan worden gemaakt, omdat hij daarvan geen wetenschap had en ook niet had kunnen hebben.

2.23.

In de rechtspraak wordt als uitgangspunt genomen dat het aantreffen van drugsgerelateerde activiteiten in een woning wetenschap aan de zijde van de huurder impliceert. Een bewoner mag immers bekend worden verondersteld met wat er in zijn woning staat opgeslagen, zeker als het een hoeveelheid betreft die niet over het hoofd kan worden gezien. Het is daarom aan [gedaagde sub 1] c.s. om zijn verweer dat hij geen kennis had van de aangetroffen drugs, voldoende te onderbouwen. Hij zal in het kader van dit verweer in ieder geval vanaf het begin volledig open kaart moeten spelen.

2.24.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 1] c.s. het ontbreken van kennis en betrokkenheid onvoldoende heeft onderbouwd, temeer omdat hij heeft nagelaten om volledig open kaart te spelen. Zo voert [gedaagde sub 2] aan dat zij niets te verbergen had bij de woningdoorzoeking, maar tegelijkertijd heeft [gedaagde sub 2] bij het politieverhoor een beroep op haar zwijgrecht gedaan. Verder heeft [gedaagde sub 1] c.s. geen antwoord gegeven op de door Dudok ter zitting gestelde vraag hoe hij – indien hij daadwerkelijk geen enkele weet had van de drugs – dan weet dat de drugs vóór 13 mei 2019 (dus voordat [gedaagde sub 2] terugkwam uit Marokko) in de woning zijn gelegd. In de conclusie van antwoord is gesteld dat de kans bestaat dat één van de kinderen misbruik van de woning heeft gemaakt (§13) en dat blijkbaar misbruik is gemaakt van het vertrouwen van de ouders (§17). Tegelijkertijd heeft [gedaagde sub 1] c.s. echter (gelijkluidende) schriftelijke verklaringen van alle kinderen overgelegd, waarin staat dat zij niets van de drugs in de woning af weten. Dit is tegenstrijdig met elkaar.

2.25.

Ter zitting heeft de zoon van [gedaagde sub 1] c.s. (de heer [A] , hierna: de zoon), in strijd met zijn eerdere schriftelijke verklaring, voor het eerst verklaard dat hij de drugs in de woning heeft geplaatst ten behoeve van iemand anders. Indien van de juistheid van die verklaring van de zoon zou worden uitgegaan, hebben de drugs bijna een maand in de woning gelegen (vanaf 10 mei 2019 tot en met de politiedoorzoeking op 3 juni 2019).

Het standpunt van [gedaagde sub 1] c.s. dat die drugs slechts voor een kortdurende periode in de woning zijn neergezet, kan dan ook niet worden gevolgd. Die verboden situatie is ook slechts geëindigd door de politiedoorzoeking en niet duidelijk is hoe lang die situatie anders zou hebben voortgeduurd.

2.26.

De kantonrechter wil wel aannemen dat de drugs door de zoon in de woning zijn gelegd om ontdekking daarvan bij hemzelf of een derde te voorkomen, maar dit betekent nog niet dat [gedaagde sub 1] c.s. er geen verwijt van kan worden gemaakt dat die drugs ruim drie weken in de woning hebben gelegen. In de eerste plaats acht de kantonrechter het onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2] er echt geen weet van hadden dat die drugs in hun woning aanwezig waren. De omstandigheden waaronder de drugs zijn aangetroffen en het feit dat de bij de woningdoorzoeking aangetroffen zaken op verschillende plekken in en om de woning zijn aangetroffen, zijn aanwijzingen van het tegendeel. In de tweede plaats had van [gedaagde sub 1] c.s., als dit wel zo zijn geweest, verwacht mogen worden dat hij er na ontdekking alles aan had gedaan om te achterhalen wie die drugs dan buiten zijn medeweten in zijn woning had bewaard. De kantonrechter acht niet aannemelijk dat [gedaagde sub 1] c.s. niet heeft geweten dat dit zijn zoon was geweest; in ieder geval is onaannemelijk dat dit voor hem pas door de verklaring van zijn zoon ter zitting van 29 januari 2020 (ruim 8 maanden na de ontdekking van de drugs) duidelijk is geworden. Het is zeer wel denkbaar dat
c.s. onvoldoende in staat was weerstand te bieden aan zijn zoon en ook dat hij geen man en paard wilde noemen om zijn zoon te beschermen, maar die omstandigheden (voor zover dit het geval is) dienen in het kader van deze procedure voor zijn eigen rekening en risico te komen en kunnen niet aan Dudok worden tegengeworpen.

Naar voorlopig oordeel heeft [gedaagde sub 1] c.s. dus nagelaten om volledig open kaart te spelen, zodat aan het verweer ten aanzien van het ontbreken van kennis en betrokkenheid, zal worden voorbijgegaan.

2.27.

Aangetroffen is onder meer 80,1 gram cocaïne, 88 gram hasj, 75,27 gram (vermoedelijk) lidocaïne, 74,26 gram (vermoedelijk) versnijdingsmiddel. Dudok heeft
– indien het inderdaad om versnijdingsmiddel gaat – onweersproken gesteld dat dit samen goed is voor circa 229 gram versneden cocaïne. Cocaïne wordt als harddrug beschouwd.
Uit vaste jurisprudentie en de Aanwijzing Opiumwet volgt dat een grotere hoeveelheid dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs in beginsel niet wordt aangemerkt als een hoeveelheid voor eigen gebruik, maar als een handelshoeveelheid. Alleen al gelet op de substantiële overschrijding van voormelde hoeveelheden moet ervan worden uitgegaan dat de aangetroffen drugs bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.

2.28.

Tegenover het belang van Dudok om ter handhaving van haar zerotolerancebeleid op te treden tegen drugs (zeker als het gaat om dergelijke hoeveelheden harddrugs) staan de belangen van [gedaagde sub 1] c.s. om als huurder gebruik te kunnen blijven maken van de woning. De ontruiming van de woning is weliswaar ingrijpend, maar dat [gedaagde sub 1] c.s. hierdoor in zodanige problemen zal raken dat ontruiming niet kan worden verlangd, is door hem onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

2.29.

Niet gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 1] c.s. na verlies van de woning nergens (tijdelijk) opgevangen kan worden of dat hij niet een andere woning kan vinden.
c.s. verblijft nu reeds bij zijn dochter en gesteld noch gebleken is dat hij niet langer daar, of bij zijn andere kinderen, kan verblijven tot hij een andere woning heeft.

In dat verband heeft Dudok onweersproken gesteld dat [gedaagde sub 1] c.s. sinds 2011 staat ingeschreven bij WoningNet en dat de kans behoorlijk is dat hij een andere woning kan vinden. Verder heeft Dudok ter zitting verklaard dat [gedaagde sub 1] c.s. een (senioren)woning van Dudok zou kunnen huren onder voorwaarden.

2.30.

Het argument dat deze woning over een aparte kamer beschikt, waar [gedaagde sub 1] zich kan afzonderen vanwege zijn psychische problematiek, is onvoldoende zwaarwegend.
Niet valt in te zien waarom een dergelijke kamer niet kan worden gezocht of gerealiseerd in een andere woning. Onvoldoende gebleken is dat [gedaagde sub 1] c.s. om medische of andere redenen is aangewezen om in deze woning te blijven wonen. [gedaagde sub 1] c.s. woont nu immers ook al geruime tijd bij zijn dochter.

2.31.

De omstandigheid dat [gedaagde sub 1] c.s. al 40 jaar huurt van Dudok, geen huurachterstand heeft en zich altijd als goed huurder heeft gedragen (zoals ook blijkt uit de steunbetuigingen van zijn buren), leggen eveneens onvoldoende gewicht in de schaal.

2.32.

De verwijzing van [gedaagde sub 1] c.s. naar een aantal rechterlijke uitspraken in andere zaken kan hem niet helpen. De feitelijke omstandigheden in die zaken liggen namelijk (wezenlijk) anders, met name ten aanzien van de aangetroffen hoeveelheid drugs, de stand van zaken in de bestuursrechtelijke procedure(s) en de ernst van de gevolgen van ontruiming.

2.33.

Hetgeen [gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat de gebruikmaking van de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding door Dudok van de huurovereenkomst met [gedaagde sub 1] c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Evenmin is sprake van misbruik van bevoegdheid of disproportionaliteit.

Slotsom conventie

2.34.

De slotsom is – naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – dat het voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst en daarmee de beëindiging van de huurovereenkomst in stand zal blijven. De door Dudok gevorderde ontruiming zal in deze procedure daarom worden toegewezen.

2.35.

De door Dudok gevorderde ontruimingskosten moeten echter worden afgewezen.

Ingevolge artikel 237 lid 3 Rv wordt het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld bij het vonnis vastgesteld, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt. Daarvan is bij ontruimingskosten geen sprake; dit zijn immers kosten die ná het ontruimingsvonnis (mogelijk) worden gemaakt. Ten tijde van het ontruimingsvonnis staat immers nog niet vast of deze kosten zullen worden gemaakt en zo ja, in welke omvang. Dudok zal derhalve een afzonderlijke executoriale titel moeten verwerven voor het verhaal van de executiekosten, bestaande uit een veroordeling tot betaling van die kosten.

Eis in reconventie

2.36.

Nu de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen, vordert [gedaagde sub 1] c.s. in reconventie dat Dudok hem vervangende woonruimte ter beschikking moet stellen.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft echter nagelaten om te stellen wat de wettelijke grondslag is van zijn vordering. De wet noch de huurovereenkomst biedt een basis voor het bestaan van een dergelijke verplichting. Voor zover de grondslag voor een dergelijke verplichting moet worden gezocht in (de aanvullende werking van) de redelijkheid en billijkheid, is hiervoor onvoldoende gesteld. De vordering in reconventie moet dan ook worden afgewezen.

Proceskosten in conventie en in reconventie

2.37.

[gedaagde sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dudok in reconventie worden begroot op nihil, omdat het verweer in reconventie geen noemenswaardig meewerk oplevert vanwege de nauwe samenhang met de conventie.

De kosten aan de zijde van Dudok worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 100,89

  • -

    griffierecht € 124,00

  • -

    salaris gemachtigde € 720,00

totaal € 944,89

2.38.

De door Dudok gevorderde nakosten zullen worden begroot op de onder de beslissing weergegeven wijze.

3 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om de woning aan de [adres] te [woonplaats] met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde sub 1] c.s. bevindt uiterlijk op 28 februari 2020
te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Dudok te stellen;

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Dudok, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 944,89, waarin begrepen € 720,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Dudok volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 120,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

3.6.

wijst de vordering in reconventie van [gedaagde sub 1] c.s. af;

3.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de proceskosten in reconventie aan de

zijde van Dudok, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.