Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4767

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1478
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW - uitpsraak na schorsen- verweerder neemt nieuw besluit dat eerdere besluit vervangt, beroep niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1478

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: E.F. de Roy van Zuydewijn).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat eiser per
1 januari 2019 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 3 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden. Partijen hebben afgesproken dat verweerder nader zal toelichten of eiser op 8 januari 2019 ongeschikt was voor zijn arbeid.

Op 1 april 2020 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank heeft eiser gevraagd om binnen twee weken aan de rechtbank te laten weten of hij het eens is met dit nieuwe besluit. Eiser heeft hier niet op gereageerd.

De rechtbank heeft partijen op 6 juli 2020 laten weten dat de rechtbank het niet nodig acht een tweede zitting te houden. Een tweede zitting wordt daarom achterwege gelaten, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord binnen vier weken na verzending van de brief. Beide partijen hebben aangegeven dat er geen behoefte bestaat aan een tweede zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op
7 september 2020.

Overwegingen

1. Eiser voert in beroep aan dat hij per 1 januari 2019 recht heeft op een ZW-uitkering. Met het nieuwe besluit van 1 april 2020 heeft verweerder beslist dat eiser inderdaad recht heeft op een ZW-uitkering per 1 januari 2019. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit alsnog gegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat dit nieuwe besluit het bestreden besluit vervangt. Eiser heeft dus geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep van eiser tegen dit besluit is daarom niet-ontvankelijk.

2. Deze gang van zaken brengt wel met zich mee dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- dient te vergoeden. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Met het nieuwe besluit is verweerder geheel aan eisers beroep tegemoet gekomen. Dat betekent dat het beroep van eiser tegen het bestreden besluit niet van rechtswege is gericht tegen het nieuwe besluit, omdat eiser daarbij onvoldoende belang heeft1. Het nieuwe besluit ligt dus niet ter beoordeling aan de rechtbank voor.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- draag verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2020 door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.A. Willems, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.